Rechtspraak Raad van State 2026-02-11
ECLI:NL:RVS:2026:773
202500499/1/V6. Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: 1. [appellante sub 1]., gevestigd in [plaats], 2. [appellante sub 2], gevestigd in [plaats], appellanten, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 december 2024 in zaken nrs. 24/5522 en 24/5526 in het geding tussen: 1. [appellante sub 1] 2. [appellante sub 2] en de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 1 februari 2023 heeft de minister [appellante sub 1] en [appellante sub 2] ieder een boete opgelegd van € 12.000,00, wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (de Wav) en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Bij afzonderlijke besluiten van 24 april 2024 heeft de minister de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 december 2024 heeft de rechtbank de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak hebben appellanten hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 januari 2026, waar [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en [appellante sub 1], beiden vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Boomaars, advocaat in Breda, en de minister, vertegenwoordigd door mr. Y.D.R. Mandel en mr. S. Alkema-Notting, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante sub 1] houdt zich bezig met de vervaardiging van gereedschapswerktuigen. Zij bestelt regelmatig onderdelen bij [appellante sub 2]. Naar aanleiding van een anonieme melding over de illegale tewerkstelling van personen met de Bosnische nationaliteit, hebben twee arbeidsinspecteurs op 9 september 2020 een controle uitgevoerd bij [appellante sub 1]. Hierbij hebben zij geen overtredingen geconstateerd. Naar aanleiding van een tweede anonieme melding, hebben arbeidsinspecteurs op 17 december 2020 een tweede controle uitgevoerd bij [appellante sub 1]. 1.1. In de op ambtseed opgemaakte boeterapporten van 29 april 2021, voor [appellante sub 1] met kenmerk 2020483/03 en voor [appellante sub 2] met kenmerk 2020483/04, staat dat arbeidsinspecteurs hebben geconstateerd dat op 17 december 2020 drie personen met de Bosnische nationaliteit zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden hebben verricht voor [appellante sub 1] en dat de betrokkenen ook geen gecombineerde vergunning hadden voor deze werkzaamheden. Uit de boeterapporten volgt dat de arbeidsinspecteurs [appellante sub 1]in de werkgeversketen hebben aangemerkt als opdrachtgever en [appellante sub 2] als onderaannemer. Dit betekent dat appellanten allebei artikel 2, eerste lid, van de Wav drie keer hebben overtreden. De minister heeft appellanten daarom allebei een boete opgelegd van € 12.000,00 en besloten tot openbaarmaking van de inspectiegegevens. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat zowel [appellante sub 2] als [appellante sub 1] werkgever zijn van de betrokkenen in de zin van de Wav. Zij heeft aan dit oordeel ten grondslag gelegd dat uit de boeterapporten en de bijbehorende verklaringen volgt dat [appellante sub 2] in opdracht van [appellante sub 1]in Bosnië en Herzegovina verschillende metalen constructies fabriceert. Deze constructies worden vanuit Bosnië en Herzegovina naar [appellante sub 1]gebracht en daar afgewerkt met machines en gereedschappen van [appellante sub 1]. Gelet hierop staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat de betrokkenen hun werkzaamheden zowel ten dienste van [appellante sub 2] als [appellante sub 1]hebben verricht. Daarom heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich op grond van de boeterapporten terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellanten de Wav hebben overtreden. Volgens de rechtbank was de minister dan ook bevoegd om de boetes aan appellanten op te leggen. Werkgeverschap 3. Appellanten betogen dat