Rechtspraak Raad van State 2026-02-11
ECLI:NL:RVS:2026:753
202505531/1/A2. Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en de commissie van Beroep voor de Examens van Scalda (de CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 2 juli 2025 heeft de examencommissie van Scalda (de examencommissie) aan [appellant] het cijfer voor het centraal examen Wiskunde B havo 2025, tweede tijdvak (het CE), vastgesteld en bekend gemaakt. Bij beslissing van 7 juli 2025 heeft de examencommissie het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Bij beslissing van 8 september 2025 heeft de CBE het door [appellant] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. De CBE heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 december 2025, waar [appellant] en de CBE, vertegenwoordigd door mr. A. Metske, [gemachtigde] en M. van der Palm MSc, zijn verschenen. Overwegingen Wettelijk kader 1. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Inleiding 2. [appellant] heeft in het schooljaar 2024-2025 als student een havo-opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs aan Scalda gevolgd. Hij heeft op 19 juni 2025 het CE afgelegd. Op 2 juli 2025 is bekendgemaakt dat hij niet is geslaagd voor zijn havo-diploma. 3. [appellant] stelt dat als hij één punt extra had behaald voor het CE, hij voor het havo-diploma was geslaagd. Hij komt op tegen de vaststelling van het cijfer voor het CE. Beslissing examencommissie 4. De examencommissie heeft, voor zover het bezwaar is gericht tegen de examenuitslag, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Een student kan geen bezwaar maken of beroep instellen tegen de vaststelling van een cijfer voor het CE. Voor zover het bezwaar kan worden gezien als een verzoek tot herbeoordeling, is dit verzoek afgewezen. Er zijn, nadat de opmerkingen van [appellant] over de beoordeling van het CE aan de eerste examinator zijn voorgelegd, geen aanwijsbare fouten geconstateerd in de beoordeling volgens het correctiemodel. De examenuitslag is vastgesteld aan de hand van de wettelijke regeling die daarvoor geldt. Er is hierbij geen ruimte om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van [appellant]. Beslissing van de CBE 5. De CBE heeft zich op het standpunt gesteld dat uit artikel 1.32 van het Examenreglement Vavo Scalda (het Examenreglement) volgt dat een student geen beroep kan instellen bij de CBE tegen de beoordeling van het CE. Dit is op grond van paragraaf 3 van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020 (het Uitvoeringsbesluit) voorbehouden aan de examinator en de gecommitteerde, die in onderling overleg de score voor het CE vastleggen. De vaststelling van deze score en het cijfer is bindend, en hier staat geen bestuursrechtelijk rechtsmiddel tegen open, maar kan door middel van een civiele procedure worden aangevochten. De examencommissie heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek van [appellant] om een herbeoordeling niet-ontvankelijk is. Verder merkt de CBE op dat niet is gebleken dat de examinatoren het CE niet volgens de geldende voorschriften hebben beoordeeld. Ook heeft de CBE erop gewezen dat de examencommissie, hoewel het bezwaar tegen de beoordeling van het CE niet-ontvankelijk is verklaard, inzichtelijk heeft gemaakt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een aanwijsbare fout in de beoordeling. Omvang van het geschil 6. In deze procedure heeft [appellant] gronden aangevoerd tegen de wijze waarop de procedure in (administratief) beroep is verlopen. [appellant] heeft zich onder meer op het standpunt gesteld dat de CBE niet tijdig heeft beslist op het door hem ingestelde administratief beroep en dat zijn brief van 9 september 2025, waarin hij heeft aangegeven dat hij zich nie Conclusie 10. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de beslissing van de CBE van 8 september 2025 en de beslissing van de examencommissie van 7 juli 2025 en draagt de CBE op om een nieuwe beslissing op het administratief beroep te nemen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Wat betekent deze uitspraak? 11. De CBE moet (opnieuw) op het administratief beroep van [appellant] beslissen. De Afdeling wijst erop dat, anders dan het standpunt dat de CBE in haar beslissing van 8 september 2025 heeft ingenomen en is bepaald in het Examenreglement, administratief beroep kan worden ingesteld op grond van strijd met het recht (artikel 7.5.4., derde lid, van de Web). Dit betekent dat de CBE in overeenstemming met die bepaling en aan de hand van wat door [appellant] is aangevoerd moet beslissen of de examencommissie bij de vaststelling van het cijfer van het CE in strijd met het recht heeft gehandeld. Proceskosten 12. De CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt de beslissing van de commissie van Beroep voor de Examens van Scalda van 8 september 2025; III. vernietigt de beslissing van de examencommissie van Scalda van 7 juli 2025; IV. draagt de commissie van Beroep voor de Examens van Scalda op om binnen 4 weken na verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op het administratief beroep van [appellant] te nemen; V. gelast dat de commissie van Beroep voor de Examens van Scalda aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht van € 53,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 284-1062 BIJLAGE WETTELIJK KADER Wet educatie en beroepsonderwijs Artikel 7.4.11. Examen, onderwijsprogramma en studentenstatuut […]. 7. Hoofdstuk 2, paragraaf 5, van de Wet voortgezet onderwijs 2020 is van toepassing op de examens van opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs: a. met uitzondering van de artikelen 2.51, eerste tot en met vijfde lid, 2.51a, 2.59, 2.60, eerste lid, onder d, tweede tot en met vierde lid, 2.60b, eerste tot en met derde lid, 2.60c, tweede en derde lid, 2.60d, 2.62 tot en met 2.64; b. met dien verstande dat: 1˚. «de rector of directeur» en «het bevoegd gezag» worden gelezen als «de examencommissie», behalve in de artikelen 2.52, 2.53, 2.54 en 2.55, eerste lid; […]. Artikel 7.5.4. Bevoegdheid commissie van beroep voor de examens 1. De commissie van beroep voor de examens oordeelt over beslissingen van de examencommissie of van de examinatoren. 2. Het beroep kan, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van hoofdstuk 7 van de Algemene wet bestuursrecht, worden ingesteld terzake dat een beslissing in strijd is met het recht. De commissie beslist binnen vier weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het beroepschrift is verstreken, wat de openbare instellingen betreft in afwijking van artikel 7:24, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tenzij de commissie deze termijn heeft verlengd met ten hoogste twee weken. 4. De commissie stelt een onderzoek in alvorens te beslissen. Zij stelt bij haar beslissing zo nodig vast op welke wijze de kandidaat alsnog in de gelegenheid zal worden gesteld het examen geheel of gedeeltelijk af te leggen. 5. De commissie maakt haar beslissing bekend aan de kandidaat, aan de ouders, voogden of verzorgers van de kandidaat indien deze minderjarig is, aan het bevoegd gezag, aan het bedrijf dat of de organisatie die de beroepspraktijkvorming verzorgt, en aan de inspectie. 6. Indien de commissie het beroep gegrond acht, vernietigt zij de beslissing geheel of gedeeltelijk. De commissie is niet bevoegd in de plaats van de geheel of gedeelt