Rechtspraak Raad van State 2026-02-11
ECLI:NL:RVS:2026:745
202505577/1/A2. Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: Stichting Another Kind Of Blue (AKOB), gevestigd in Den Haag, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 18 september 2025 in zaak nr. 25/2185 in het geding tussen: AKOB en de raad van bestuur van de Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten (het Fonds). Procesverloop Bij besluit van 3 juli 2024 heeft het Fonds de aanvraag van AKOB in het kader van de Deelregeling meerjarige productsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 afgewezen. Bij besluit van 4 februari 2025 heeft het Fonds het door AKOB daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 september 2025 heeft de rechtbank het door AKOB daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft AKOB hoger beroep ingesteld. Het Fonds heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. AKOB heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2026, waar AKOB, vertegenwoordigd door mr. J.H.A. van der Grinten, advocaat in Amsterdam, [choreograaf] en [gemachtigde], en het Fonds, vertegenwoordigd door mr. A. Braxhoven en [gemachtigde], zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. AKOB is een dansgezelschap uit Den Haag en staat onder artistieke leiding van choreograaf [choreograaf]. Zij heeft een aanvraag om subsidie ingediend op grond van de Deelregeling meerjarige productsubsidies Fonds Podiumkunsten 2025-2028 (de Deelregeling) voor een bedrag van € 370.000,00 per jaar. 2. Aan de afwijzing van de aanvraag heeft het Fonds het advies van de Adviescommissie meerjarige productsubsidie 2025-2028 categorie II (de adviescommissie) ten grondslag gelegd. De adviescommissie bestaat uit negen leden en een voorzitter. Twee van de leden van de adviescommissie zijn gespecialiseerd in dans, namelijk [persoon A] en [persoon B]. De adviescommissie heeft de artistieke kwaliteit als zwak beoordeeld. De publieksfunctie en de betekenis voor de Nederlandse podiumkunstenpraktijk zijn met een voldoende beoordeeld en de bijdrage aan de geografische spreiding als ruim voldoende. Met deze beoordeling komt de aanvraag van AKOB niet in aanmerking voor subsidie. 3. Het Fonds heeft de afwijzing in bezwaar gehandhaafd en voor de motivering verwezen naar het advies van de bezwaaradviescommissie Meerjarige Regeling 2025-2028 Fonds Podiumkunsten. Niet is gebleken dat het advies van de adviescommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen of niet voldoende draagkrachtig en zorgvuldig is gemotiveerd. Dat één van de leden van de adviescommissie, [persoon B], eerder negatieve recensies heeft geschreven over voorstellingen van AKOB, betekent niet dat zij niet in staat is om op objectieve en onpartijdige wijze te adviseren en de schijn van vooringenomenheid is gewekt. Uitspraak van de rechtbank 4. De rechtbank is van oordeel dat het Fonds het advies van de adviescommissie aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. Niet is gebleken van een persoonlijk belang van [persoon B], als bedoeld in artikel 2:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De beoordeling van een subsidieaanvraag door een adviescommissie is wezenlijk anders dan het recenseren voor een krant. De adviescommissie is samengesteld uit negen leden en een voorzitter. De leden hebben elk hun eigen expertise en vertegenwoordigen een breed palet aan kennis. Daardoor kan een gedegen artistieke beoordeling worden gemaakt. De argumenten in het advies worden gedragen door de complete adviescommissie. In de adviescommissie zat naast [persoon B] nog een lid met een expertise op het gebied van dans. De adviescommissie is bovendien gebonden aan het beoordelingskader van de Deelregeling en aan een protocol. Dit protocol, waarin is opgenomen dat de adviseurs geen persoonlijk belang hebben bij aanvragen en hun werk zonder vooringenomenheid kunnen uitvoeren, moet voorafgaand aan de advisering door alle leden worden ondertekend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 3 november 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2439, onder 7.2) vloeit uit het tweede lid ook voort dat het bestuursorgaan de schijn van belangenverstrengeling moet vermijden. Hierbij heeft de Afdeling overwogen dat het voor het wegnemen van de schijn van belangenverstrengeling bij leden van de adviescommissie onvoldoende is dat zij zich verschonen bij de advisering over concurrerende aanvragen binnen dezelfde tender en/of dezelfde ronde waarbij zijzelf direct betrokken zijn. 5.3. Het Fonds heeft toegelicht dat het voor de adviesprocedure een protocol hanteert. Alle leden van de adviescommissie moeten voorafgaand aan de advisering dit protocol ondertekenen. Hiermee verklaren zij dat zij geen (in)direct persoonlijk belang hebben bij aanvragen die behandeld worden en dat zij hun werkzaamheden zonder vooringenomenheid kunnen uitvoeren. Ook moeten de adviseurs hun functies en nevenfuncties melden bij het Fonds. Ten slotte is tijdens de vergadering aandacht besteed aan mogelijke vooringenomenheid. Bij al deze toetsen is niet gebleken van een persoonlijk belang van één van de adviseurs, aldus het Fonds. 5.4. De Afdeling is anders dan de rechtbank van oordeel dat in dit geval ten aanzien van twee adviseurs die deel uitmaakten van de adviescommissie de schijn van belangenverstrengeling bestaat, ondanks dat het Fonds vooraf verschillende procedurele waarborgen in de adviesprocedure heeft getroffen om dit te voorkomen. Deze waarborgen zijn in dit geval onvoldoende gebleken. 5.4.1. Over [persoon A] heeft AKOB terecht aangevoerd dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. Het systeem van peer review is in het licht van de beoordeling van de schijn van belangenverstrengeling een kwetsbaar systeem. In een dergelijk systeem betekent een eerdere samenwerking van een adviseur met een concurrent die subsidie aanvraagt niet per definitie dat de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Wel is onvoldoende dat alleen wordt nagegaan of de adviseur geen samenwerking had met één van de aanvragers op het moment dat de aanvraagperiode aanving en of de adviseur voor de periode waarvoor de subsidie verstrekt is ook geen nieuwe samenwerking is aangegaan. Het Fonds had ook de duur en aard van de eerdere samenwerking moeten betrekken bij de beoordeling of de schijn van belangenverstrengeling wordt gewekt. Het Fonds heeft niet weersproken dat [persoon A] een periode van dertien jaar heeft samengewerkt met [dansgezelschap] en dat [dansgezelschap] een aanvrager is in dezelfde Deelregeling als AKOB. De samenwerking tussen [persoon A] en [dansgezelschap] is pas kort voor aanvang van de aanvraagperiode geëindigd. Hoewel deze samenwerking niet exclusief was en [persoon A] in deze periode ook met andere gezelschappen heeft gedanst, was de aard van de samenwerking tussen [persoon A] en [dansgezelschap] niet die van een incidentele samenwerking, maar van een intensieve samenwerking. [persoon A] had niet alleen een uitvoerende rol als danser, maar was ook als co-creator betrokken bij producties van [dansgezelschap]. Verder gaf [persoon A] bij de [stichting] in Amsterdam workshops over het werk van [dansgezelschap] en ging zij voor een eigen project een artistieke samenwerking aan met [dansgezelschap]. Daarnaast heeft AKOB erop gewezen dat [persoon A] in een interview in Dans Magazine uit 2019 wordt beschreven als één van de muzen van [dansgezelschap]. Gelet op al deze omstandigheden, heeft AKOB er terecht op gewezen dat er een dusdanige binding is tussen [persoon A] en de met AKOB concurrerende aanvrager, dat door haar betrokkenheid bij de advisering de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. [persoon A] had daarom geen onderdeel mogen uitmaken van de adviescommissie in categorie II omdat [dansgezelschap] ook in deze categorie een aanvraag heeft ingediend. 5.4.2. Ook in het geval van [persoon B] heeft AKOB terecht aangevoerd dat de schijn van belangenverstrengeling is gewekt. De ad