Rechtspraak Raad van State 2026-02-11
ECLI:NL:RVS:2026:743
202207507/1/R1. Datum uitspraak: 11 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B], beiden wonend te Alphen aan den Rijn (hierna samen: [appellant]), appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, verweerder. Procesverloop Op 10 maart 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de toepassing van Thermisch Gereinigde Grond bij de aanleg van de Máximabrug, niet-ontvankelijk verklaard. Bij besluit van 18 november 2022 heeft het college beslist op het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar, het bezwaar voor zover het betrekking heeft op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], gegrond verklaard en het verzoek om handhaving in zoverre alsnog afgewezen. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend. De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). [appellant] en het college hebben een zienswijze daarop gegeven. Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 september 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders, advocaat te Breda, bijgestaan door M. Langevoort, F.J. Beerepoot, A. Bosselaar en N.M. Paardekooper, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 18 november 2022 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend. Inleiding Voorgeschiedenis 2. Het gaat in deze zaak over het, in opdracht van de gemeente Alphen aan den Rijn, realiseren van de Koningin Máximabrug over de Oude Rijn in de periode tussen 2015 en 2017. Als onderdeel hiervan was het nodig om voor de toerit van de brug aan beide zijden het hoogteverschil tussen de landhoofden en het oorspronkelijke maaiveld te overbruggen. Daarbij is het maaiveld eerst deels ontgraven en daarna op- en aangevuld met Thermisch Gereinigde Grond (hierna: TGG). Vervolgens is de ontgraven grond daaroverheen teruggebracht als leeflaag. Het toepassen van de TGG is daarbij door het college aangemerkt als een zogenoemde Grootschalige Bodemtoepassing (hierna: GBT) als bedoeld in artikel 63 van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk). Vanuit de zorgplicht van de gemeente en de hieruit voortvloeiende wens om inzicht te krijgen in de invloed van de toegepaste TGG op de milieukwaliteit van de omgeving heeft de gemeente Alphen aan den Rijn aan bureau Tauw opdracht gegeven om onderzoek te doen. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Onderzoek toepassing thermisch gereinigde grond Màximabrug te Alphen aan den Rijn" van Tauw van 26 juli 2021 (hierna: het Tauw-rapport van 26 juli 2021). Vrees van [appellant] en het handhavingsverzoek 3. Aan de noordzijde van de Oude Rijn ligt aan de oostzijde van de Máximabrug een terrein dat kadastraal bekend is als gemeente Oudshoorn, sectie A, nummer 1668 (hierna wordt het perceel aangeduid als: paardenweide). De eigendom van dit terrein is op 12 december 2016 overgegaan van de gemeente op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf]. Sindsdien gebruikt zij dit terrein als paardenweide. [appellant B] heeft een perceel dat grenst aan de paardenweide in eigendom. Mede op basis van de resultaten uit het Tauw-rapport van 26 juli 2021 vreest [appellant] dat vanwege de TGG die bij het realiseren v Dat betekent dat de toepassing van de TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ onderdeel was van de GBT en er daarmee - anders dan in het besluit van 18 november 2022 staat - ook in zoverre geen overtreding van artikel 63 van het Bbk was. Daarom komt het college in het geheel geen bevoegdheid toe om handhavend op te treden, zo heeft het college gesteld. Opdracht aan de STAB 8. De Afdeling heeft, mede gelet op de diverse door partijen overgelegde rapporten van Tauw, Geofoxx en TTE, de STAB benoemd als deskundige als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor het instellen van een onderzoek. De Afdeling heeft de STAB gevraagd de feitelijke situatie te beschrijven, voor zover nodig voor de behandeling van het beroep. Wet- en regelgeving 9. De relevante wet- en regelgeving, voor zover niet geciteerd in de overwegingen, is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Beoordeling van het beroep Is [appellant B] belanghebbende? 10. [appellant], voor zover het betreft [appellant B], betoogt dat het college hem in het besluit van 18 november 2022 ten onrechte niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt. 10.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. 10.2. Het perceel van [appellant B] ligt direct naast de paardenweide en daarmee in de directe omgeving van de paardenweide en de Máximabrug. Niet kan worden uitgesloten dat hij ter plaatse van zijn perceel gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van een eventuele verontreiniging of aantasting van de bodem ter plaatse van de projectlocatie en de paardenweide als gevolg van de toepassing van TGG voor de aanleg van de Máximabrug. In die hoedanigheid is zijn belang rechtstreeks betrokken bij het verzoek om handhaving. Dat betekent dat het college [appellant B] in het besluit van 18 november 2022 ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt bij het verzoek om handhaving en ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op het verzoek om handhaving voor zover dat door hem is ingediend. Het betoog slaagt. Advies van de commissie bezwaarschriften 11. [appellant], voor zover het betreft [appellant B], betoogt verder dat het college in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb geen motivering heeft gegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften door [appellant B] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken bij het verzoek om handhaving. 11.1. Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb luidt: "Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden." 11.2. De Afdeling stelt vast dat het college in het besluit van 18 november 2022 de reden voor de afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften niet heeft vermeld. Het besluit van 18 november 2022 is in zoverre in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb. 11.3. Artikel 6:22 van de Awb: "Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld." 11.4. De Afdeling ziet aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat [appellant B] door de schending van artikel 7:13, zevende lid, van de Awb niet is benadeeld. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college in het verweerschrift alsnog de redenen voor de afwijking van het advies van de commissie heeft opgenomen door te motiveren waarom hij [appellant B] in het besluit van 18 november 2022 niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Dat betekent dat het opslaan van TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ alvorens het toe te passen ook in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wm heeft plaatsgevonden, zo stelt [appellant]. Voor zover TGG niet in strijd met artikel 5 van het Bbk is toegepast en het Bbk dus van toepassing is op de toepassing van TGG, voert [appellant] aan dat overtreding van artikel 42 van het Bbk heeft plaatsgevonden, omdat de toepassing van TGG op de projectlocatie niet tijdig is gemeld en de tijdelijke opslag van TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ voorafgaand aan de toepassing op de projectlocatie niet is gemeld. Daarnaast voert [appellant] aan dat de toepassing van TGG op de projectlocatie niet voldoet aan de eisen voor GBT als bedoeld in artikel 63 van het Bbk, omdat er diverse overschrijdingen van maximale waarden als gevolg van de toepassing van TGG ter plaatse zijn geconstateerd en de aangebrachte leeflaag wat betreft de dikte en de kwaliteit op diverse plaatsen ook niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 63 van het Bbk te stellen eisen. Tot slot voert [appellant] aan dat artikel 13 van de Wbb is overtreden, omdat degene die de TGG toepaste ten tijde van deze toepassing wist en redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat toepassing van TGG tot verontreiniging- en aantasting van de bodem op de projectlocatie en de omgeving, waaronder de paardenweide, zou kunnen leiden. Daartoe wijst [appellant] op een e-mail van 6 januari 2015 van de adviseur bodem van de Omgevingsdienst West-Holland aan een ambtenaar van de gemeente, waarin kanttekeningen worden geplaatst bij het grondstromenplan en erop wordt gewezen dat men bij het toepassen van TGG bedacht moet zijn op uitloging. 13.1. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het college het verzoek om handhaving van [appellant] terecht heeft afgewezen. Daartoe zal de Afdeling hierna eerst ingaan op de beroepsgronden over artikel 1 van het Bbk (overweging 13.2 tot en met 13.2.1), artikel 5, eerste lid, van het Bbk (overwegingen 13.3 tot en met 13.3.4), artikel 42, eerste en derde lid, van het Bbk (overweging 13.4 tot en met 13.4.1) en artikel 63 van het Bbk (overwegingen 13.5 tot en met 13.5.5). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgrond over artikel 10.2, eerste lid, van de Wm (overweging 13.6). Daarna zal de Afdeling ingaan op de beroepsgrond over artikel 13 van de Wbb (overweging 13.7 tot en met 13.7.2). De tussenconclusie over beantwoording van de vraag of het college het verzoek om handhaving van [appellant] terecht heeft afgewezen, is opgenomen in overweging 13.8. - Artikel 1 van het Bbk: grond of bouwstof? 13.2. De Afdeling stelt voorop dat dat de kwalificatie ‘grond’ in de zin van artikel 1 van het Bbk, in samenhang gelezen met artikel 34, tweede lid, van dat besluit, of ‘bouwstof’ als bedoeld in het Bbk van belang is omdat hieruit onder meer volgt onder welke voorwaarden een bepaald materiaal toegepast kan worden onder het Bbk. Uit het deskundigenbericht volgt dat TGG kan voldoen aan de kwalificatie van grond in het Bbk. Voor zover [appellant] dat betwist en daartoe stelt dat bij de thermische reiniging van teerhoudend asfaltgranulaat om tot het restproduct TGG te komen de vulstof, bestaande uit een mengsel van vliegas en kalk, niet in alle gevallen verwijderd wordt, heeft zij zich in het bijzonder gebaseerd op het rapport "Verslag van een voorlopig deskundigenonderzoek naar het toepassen van thermisch gereinigde grond in een zeedijk in de Perkpolder" van Bodemkundig Adviesbureau Edelman van 12 maart 2021. De Afdeling stelt echter vast dat in dit rapport niet wordt ingegaan op de vraag of en in welke mate de in dit geval toegepaste TGG voldoet aan de definitie van ‘grond’ of ‘bouwstof’ in de zin van het Bbk, maar enkel de toepassingsmogelijkheden van TGG in een zeedijk in de Perkpolder worden onderzocht. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het col 13.3.2. Over wat [appellant] heeft aangevoerd in het kader van het functionaliteitsvereiste en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbk, over de vraag of in dit geval een ‘nuttige toepassing’ aan de orde is, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt voorop dat het begrip ‘nuttige toepassing’ als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm slechts relevant is wanneer iets een afvalstof is. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of, áls de TGG een afvalstof zou zijn, deze in dit geval nuttig is toegepast. Daartoe stelt de Afdeling vast - en dat is ook niet tussen partijen in geschil - dat de toepassing van TGG in deze zaak kan worden aangemerkt als de toepassing van grond in bouw- en wegconstructies als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk. Nu daarmee een nuttig doel wordt gediend, omdat in zoverre geen andere materialen behoeven te worden gebruikt om als toerit van de brug een verhoging te realiseren, is dit een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm. Gelet hierop is het antwoord op de vraag of de toegepaste TGG in dit geval het karakter van afvalstof als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm heeft naar het oordeel van de Afdeling niet meer van belang. Immers, zou worden aangenomen dat er in dit geval sprake is van een afvalstof, dan wordt die afvalstof nuttig toegepast. 13.3.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de toepassing van TGG in strijd met artikel 5, eerste lid, van het Bbk is. Daarmee is er ook geen overtreding van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk. Het betoog slaagt niet. 13.3.4. Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van TGG voldoet aan artikel 5, eerste lid, van het Bbk, zodat het Bbk hier van toepassing is. Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, het ook gaat om een toepassing als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk, zijn de artikelen 42 en 63 van het Bbk eveneens van toepassing. Deze artikelen gelden immers slechts als sprake is van een toepassing als bedoeld in onder meer artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk. Daarover oordeelt de Afdeling hierna onder 13.4 en verder respectievelijk 13.5 en verder. - Artikelen 42 van het Bbk: te late melding/ten onrechte geen melding? 13.4. Over het betoog van [appellant] dat de toepassing van de TGG in strijd met artikel 42, eerste lid, van het Bbk niet tijdig is gemeld, overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht is opgemerkt dat de aannemer op 24 april 2015 de toepassing van 40.000 m3 TGG ten behoeve van het project heeft gemeld. In deze melding is uitgegaan van 18 mei 2015 als startdatum van de toepassing. Op 20 januari 2016, en daarmee na afronding van de toepassing van 53.757 m3 TGG in het najaar van 2015, is een tweede melding gedaan door de aannemer, waarin de hoeveelheid toegepaste TGG is verhoogd met 14.000 m3 tot 54.000 m3, zo staat in het deskundigenbericht. Daarmee is de uiteindelijk toegepaste TGG in strijd met artikel 42, eerste lid, van het Bbk niet ten minste vijf werkdagen voor de toepassing gedaan. Dit betekent dat een overtreding heeft plaatsgevonden van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk. Het college was daarom bevoegd handhavend op te treden. Het college heeft dit op de zitting ook erkend, maar heeft aangegeven van deze bevoegdheid geen gebruik te maken omdat de overtreding louter van administratieve aard is. Nu de toepassing zelf - naar tussen partijen ook niet in geschil is - reeds lange tijd is afgerond en de toepassing kort na de afronding alsnog is gemeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college naar aanleiding van deze overtreding een bestuurlijke sanctie had moeten opleggen. Voor zover [appellant] in dit verband heeft gesteld dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat ook sprake In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Voor zover [appellant] pas op de zitting heeft gesteld dat het productcertificaat ten onrechte is afgegeven, omdat na de TGG-toepassing ter plaatse minimale overschrijdingen zijn geconstateerd, overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten dat het betoog niet is onderbouwd of nader geconcretiseerd, heeft dit betoog ook geen betrekking op de afwijzing van het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de toepassing van de TGG als zodanig. Alleen al om die reden kan dit betoog niet slagen. 13.5.3. De Afdeling merkt op dat de dikte van de over de toegepaste TGG aangebrachte leeflaag op de projectlocatie en ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ bij een GBT ingevolge artikel 63, derde lid, van het Bbk minimaal 0,5 m moet zijn. In het deskundigenbericht staat hierover het volgende. Na de toepassing van TGG zijn diverse boringen verricht om de laagdikte van de leeflaag te onderzoeken. Hieruit bleek dat slechts ter plaatse van twee boringen in de oksel van de weg en de bocht van het fietspad en één boring ter plaatse van de paardenweide is geconstateerd dat de leeflaag een dikte heeft van 0,4 meter en daarmee niet voldoet aan een minimale dikte van 0,5 meter als bedoeld in artikel 63, derde lid, van het Bbk. Bij de overige boringen voldoet de leeflaag overal aan de minimale laagdikte van 0,5 m, zo staat in het deskundigenbericht. Het college heeft in reactie op het deskundigenbericht gesteld dat de leeflaag in 2016 is aangebracht en dat uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant] zelf allerlei graaf- en grondverzet werkzaamheden heeft uitgevoerd ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de dikte van de leeflaag op de locaties waarbij deze op het moment van de boringen te dun is gebleken ook ten tijde van het aanleggen van de leeflaag al niet aan dat artikellid voldeed. Nu de leeflaag bij de overige boringen wel aan de vereiste dikte voldoet, heeft het college dit juist eerder als een positieve indictie kunnen aanmerken dat de dikte van de aangebrachte leeflaag ten tijde van de aanleg toereikend was. 13.5.4. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] dat de leeflaag niet voldoet aan artikel 63, vierde lid, van het Bbk, gelet op de stukken en het verhandelde op de zitting, zo dat de grond van de leeflaag vermengd is geraakt met TGG toen die grond en de TGG tijdelijk tezamen ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ opgeslagen lagen voorafgaand aan de toepassing. Anders dan waarvan [appellant] kennelijk uitgaat, is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, echter voldoende komen vast te staan dat de TGG voorafgaand aan de toepassing niet ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ tijdelijk opgeslagen is geweest voorafgaand aan de toepassing. Anders dan [appellant] aanvoert, is dit dus geen aanwijzing dat de grond van de leeflaag ter plaatse van de ‘paardenweide deel B’ vermengd is geraakt met TGG. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat er vermenging van de leeflaag met TGG heeft plaatsgevonden. Vermenging van verschillende opgebrachte lagen, zoals hier de toegepaste TGG en de leeflaag bestaande uit de oorspronkelijke (agrarische) grond, is weliswaar niet volledig uit te sluiten, maar er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dat ook in dit geval zo is. Voor zover [appellant] er nog op heeft gewezen dat bij de toepassing van de leeflaag ten onrechte geen rekening is gehouden met het puin dat zich daarin bevindt, heeft zij dit in het geheel niet onderbouwd of nader geconcretiseerd, zodat de Afdeling daaraan voorbij gaat. 13.5.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat TGG is toegepast ter plaatse van de projectlocatie en ‘paardenweide deel A’ Tussenconclusie 13.8. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het toepassen van TGG bij de aanleg van de Máximabrug, terecht heeft afgewezen. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft, gelet hierop, geen bespreking. Conclusie 14. Gelet op wat onder 10.2 is overwogen is het beroep tegen het besluit van 18 november 2022 gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van [appellant B] ongegrond is verklaard en geen inhoudelijk besluit op zijn verzoek om handhaving is genomen. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en daarbij te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit op bezwaar van 18 november 2022, voor zover dat is vernietigd. Het besluit van 18 november 2022 blijft in stand, voor zover het betrekking heeft op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf]. 15. De uitspraak betekent dat het handhavingsverzoek definitief is afgewezen. De handhavingsprocedure is met deze uitspraak beëindigd. Proceskosten 16. Het college moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 18 november 2022, kenmerk 2022107221, gegrond; II. vernietigt dat besluit voor zover het bezwaar van [appellant B] daarbij niet gegrond is verklaard en geen inhoudelijk besluit op zijn verzoek om handhaving is genomen; III. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 november 2022, voor zover dat is vernietigd; IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier. De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen w.g. Lammers griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026 890 BIJLAGE Besluit bodemkwaliteit Artikel 1 In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder: […] bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast; […] grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie; […] Artikel 5 1 Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover: a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing, b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onde