Rechtspraak Raad van State 2026-02-04
ECLI:NL:RVS:2026:640
202407306/1/R3. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak, deels tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend in Hazerswoude-Dorp, gemeente Alphen aan den Rijn, appellanten, en de raad van de gemeente Alphen aan den Rijn, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Oostvaarderskwartier Hazerswoude-Dorp" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op een zitting op 10 november 2025, waar [appellant] en anderen, van wie [appellant], [twee andere appellanten] in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door F.M. Jansen, G.J. van der Zwaard en G. Balki, zijn verschenen. Voorts is op de zitting Habeko, vertegenwoordigd door [gemachtigde], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 3 augustus 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan voorziet in de herontwikkeling van een voetbalveld van de voetbalvereniging Hazerswoudse Boys in Alphen aan de Rijn ten behoeve van woningbouw, waarbij de mogelijkheid voor 64 woningen wordt gecreëerd. Het woningbouwplan bestaat uit vrijstaande woningen, aaneengebouwde woningen en gestapelde woningen. Daarbij zal het merendeel van het aanbod bestaan uit sociale huurwoningen en is een klein deel bestemd voor de vrije sector. 3. Daarnaast voorziet het plan in een aansluiting van de Heerenlaan op de Sportparklaan. Naast het voetbalveld maakt de omliggende ontsluiting eveneens onderdeel uit van dit bestemmingsplan. 4. [appellant] en anderen wonen ten zuiden van het plangebied aan de Burgemeester Warnaarkade. Zij kunnen zich niet met het plan verenigen, met name omdat de raad volgens hen onvoldoende aandacht heeft gehad voor de verkeersveiligheid in en rondom het plangebied. Ontvankelijkheid 5. [appellant] heeft in het beroepschrift verklaard dat zij mede namens meerdere omwonenden opkomt. Bij het beroepschrift is een handtekeningenlijst gevoegd, waaruit blijkt welke omwonenden [appellant] stelt te vertegenwoordigen in hun beroep tegen het bestemmingsplan. 6. [persoon A] en [personen C en D] hebben die handtekeningenlijst niet getekend, waardoor daaruit niet blijkt dat zij [appellant] hebben gemachtigd om hen te vertegenwoordigen. 7. [appellant] is bij aangetekende brief van 5 december 2024 verzocht de gestelde vertegenwoordiging van deze personen aan te tonen. [appellant] is tot en met 30 december 2024 hiertoe in de gelegenheid gesteld. Hierbij is vermeld dat, indien dat niet binnen de gestelde termijn gebeurt, er rekening mee moet worden gehouden dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard. 8. [appellant] heeft binnen de daarvoor gestelde termijn geen gebruikgemaakt van de gelegenheid om de gevraagde machtigingen te overleggen. 9. Het beroep van [appellant] en anderen voor zover beweerdelijk mede ingesteld door [persoon A] en [personen C en D], is niet-ontvankelijk. Als de Afdeling in het vervolg spreekt over [appellant] en anderen, zijn daaronder [persoon A] en [personen C en D] niet begrepen. Toetsingskade Verder brengen zij naar voren dat aan het argument van de raad dat haar zienswijze te lang zou zijn voorbij moet worden gegaan, mede gelet op de omstandigheid dat zij hebben moeten reageren op een bestemmingsplan van 354 pagina’s in een relatief korte periode en de raad zelf bijna een jaar de tijd heeft genomen voor de beantwoording van de zienswijze. 12.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de Nota van zienswijzen voldoet aan de eisen die artikel 3:46 van de Awb daaraan stelt. De raad brengt naar voren dat hij vanwege het grote aantal zienswijzen in eerste instantie heeft gekozen op hoofdlijnen te reageren door hoofdzaak van bijzaak te scheiden. Volgens de raad verzet artikel 3:46 van de Awb zich niet tegen zo'n werkwijze, omdat de zienswijzen samengevat mogen worden weergeven en de raad niet op ieder argument afzonderlijk hoeft in te gaan. Verder voert de raad aan dat de 27 vragen in een addendum alsnog zijn beantwoord, maar daarin veel staat wat ook al in de Nota van zienswijzen stond. 12.2. Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat er niet of onvolledig is gereageerd op hun zienswijze, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling vat het zo op dat de wijze waarop de raad de naar voren gebrachte zienswijzen heeft behandeld in strijd zou zijn met de motiveringsverplichting van artikel 3:46 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijze samengevat weergeeft of verwijst naar de beantwoording van andere zienswijzen. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten ten onrechte niet in de overwegingen zijn betrokken. Bovendien heeft de raad op verzoek van [appellant] en anderen alsnog inhoudelijk gereageerd op de punten die volgens [appellant] en anderen onbeantwoord waren gebleven. De enkele omstandigheid dat de raad de reactie op die punten een dag na de behandeling daarvan in de raadscommissie aan [appellant] en anderen heeft toegestuurd, maakt niet dat sprake is van onzorgvuldig handelen. In wat [appellant] en anderen verder hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de voorbereiding van het bestemmingsplan in zoverre in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het betoog slaagt niet. Zorgvuldigheidsbeginsel 13. [appellant] en anderen betogen dat de raad niet zorgvuldig is omgegaan met het in opdracht van hen opgestelde tegenrapport "Contra-expertise 'Noordoostelijke wijkontsluitingsweg Hazerswoude-Dorp'", van 10 september 2024. Daartoe voeren zij aan dat de raad in slechts drie werkdagen een reactie op dat rapport heeft gegeven. Dat duidt volgens [appellant] en anderen op onzorgvuldigheid. 13.1. De Afdeling overweegt dat de enkele omstandigheid dat de raad binnen drie werkdagen een reactie heeft gegeven op de contra-expertise van [appellant] en anderen, niet maakt dat daarmee sprake is van onzorgvuldigheid. [appellant] en anderen hebben de inhoud van die reactie verder niet bestreden. Het betoog slaagt niet. Verkeersveiligheid Onvoldoende en ondeugdelijk onderzoek 14. [appellant] en anderen betogen dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de verkeersveiligheid in fase 2 van het plan, waarbij de woningen zijn gerealiseerd maar de gewenste verkeersontsluiting nog niet. Daarbij wijzen [appellant] en anderen op de reeds overbelaste wegen, waar de nieuwe bewoners gebruik van zullen moeten maken. Dat is volgens [appellant] en anderen onwenselijk omdat het plangebied in een kwetsbaar gebied ligt, waarbij kinderen zich van en naar de nabij het plangebied gelegen school en sportvoorzieningen bewegen. Daarnaast betogen [appellant] en anderen dat het "Verkeerscirculatieplan Hazerswoude-Dorp noordoost" van 14 oktober 2022, opgesteld door Goudappel (hierna: verkeerscirculatieplan), dat de raad mede aan het plan ten grondslag heeft gelegd, meerdere g De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling verder voldoende toegelicht dat de Middelweg (N455) en de Hogeveenseweg, anders dan [appellant] en anderen betogen, op een dusdanige afstand van het plangebied liggen, dat de impact van het plan op die wegen gering is en niet hoeft te worden betrokken in het onderzoek naar de verkeersgevolgen van het bestemmingsplan. Over het betoog van [appellant] en anderen dat de verkeersgevolgen van de bouwplannen aan de Voorweg en de Lindelaan onvoldoende in het onderzoek zijn betrokken, overweegt de Afdeling als volgt. Over het bouwplan aan de Voorweg stelt de raad terecht dat uit de toelichting bij dat plan volgt dat slechts sprake is van een geringe toename aan verkeer, dat meerdere kanten uit kan, waardoor dat plan niet leidt tot aantoonbaar meer verkeer in de directe leefomgeving van [appellant] en anderen. Gelet daarop heeft de raad terecht aangenomen dat er geen gevolgen waren van dat bouwplan die in het verkeersonderzoek hadden moeten worden betrokken. Voor het bouwplan aan de Lindelaan was op het moment van vaststellen van voorliggend bestemmingsplan nog geen sprake van een concreet plan met planologische toestemming. Alleen al daarom had dat bouwplan niet betrokken kunnen worden in het verkeersonderzoek voorafgaand aan voorliggend bestemmingsplan. Anders dan [appellant] en anderen betogen schrijft de richtlijn van het CROW geen minimale breedte van 5,8 m voor. De Burgemeester Warnaarkade is een erftoegangsweg. In de richtlijn staat daarvoor een minimale breedte van 4,8 m aangegeven. Niet in geschil is dat de Burgemeester Warnaarkade een wegbreedte van 5 m heeft. Er is daarom geen strijd met de richtlijn van het CROW. Voor zover [appellant] en anderen vrezen dat auto's in strijd met de te nemen verkeersbesluiten tegen de richting in zullen rijden, betreft dat een kwestie van handhaving van verkeersregels die niet in deze procedure aan de orde kan komen. Overigens heeft de raad op de zitting desgevraagd toegelicht dat toezicht kan worden gehouden op het eenrichtingsverkeer, door het plaatsen van camera's die gedurende lange tijd de hele dag de wegen kunnen monitoren. Bovendien heeft de raad op de zitting toegelicht dat een wethouder tijdens een raadsvergadering heeft toegezegd dat na realisering van het plan, extra zal worden gehandhaafd op het overtreden van het eenrichtingsverkeer. Hoewel de zorgen van [appellant] en anderen begrijpelijk zijn en het plan enige toename van verkeer zal veroorzaken, is er gelet op het voorgaande, geen aanleiding voor het oordeel dat het verkeerscirculatieplan gebreken bevat die maken dat de raad het niet aan het plan ten grondslag had mogen leggen. Verder volgt uit het verkeerscirculatieplan naar het oordeel van de Afdeling dat de raad voldoende onderzoek heeft gedaan naar de verkeersveiligheid en zich gelet op dat plan op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk is om in fase 2 een situatie te creëren die wat betreft verkeer ruimtelijk aanvaardbaar is. Het betoog in zoverre slaagt niet. 14.4. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de veiligheid van voetgangers onvoldoende is gewaarborgd doordat er geen trottoir is voorzien langs de Heerenlaan, overweegt de Afdeling als volgt. Uit het verkeerscirculatieplan volgt dat de Heerenlaan als onderdeel van variant E zal worden heringericht, waarbij een trottoir zal worden toegevoegd om het verkeer op een veilige manier af te wikkelen. De raad heeft in het verweer eveneens toegelicht dat een trottoir zal worden aangelegd. Daaruit leidt de Afdeling af dat de raad de aanleg van een trottoir op de Heerenlaan noodzakelijk acht uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening. Gelet daarop had de raad de aanleg en de instandhouding daarvan in de planregels moeten borgen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 27.4). Dat heeft de raad ten onrechte niet gedaan. Het betoog slaagt in zoverre. Onvoldoende waarborgen rotonde en ontsluitingsweg 15. [appella Op grond van het voorheen geldende planologische regime, te weten de beheersverordening "Hazerswoude-Dorp 2017", had het grootste deel van de gronden van het plangebied de bestemming "Sport", waarbij die bestemming geen groenvoorzieningen toeliet. Dat betekent dat er met dit bestemmingsplan geen groenbestemming verdwijnt. De Afdeling overweegt dat het bestemmingsplan met de bestemming "Groen" wel de mogelijkheid biedt voor groenvoorzieningen, om zo de bomen die verdwijnen te compenseren op de gronden die de bestemming "Groen" hebben. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat er geen aanleiding voor het oordeel dat het plan leidt tot een onaanvaardbare afname aan groen dat niet wordt gecompenseerd, en dat dat reden had moeten zijn om het plan niet vast te stellen. Over de beperkte watercompensatie overweegt de Afdeling dat in paragraaf 5.4 van de plantoelichting staat dat aan het vereiste om 15% van de toename aan verhard oppervlak aan watercompensatie te realiseren, wordt voldaan. Voor de voorgenomen woningen wordt volgens de toelichting 1.008 m2 aan watercompensatie gerealiseerd, daar waar 966 m2 is vereist. Voor de ontsluiting moet 109,2 m2 watercompensatie worden gerealiseerd. Dat zal worden gedaan door de aangrenzende watergangen te verbreden en verleggen. Verder heeft de raad in een nadere reactie van 30 oktober 2025 toegelicht dat de realisatie van water, ten behoeve van de compensatie, mogelijk is in de bestemming "Water" en de bestemming "Groen". De gronden met die bestemming bedragen samen 1.651 m2 en dus ruim voldoende om aan de 15%-eis te voldoen. Dat hebben [appellant] en anderen niet betwist. Gelet op het voorgaande heeft de raad aan het belang van woningbouw meer gewicht mogen toekennen dan aan de door [appellant] en anderen gestelde negatieve gevolgen van het plan voor het groen. Het betoog slaagt niet. Geluid 17. Voor zover [appellant] en anderen betogen dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot een onaanvaardbare aantasting van het woongenot, vanwege de toename van geluidsoverlast, hebben zij dat betoog niet onderbouwd. Om die reden slaagt het betoog niet. Vertrouwensbeginsel 18. [appellant] en anderen betogen dat de raad het bestemmingsplan in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft vastgesteld, omdat in gemeentelijke bijeenkomsten is toegezegd dat woningbouw op de locatie van het plangebied financieel en planologisch onhaalbaar zou zijn. Vervolgens is daar volgens [appellant] en anderen zonder toelichting op teruggekomen. Daarnaast brengen [appellant] en anderen naar voren dat is toegezegd dat woningbouw niet zou plaatsvinden, voordat er een goede ontsluitingsweg zou zijn. Op deze toezegging is de raad volgens [appellant] en anderen eveneens zonder toelichting teruggekomen. 18.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. 18.2. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt dat uitlatingen zijn gedaan door of namens de raad over de haalbaarheid van het plan waaruit zij hebben kunnen afleiden dat het plan niet zou worden vastgesteld. Bovendien kan uit dergelijke opmerkingen niet worden afgeleid dat woningbouw op de locatie van het plangebied, nooit financieel of planologisch haalbaar zou zijn. Ook de vermeende toezegging over een noodzakelijke ontsluitingsweg hebben [appellant] en anderen niet aannemelijk gemaakt. Het betoog slaagt niet. (Ongeoorloofde) staatssteun 19. [appellant] en anderen betogen dat zij twijfels hebben over mogelijke staatssteun. Daartoe verwijzen zij naar de zienswijzennota, waarin de raad toelicht dat de grond van het plangebied is getaxeerd op € 700.000. Volgens [appellant] en anderen zou die grond veel meer waard zijn. 19.1. Artikel 8:69a van de