Rechtspraak Raad van State 2026-02-04
ECLI:NL:RVS:2026:624
202405350/1/R1. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: Motorhuis B.V., gevestigd in Leiden, appellante, en 1. de raad van de gemeente Heemskerk, 2. het college van burgemeester en wethouders van Heemskerk, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 30 mei 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Aldi" vastgesteld. Bij besluit van 14 juni 2024 heeft het college een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk en het maken van een uitweg aan de Rijksstraatweg 30. Deze besluiten zijn op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) gecoördineerd voorbereid en bekendgemaakt. Tegen dit besluit heeft Motorhuis B.V. beroep ingesteld. De raad en het college hebben een verweerschrift ingediend. Motorhuis B.V. heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 17 september 2025, waar Motorhuis B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde A], bijgestaan door mr. T. van Halsema, advocaat in Rotterdam, en de raad en het college, vertegenwoordigd door mr. R. Janssen en mr. D.R. Pinxter, beiden advocaat in Amsterdam, en M.S. de Jonge, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Aldi Vastgoed B.V., vertegenwoordigd door [gemachtigde B], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 27 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. 2. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 15 november 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 3. Het plan maakt op het perceel Rijksstraatweg 30 in Heemskerk een supermarkt mogelijk ten behoeve van de verplaatsing van de Aldi aan de Gerrit van Assendelftstraat 32 in Heemskerk naar dit perceel. Op de gronden aan de Rijksstraatweg 30 is momenteel Motorhuis B.V. gevestigd. Het voornemen van de grondeigenaar is om de bebouwing te slopen en hier een moderne Aldi supermarkt te realiseren. Op de locatie Gerrit van Assendelftstraat 32 maakt het plan verder maximaal 32 woningen mogelijk. 4. Motorhuis B.V. is huurder van de bedrijfsruimte gelegen aan de Rijksstraatweg 30. Zij exploiteert daar een showroom en werkplaats voor personenauto’s. Motorhuis B.V. kan zich niet verenigen met het plan voor zover dit voorziet in een supermarkt en vreest ervoor dat zij haar bedrijfsactiviteiten als gevolg daarvan niet meer kan voortzetten. Ingetrokken beroepsgronden 5. Motorhuis B.V. heeft haar beroepsgronden dat zij gelet op de planregeling ten onrechte is wegbestemd, dat in de onderzoeken en de onderbouwing die ten grondslag liggen aan het plan ten onrechte geen rekening is gehouden met de andere functies die binnen de bestemming "Gemengd" mogelijk zijn gemaakt, dat het plan ten onrechte aan de Omgevingsverordening NH2020 is getoetst, dat in de omgevingsvergunning ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking t positief is bestemd, wat niet meer tussen partijen in geschil is zoals op de zitting bleek, maakt dit evenmin anders. De Afdeling is dan ook van oordeel dat Motorhuis B.V. procesbelang heeft bij een beoordeling van haar beroep. Toetsingskader 7. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Omgevingsverordening 8. Motorhuis B.V. betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsverordening NH2022. Hiertoe voert zij aan dat de raad de artikelen 6.21, eerste lid, en 6.22 van de Omgevingsverordening NH2022 ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. Motorhuis B.V. wijst erop dat de locatie niet ligt in een bestaand winkelgebied als bedoeld in de Omgevingsverordening NH2022. Volgens haar kan perifere detailhandel niet worden gezien als een vorm van detailhandel die wordt gerealiseerd in een winkelgebied en betreft het juist een vorm van detailhandel die moeilijk inpasbaar is in bestaande winkelgebieden vanwege de volumineuze aard en bevoorrading. Verder voert Motorhuis B.V. aan dat in het geval wel sprake is van een bestaand winkelgebied, het plan in strijd is met de voorwaarden van artikel 6.21, tweede lid, van de Omgevingsverordening NH2022 omdat sprake is van uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m². In dat verband wijst Motorhuis B.V. erop dat reguliere detailhandel als bedoeld in dat artikel ter plaatse niet al was toegestaan. Daarnaast is de locatie volgens Motorhuis B.V. juist aan te merken als een bedrijventerrein, aangezien dit ligt op het bedrijventerrein De Waterwegen. Bovendien strookt het standpunt van de raad dat sprake is van een bestaand winkelgebied en geen bedrijventerrein ook niet met het eerder ingenomen standpunt van het college van burgemeester en wethouders in de raadsmemo van 28 mei 2021, waarin uitdrukkelijk is aangegeven dat de locatie ligt op een bedrijventerrein waar reguliere detailhandel - dat volgens het college enkel inpasbaar is in bestaande winkelgebieden - ongewenst is. Dat de raad het gebied aanmerkt als een "gemengd gebied" maakt het voorgaande ook niet anders. De Omgevingsverordening NH2022 gaat immers niet uit van het mogelijk maken van detailhandel binnen een "gemengd gebied". Nu de locatie niet ligt in een bestaand winkelgebied en wel op een bedrijventerrein, had de raad tot de conclusie moeten komen dat het plan in strijd is met de artikelen 6.21 en 6.22 van de Omgevingsverordening NH2022. 8.1. De Omgevingsverordening NH2022 geldt vanaf 1 januari 2024. Zoals de Afdeling onder 1 heeft overwogen, blijft op deze procedure het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Dit betekent dat niet de Omgevingsverordening NH2022, maar de Omgevingsverordening NH2020 van toepassing is op het plan. Nu de artikelen waar in deze zaak een beroep op wordt gedaan ongewijzigd zijn gebleven, zal de Afdeling deze beroepsgrond beoordelen aan de hand van de gelijkluidende artikelen 6.13a en 6.13b van de Omgevingsverordening NH2020 (hierna: Omgevingsverordening). 8.2. Over het betoog van Motorhuis B.V. met betrekking tot artikel 6.13a, eerste lid, van de Omgevingsverordening overweegt de Afdeling als volgt. 8.3. Artikel 6.13a, eerste lid, van de Omgevingsverordening luidt: "1. Een ruimtelijk plan maakt geen nieuwe detailhandelsbedrijven buiten bestaande winkelgebieden mogelijk, tenzij: a. wordt gemotiveerd dat dit niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand van bestaande winkelgebieden; en b Dit wordt eveneens bevestigd in de definitieomschrijving van "winkelgebied" in de Omgevingsverordening. Onder het vorige plan bestaat het plangebied volledig uit een bouwvlak voor onder andere perifere detailhandel met een bebouwingspercentage van 75%. Dat komt overeen met een oppervlakte die in elk geval niet groter is dan de huidige vestiging ter grootte van 2.354 m², die immers binnen dat bouwvlak staat. Nu het plan op grond van artikel 3.3.1 van de planregels een supermarkt van 1.868 m² bruto vloeroppervlak mogelijk maakt, en het WVO kleiner is dan dat, maakt het bestemmingsplan in het plangebied in elk geval geen uitbreiding van detailhandel van meer dan 1.500 m² WVO mogelijk. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met artikel 6.13a, tweede lid, van de Omgevingsverordening. Het betoog faalt. 8.8. Wat betreft het betoog over artikel 6.13b, eerste lid, van de Omgevingsverordening, overweegt de Afdeling als volgt. 8.9. Artikel 6.13b van de Omgevingsverordening luidt: "1. Een ruimtelijk plan kan alleen nieuwe detailhandel mogelijk maken op bedrijventerreinen of kantoorlocaties, indien sprake is van detailhandel in de vorm van: a. een afhaalpunt ten behoeve van internethandel; b. detailhandel die zowel bedrijfseconomisch als ruimtelijk ondergeschikt is aan de toegelaten bedrijfsuitoefening en daarop nauw aansluit; c. brand- of explosiegevaarlijke detailhandel; of d. volumineuze detailhandel indien deze in winkelgebieden uit een oogpunt van hinder, veiligheid of verkeersaantrekkende werking niet inpasbaar is. 2. Als het totaal winkelvloeroppervlak van de nieuwe volumineuze detailhandel meer dan 1.500 m2 bedraagt, geldt aanvullend dat: a. dit aantoonbaar niet leidt tot ruimtelijk relevante leegstand in bestaande winkelgebieden; en b. de regionale adviescommissie detailhandel hierover advies heeft uitgebracht." Volgens bijlage 1, onder 9, behorende bij de Omgevingsverordening wordt onder "bedrijventerrein" verstaan: "een terrein van minimaal 1 ha bruto grondoppervlak dat vanwege zijn bestemming bestemd en geschikt is voor gebruik door handel, nijverheid, commerciële en niet-commerciële dienstverlening en industrie. Onder de beschrijving vallen daarmee ook (delen van) bedrijventerreinen die gedeeltelijk, maar niet overwegend, bestemd en geschikt zijn voor kantoorgebouwen. Ook vallen daaronder de zeehaventerreinen welke met laad en/of loskade langs diep vaarwater toegankelijk zijn voor grote zeeschepen. De volgende terreinen vallen hier niet onder: terrein voor grondstoffenwinning, olie- en gaswinning, terrein voor waterwinning, terrein voor agrarische doeleinden, terrein voor afvalstort." 8.10. Zoals hiervoor overwogen, hebben de gronden binnen het plangebied en in de omgeving van het terrein de bestemming "Gemengd". De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijven, voor zover deze bedrijven voorkomen in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Staat van Bedrijfsactiviteiten, kantoren, perifere detailhandel en op bepaalde plaatsen binnen deze bestemming een verkooppunt voor motorbrandstoffen zonder lpg en detailhandel in weggebonden artikelen en grootschalige detailhandel. Nu deze bestemming niet in algemene zin de activiteiten zoals genoemd in de begripsomschrijving van bedrijventerrein als bedoeld in bijlage 1, onder 9, behorende bij de Omgevingsverordening toelaat, die maken dat een terrein als bedrijventerrein in de zin van de Omgevingsverordening moet worden gekwalificeerd, stelt de Afdeling vast dat in dit geval geen sprake is van een dergelijk bedrijventerrein. Daarbij betrekt de Afdeling dat uit de artikelsgewijze toelichting op de begripsbepalingen in de Omgevingsverordening moet worden afgeleid dat een locatie niet zowel een winkelgebied als een bedrijventerrein in de zin van de Omgevingsverordening kan zijn, omdat de benoemde kenmerken van deze gebieden elkaar uitsluiten. Uit de toelichting op de begripsbepal Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen rekening is gehouden met de Detailhandelsvisie. Het betoog slaagt niet. Omgevingsvisie Heemskerk 2040 10. Motorhuis B.V. betoogt dat het plan in strijd is met de Omgevingsvisie Heemskerk 2040 (hierna: Omgevingsvisie). Hiertoe voert zij aan dat in de Omgevingsvisie is opgenomen dat de gemeente op een bedrijventerrein vooral kansen ziet voor logistieke en industriële ruimte en zakelijke dienstverlening. Het is de bedoeling dat op bedrijventerreinen bedrijven zijn gevestigd die daadwerkelijk op een bedrijventerrein horen, zoals autobedrijven. Overige bedrijvigheid die mengbaar is met woonfuncties, dienen dat ook in het woongebied of het centrum te worden gevestigd. Dit is ook bevestigd door het college in de raadsmemo van 28 mei 2021. Een supermarkt is juist een bedrijf dat zich bij uitstek leent om te mengen met een woonfunctie. Het ter plaatse voorzien in een supermarkt strookt niet met de Omgevingsvisie, aldus Motorhuis B.V. 10.1. In de Omgevingsvisie staat dat de gemeente op de bedrijventerreinen vooral kansen ziet voor logistieke en industriële ruimte en zakelijke dienstverlening. Op termijn zijn er op de bedrijventerreinen bedrijven gevestigd die echt op een bedrijventerrein horen. Daarbij is een zekere menging met maatschappelijke voorzieningen en ondergeschikte detailhandel mogelijk. Overige bedrijvigheid die mengbaar is met woonfuncties, kan gedeeltelijk in het woongebied of centrum worden gehuisvest, zo staat in de Omgevingsvisie. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het vorenstaande evenwel niet dat een supermarkt op deze locatie niet mogelijk is. Voor het oordeel dat in dit geval sprake is van strijd met de Omgevingsvisie ziet de Afdeling geen aanleiding. Verwijzing van Motorhuis B.V. naar de raadsmemo leidt niet tot een ander oordeel. De Afdeling verwijst naar wat zij daarover heeft overwogen onder 8.4 van deze uitspraak. Het betoog slaagt niet. Belangenafweging 11. Motorhuis B.V. betoogt dat de raad ten onrechte geen rekening heeft gehouden met alle betrokken belangen bij de vaststelling van het plan. Hiertoe voert zij aan dat met het plan een supermarkt kan worden gerealiseerd, wat tot gevolg heeft dat de exploitatie van Motorhuis B.V. ter plaatse moet worden beëindigd, waardoor zij feitelijk is wegbestemd. Het feit dat door het beëindigen van de exploitatie van Motorhuis B.V. medewerkers en daarmee ook inwoners hun baan verliezen, inwoners zullen moeten uitwijken naar een ander autobedrijf, en de attractiviteit van het bedrijventerrein achteruitgaat, wordt ten onrechte niet meegenomen in de belangenafweging. Evenmin is meegewogen dat Motorhuis B.V. zich niet zonder meer op een alternatieve locatie kan vestigen. Integendeel, er is enkel aangegeven dat het aan Motorhuis B.V. zelf is om een alternatieve locatie te vinden, wat haar zwaar valt, aldus Motorhuis B.V. 11.1. Motorhuis B.V. komt op voor haar bedrijfsbelangen. Meer specifiek is haar belang gelegen in het ongestoord voortzetten van haar bedrijfsactiviteiten. De Afdeling heeft er begrip voor dat het Motorhuis B.V. zwaar valt dat zij mogelijk een alternatieve locatie moet vinden als de planologisch voorziene ontwikkeling van een supermarkt ter plaatse doorgang vindt. Een eventuele beëindiging van de bedrijfsactiviteiten van Motorhuis B.V. op het perceel zal echter worden ingegeven door de beëindiging van de huurovereenkomst van Motorhuis B.V. met de eigenaar van het perceel, en is daarmee geen direct gevolg van het bestemmingsplan waarin de bedrijfsactiviteiten van Motorhuis B.V. bovendien als zodanig zijn bestemd. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de belangen van Motorhuis B.V. onvoldoende bij de besluitvorming zijn betrokken. Het betoog faalt in zoverre. 11.2. Voor zover Motorhuis B.V. aanvoert dat geen rekening is gehouden met belangen van anderen, overweegt de Afdeling da