Rechtspraak Raad van State 2026-02-04
ECLI:NL:RVS:2026:605
202400523/1/A3. Datum uitspraak: 4 februari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: PK Waterbouw B.V., gevestigd in Amsterdam, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 december 2023 in zaak nr. 22/2374 in het geding tussen: PK Waterbouw en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Procesverloop Bij besluit van 28 januari 2022 heeft het college aan PK Waterbouw een ligplaatsvergunning verleend voor drie jaar voor het bedrijfsvaartuig [naam]. Bij besluit van 30 maart 2022 heeft het college het door PK Waterbouw daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank het door PK Waterbouw daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft PK Waterbouw hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 november 2025, waar PK Waterbouw, vertegenwoordigd door mr. J. Monster, rechtsbijstandsverlener in Leiden, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.G. Blees, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. PK Waterbouw heeft het bedrijfsvaartuig [naam vaartuig], dat sinds 1990 een ligplaatsvergunning had voor onbepaalde tijd, gekocht en op 16 december 2021 een aanvraag ingediend voor een ligplaatsvergunning ter hoogte van [locatie] te Amsterdam. Het college heeft bij het besluit van 28 januari 2022 een ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd verleend voor de duur van drie jaar. Volgens het college is de vergunning een schaars recht en kan daarom geen vergunning voor onbepaalde tijd worden verleend. Het college heeft de vergunningverlening voor bepaalde tijd bij het besluit op bezwaar van 30 maart 2022 gehandhaafd. 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet in strijd heeft gehandeld met het rechtszekerheidsbeginsel door een vergunning voor bepaalde tijd te verlenen. Het besluit is gebaseerd op beleid, namelijk de Uitvoeringsnota van het bedrijfsvoertuigenbeleid in de binnenstad, en dat beleid is volgens de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3081. Verder heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat de ligplaatsvergunning voor een stilliggend bedrijfsvaartuig een schaarse vergunning is, omdat voor ligplaatsvergunningen een plafond bestaat. De rechtbank vindt steun in de uitspraak van de Afdeling van 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2892. De duur van drie jaar is volgens de rechtbank niet onredelijk. De rechtbank heeft ten slotte nog geoordeeld dat de regelgeving over omgevingsvergunningen niet in de weg staat aan de verdeling van schaarse ligplaatsvergunningen. Hoger beroep 3. PK Waterbouw betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de ligplaatsvergunning voor bepaalde tijd in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens PK Waterbouw is er alleen beleid over ligplaatsvergunningen voor rondvaartboten en niet voor stilliggende bedrijfsvaartuigen. Ook de vergunningenstop uit het besluit Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en havenatlasgebied van 20 december 1996 (hierna: Instellingsbesluit) staat niet in de weg aan vergunningverlening voor onbepaalde tijd. Er wordt volgens PK Waterbouw ten onrechte aansluiting gezocht bij de problematiek van de rondvaartboten. 3.1. PK Waterbouw betoogt verder dat de rechtbank niet voldoende heeft gemotiveerd dat een termijn van drie jaar voor de vergunning niet onredelijk is. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat het college nieuw beleid aan het maken is, maar dat nieuwe beleid is er nog niet. Met de termijn van drie jaar heeft PK Waterbouw geen ontwikkelingsperspectief. 3.2. PK Waterbouw betoogt ten slotte dat de schaarste van de ligplaatsvergunning onvoldoende is onderbouwd. Er is een omgevingsvergunning nodig om een ligplaatsvergunning te kunnen aanvragen. De vergunning is volgens PK Waterbouw dan ook alleen schaars als er meer aanvragers zijn dan ligp