Rechtspraak Raad van State 2026-08-26
ECLI:NL:RVS:2026:5023
Bij besluit van 2 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam de aanvraag van [appellant] voor een gemeentelijk briefadres toegewezen per 25 juni 2024. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij het niet eens is met de datum waarop het college het briefadres heeft toegewezen. Volgens [appellant] had het briefadres per 6 juni 2024 moeten worden toegewezen, omdat hij op die datum een afspraak had bij de gemeente voor een eerste inschrijving. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag voor een gemeentelijk briefadres terecht heeft toegewezen per 25 juni 2024. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college op basis van wat [appellant] in de aanvraag heeft opgeschreven ervan uit mocht gaan dat [appellant] een gemeentelijk briefadres wilde aanvragen per 25 juni 2024. 202504905/1/A3. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Rotterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 25 juli 2025 in zaak nr. 25/258 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een gemeentelijk briefadres toegewezen per 25 juni 2024. Bij besluit van 4 december 2024 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 25 juli 2025 (ECLI:NL:RBROT:2025:8798) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 5 augustus 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr.dr.ir. G.A.S. Maduro BaMa Msc MBA, advocaat in Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. D.J.J. Straver, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Bij besluit van 2 september 2024 heeft het college de aanvraag van [appellant] voor een gemeentelijk briefadres toegewezen per 25 juni 2024. [appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij het niet eens is met de datum waarop het college het briefadres heeft toegewezen. Volgens [appellant] had het briefadres per 6 juni 2024 moeten worden toegewezen, omdat hij op die datum een afspraak had bij de gemeente voor een eerste inschrijving. Uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de aanvraag voor een gemeentelijk briefadres terecht heeft toegewezen per 25 juni 2024. De rechtbank heeft hiertoe overwogen dat het college op basis van wat [appellant] in de aanvraag heeft opgeschreven ervan uit mocht gaan dat [appellant] een gemeentelijk briefadres wilde aanvragen per 25 juni 2024. [appellant] heeft op 25 juni 2024 een aanvraagformulier voor een briefadres ingediend en op dit formulier staat bij ‘datum ingang briefadres’ 25 juni 2024 vermeld. Uit het aanvraagformulier blijkt niet dat [appellant] het briefadres per 6 juni 2024 wilde. Daarnaast heeft de rechtbank overwogen dat niet is gebleken of de afspraak van 6 juni 2024 doorgang heeft gevonden en, zo ja, wat er tijdens deze afspraak is besproken. Wettelijk kader 3. Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak. Hoger beroep 4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college de aanvraag voor een gemeentelijk briefadres terecht heeft toegewezen per 25 juni 2024. Hij voert hiertoe aan dat hij een afspraak bij de gemeente had op 6 juni 2024 en dat toen aan de orde is gekomen dat hij zich direct wilde inschrijven. Dat deze datum per abuis niet op het aanvraagformulier is ingevuld doet hier niet aan af, aldus [appellant]. [appellant] voert daarnaast aan dat zijn belang om vanaf 6 juni 2024 ingeschreven te staan groter is dan het belang van het college om [appellant] in te schrijven per 25 juni 2024, omdat hij dan eerder bijstand had kunnen aanvragen en een ziektekostenverzekering had kunnen afsluiten voor de vergoeding van zijn medische kosten. Beoordeling hoger beroep 5. De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 12 tot en met 14 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. Hieraan wordt nog het volgende toegevoegd. 6. [appellant] heeft ook in hoger beroep niet concreet toegelicht waaruit blijkt dat hij al op 6 juni 2024 een aanvraag voor een gemeentelijk briefadres heeft gedaan noch hier een nadere onderbouwing voor gegeven. Tegen die achtergrond is het college er terecht van uitgegaan dat [appellant] een gemeentelijk briefadres wilde per 25 juni 2024, omdat hij deze datum op het aanvraagformulier bij ‘datum ingang briefadres’ had ingevuld. 7. Het besluit om al dan niet op grond van artikel 2.23 van de Wet basisregistratie personen (Wet brp) een briefadres op te nemen, betreft een besluit waarbij het college uitsluitend een beoordeling geeft over de feiten en waar geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Zie de uitspraken van de Afdeling van 19 januari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:152, onder 3.4 en van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:24, onder 6.2. Het argument van [appellant] dat zijn belang zwaarder weegt dan het belang van het college kan hem dan ook niet baten. 8. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 9. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Aldus vastgesteld door mr. C.C.W. Lange, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier. w.g. Lange lid van de enkelvoudige kamer De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 735-1202 BIJLAGE Wet basisregistratie personen Artikel 2.4 1 Op grond van zijn aangifte van verblijf en adres wordt degene die rechtmatig verblijf geniet, niet in de basisregistratie is ingeschreven en naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, ingeschreven in de basisregistratie door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn adres heeft. 2 Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college ambtshalve zorg voor de inschrijving. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de betrokkene alsnog op grond van zijn aangifte in te schrijven, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt. 3 Inschrijving geschiedt niet dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. Artikel 2.5 1 Inschrijving op grond van artikel 2.4 van een persoon die komt vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of een van de openbare lichamen, vindt niet plaats, dan nadat hij een hem betreffend verhuisbericht, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, heeft overgelegd. 2 In het geval dat anderszins blijkt dat het vertrek van de betrokken persoon is verwerkt in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven, of blijkt dat betrokkene daarin niet als ingezetene was ingeschreven, kan het college van burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid. Artikel 2.19 1 Aan de aangifte van verblijf en adres van degene die rechtmatig verblijf geniet, naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden en die zijn adres heeft in de betrokken gemeente, worden gegevens betreffende het verblijf in Nederland, het adres en het vorige verblijf buiten Nederland ontleend. 2 Indien aannemelijk is dat een gegeven betreffende het vorige verblijf buiten Nederland onjuist is, wordt dit gegeven niet opgenomen. 3 Indien een persoon als bedoeld in het eerste lid in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het verblijf, het adres en het vorige verblijf buiten Nederland. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt. 4 Als datum van aanvang van het verblijf in Nederland en van vestiging van het adres in de gemeente wordt de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens over het verblijf en adres aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan. 5 De gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. 6 Indien de betrokkene komt vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten, of een van de openbare lichamen, is artikel 2.5 van overeenkomstige toepassing. Artikel 2.20 1 Aan de aangifte van een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, worden gegevens betreffende het adres ontleend, tenzij aannemelijk is dat de gegevens onjuist zijn. 2 Indien een ingezetene die zijn adres heeft gewijzigd, in gebreke is met het doen van aangifte, draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar betrokkene zijn adres heeft, ambtshalve zorg voor opneming van gegevens betreffende het adres. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de gegevens alsnog aan de aangifte van de betrokkene te ontlenen, indien de aangifte na afloop van de aangiftetermijn geschiedt. 3 Als datum van adreswijziging wordt opgenomen: a. de in de aangifte vermelde datum van adreswijziging, als tijdig aangifte is gedaan; b. de dag waarop de aangifte is ontvangen, in de overige gevallen waarin de gegevens aan de aangifte van de betrokkene worden ontleend; c. de dag waarop van het voornemen tot opneming aan betrokkene schriftelijk mededeling is gedaan, bij ambtshalve opneming van de gegevens. 4 De gewijzigde gegevens worden niet opgenomen dan nadat de identiteit van de betrokkene deugdelijk is vastgesteld. Artikel 2.23 1 Indien het woonadres ontbreekt dan wel artikel 2.40 of artikel 2.41 van toepassing is, wordt op aangifte een briefadres opgenomen. 2 Het college van burgemeester en wethouders neemt ambtshalve een briefadres op indien het woonadres ontbreekt en geen aangifte wordt gedaan van een briefadres. 3 Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, wordt als briefadres opgenomen met instemming van een briefadresgever als bedoeld in artikel 2.42 diens adres of, indien geen instemming van een briefadresgever wordt verkregen, een adres van de gemeente. Artikel 2.38 1 Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, meldt zich uiterlijk op de vijfde dag na de aanvang van zijn verblijf in persoon bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen. Indien hij geen woonadres heeft, kiest hij een briefadres en meldt hij zich binnen de gestelde termijn bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen. 2 Hij doet in de aangifte mededeling van de gegevens over zijn toekomstig verblijf in Nederland, over zijn adres in de gemeente en over het vorige verblijf buiten Nederland. 3 Hij geeft bij de aangifte de inlichtingen en legt de geschriften over ter zake van feiten betreffende zijn burgerlijke staat, zijn nationaliteit en zijn eerder verblijf in Nederland, die noodzakelijk zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisregistratie. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders legt hij van een geschrift een door een beëdigde vertaler vervaardigde Nederlandse vertaling over. Indien hij zich in Nederland vestigt, komende vanuit Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, legt hij een hem betreffend verhuisbericht over, verstrekt door de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de basisadministratie in Aruba, Curaçao, Sint Maarten of een van de openbare lichamen, waar hij laatstelijk als ingezetene was ingeschreven. 4 Degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar ten minste twee derde van de tijd in Nederland verblijf zal houden, doet aangifte van verblijf en adres overeenkomstig het eerste tot en met het derde lid, op het moment dat hij ophoudt te behoren tot een categorie als bedoeld in artikel 2.6. 5 In een geval als bedoeld in het vierde lid vangt de in het eerste lid bedoelde termijn van vijf dagen aan met ingang van de dag na die waarop een in dat lid bedoelde situatie is ingetreden. 6 Aangifte van verblijf en adres blijft achterwege indien: a. het verblijf aanvangt door geboorte en inschrijving plaatsvindt op grond van de geboorteakte, b. de betrokkene behoort tot een categorie van personen als bedoeld in artikel 2.6, of c. de betrokkene een vreemdeling is die geen rechtmatig verblijf geniet.