Rechtspraak Raad van State 2026-08-26
ECLI:NL:RVS:2026:5020
Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland het verzoek van [partij] om handhavend op te treden tegen twee dakramen in de woning van [appellant] op het perceel [locatie] in ’s-Gravenzande, afgewezen. [partij] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen twee dakramen in het dak van de woning aan de [locatie] in ’s-Gravenzande. Volgens [partij] zijn deze dakramen in strijd met de in het Bouwbesluit 2012 (bouwbesluit) opgenomen eisen over de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. [appellant] is eigenaar van de woning. Op 9 oktober 2018 heeft een toezichthouder van de gemeente Westland een controle uitgevoerd op het perceel. De rechtbank heeft overwogen dat in dit geval niet artikel 2.84, eerste lid, van het Bouwbesluit, maar artikel 2.85 van het Bouwbesluit van toepassing is, omdat met het plaatsen van het dakraam sprake is van het gedeeltelijk veranderen van een bestaand bouwwerk. 202402626/1/R3. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in 's-Gravenzande, gemeente Westland, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 8 maart 2024 in zaak nr. 21/8377 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Westland. Procesverloop Bij besluit van 2 april 2019 heeft het college het verzoek van [partij] om handhavend op te treden tegen twee dakramen in de woning van [appellant] op het perceel [locatie] in ’s-Gravenzande, afgewezen. Bij besluiten van 6 december 2021 heeft het college het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 2 april 2019 herroepen en [appellant] onder oplegging van een dwangsom gelast de strijdigheid met het Bouwbesluit te beëindigen door het resterende dakraam aan te passen, dan wel te verwijderen. Bij uitspraak van 8 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden besluiten vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. [appellant] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld. Het college en [partij] hebben een zienswijze over het incidenteel hoger beroep naar voren gebracht. Bij besluit van 3 juni 2024 heeft het college het bezwaar van [partij] met verbetering van de motivering opnieuw gegrond verklaard en [appellant] opnieuw onder oplegging van een dwangsom gelast de strijdigheid met het Bouwbesluit te beëindigen door het resterende dakraam aan te passen, dan wel te verwijderen. [partij] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit. Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot en met twaalf weken na de uitspraak van de Afdeling. [partij] heeft gronden aangevoerd tegen dit besluit. Bij besluit van 14 november 2024 heeft het college het door [partij] tegen het besluit van 30 juli 2024 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het college, [partij] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], [partij], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.C. Meijer en A. Droog, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Bij besluit van 6 december 2021 heeft het college aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval het Bouwbesluit, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. [partij] heeft het college verzocht om handhavend op te treden tegen twee dakramen in het dak van de woning aan de [locatie] in ’s-Gravenzande. Volgens [partij] zijn deze dakramen in strijd met de in het Bouwbesluit 2012 (bouwbesluit) opgenomen eisen over de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag. [appellant] is eigenaar van de woning. Op 9 oktober 2018 heeft een toezichthouder van de gemeente Westland een controle uitgevoerd op het perceel. Tijdens de controle heeft de toezichthouder geconstateerd dat in die woning vergunningsvrij twee Velux-dakramen geplaatst zijn, die gelet op het type dakraam en de afstand van de dakramen tot de erfgrens volgens de toezichthouder niet voldoen aan de minimale eis van 60 minuten die in artikel 2.84 van het Bouwbesluit is opgenomen over de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo-eis). Weliswaar is een van de dakramen in 2020 verwijderd, maar ook het resterende dakraam voldoet volgens het college niet aan de wbdbo-eis uit het Bouwbesluit. Het college heeft daarom aan [appellant] een last onder dwangsom opgelegd, waarin wordt gelast om het dakraam zodanig aan te passen dan wel dicht te maken, dat wordt voldaan aan de wbdbo-eis uit artikel 2.84 van het Bouwbesluit. De uitspraak van de rechtbank 3. De rechtbank heeft overwogen dat in dit geval niet artikel 2.84, eerste lid, van het Bouwbesluit, maar artikel 2.85 van het Bouwbesluit van toepassing is, omdat met het plaatsen van het dakraam sprake is van het gedeeltelijk veranderen van een bestaand bouwwerk. Op grond van artikel 2.85 van het Bouwbesluit geldt niet een wbdbo-eis van ten minste 60 minuten, maar een wbdbo-eis van ten minste 30 minuten. Omdat het college de besluiten van 6 december 2021 ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 2.84, eerste lid, van het Bouwbesluit, moeten deze besluiten volgens de rechtbank vernietigd worden. De rechtbank heeft daarbij geen aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van de besluiten van 6 december 2021 in stand te laten, omdat dat zou betekenen dat de last, die luidt dat moet worden voldaan aan de in artikel 2.84 van het Bouwbesluit gestelde wbdbo-eis van ten minste 60 minuten, in stand zou blijven. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat niet in geschil is dat ook sprake is van een overtreding van de wbdbo-eis van ten minste 30 minuten die op grond van artikel 2.85 van het Bouwbesluit geldt. De rechtbank heeft bovendien overwogen dat een last onder dwangsom een geschikte en noodzakelijke maatregel is om de overtreding te beëindigen en dat de omstandigheid dat in de berekeningen waar het college zijn besluiten van 6 december 2021 op gebaseerd heeft, wordt uitgegaan van een fictieve situatie waarin tegenover het dakraam een identieke maar spiegelsymmetrische gevel aanwezig is, op zichzelf niet maakt dat handhavend optreden onevenredig is. Desondanks concludeert de rechtbank dat zij niet zelf in de zaak kan voorzien, omdat zij niet kan beoordelen of handhavend optreden evenredig is. Volgens de rechtbank kan zij namelijk niet beoordelen of handhavend optreden in deze zaak evenwichtig is, omdat niet duidelijk is met welke afstand het raam naar boven verplaatst moet worden om te voldoen aan de wbdbo-eis van ten minste 30 minuten uit artikel 2.85 van het Bouwbesluit. 3.1. Omdat zij het niet mogelijk achtte om de rechtsgevolgen van de besluiten van 6 december 2021 in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien, heeft de rechtbank het college opgedragen om met inachtneming van haar uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van [partij] te nemen. De rechtbank heeft het college daarbij opgedragen te (laten) berekenen met welke afstand het dakraam naar boven verplaatst moet worden en te beoordelen of het opleggen van een last onder dwangsom, mede gelet op die afstand, evenwichtig is. De intrekking van het hoger beroep van [partij] en de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van [appellant] 4. [partij] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. Op 18 juli 2024, de laatste dag van de in artikel 8:110, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedoelde termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep, heeft [partij] haar hoger beroep ingetrokken. Op diezelfde dag, maar pas nadat [partij] haar hoger beroep heeft ingetrokken, heeft [appellant] incidenteel hoger beroep ingesteld. 5. Het college en [partij] stellen zich op het standpunt dat het incidenteel hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Zij wijzen er daarbij op dat [appellant] ten tijde van het instellen van zijn incidenteel hoger beroep niet meer in een rechtens slechtere positie kon komen te verkeren als gevolg van het door [partij] ingestelde hoger beroep, omdat dat hoger beroep al was ingetrokken. Daarnaast stelt het college dat het incidenteel hoger beroep van [appellant] is komen te vervallen, omdat in het incidenteel hoger beroepschrift staat dat het een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is. 5.1. De Afdeling volgt het college en [partij] niet in hun standpunt dat het incidenteel hoger beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Omdat [partij] haar hoger beroep na aanvang van de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep heeft ingetrokken, heeft dit, gelet op artikel 8:111, tweede lid, van de Awb, geen gevolgen voor de ontvankelijkheid van het incidenteel hoger beroep van [appellant]. De Afdeling overweegt verder dat de aanleiding voor het instellen van incidenteel hoger beroep gelegen kan zijn in de enkele omstandigheid dat de principaal appellant in hoger beroep is gekomen en de incidenteel appellant om die reden evenmin wenst te berusten in voor hem onwelgevallige oordelen van de rechtbank. De omstandigheid dat [appellant] op het moment van het instellen van zijn incidenteel hoger beroep niet meer in een rechtens slechtere positie kon komen te verkeren, leidt daarom niet tot het oordeel dat zijn incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Daar komt bij dat [appellant] met het instellen van incidenteel hoger beroep beoogt te bewerkstelligen dat hij in een rechtens gunstiger positie komt te verkeren ten opzichte van de positie waarin hij na de uitspraak van de rechtbank verkeerde, omdat zijn incidenteel hoger beroep ertoe strekt dat het college van handhavend optreden had moeten afzien. Vergelijk de uitspraak van 24 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:209, onder 12.2. 5.2. De Afdeling volgt het college ten slotte niet in zijn standpunt dat het incidenteel hoger beroep van [appellant] is komen te vervallen. In het incidenteel hoger beroepschrift van [appellant] staat weliswaar dat het een voorwaardelijk incidenteel hoger beroep betreft, maar [appellant] heeft voor het verstrijken van de in artikel 8:110, tweede lid, van de Awb bedoelde termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep expliciet kenbaar gemaakt dat hij heeft bedoeld onvoorwaardelijk incidenteel hoger beroep in te stellen. Daarmee heeft hij dit naar het oordeel van de Afdeling tijdig kenbaar gemaakt, wat betekent dat zijn incidenteel hoger beroep als onvoorwaardelijk beschouwd moet worden. 5.3. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van [appellant] inhoudelijk bespreken. Bevoegdheid om handhavend op te treden 6. Tussen partijen is niet in geschil dat sprake is van een overtreding en dat het college bevoegd was om handhavend op te treden. Beginselplicht tot handhaving 7. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678, geldt bij handhavingsbesluiten bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhaving blijft dus voorop staan. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] Evenredigheid handhavend optreden 8. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat het college van handhavend optreden had moeten afzien, omdat sprake is van omstandigheden die handhavend optreden in dit geval onevenwichtig maken. [appellant] voert daarover aan dat het verwijderen van het dakraam voor hem grote gevolgen heeft, omdat hij daardoor in zijn badkamer geen daglicht en ventilatie meer zou hebben. Het belang dat is gemoeid met het verwijderen van het dakraam is daarentegen veel kleiner, omdat het risico op brandoverslag volgens hem slechts een fictief risico betreft, dat uitsluitend bestaat als de woning van [partij] zodanig wordt verbouwd dat deze volledig symmetrisch gespiegeld is aan de woning van [appellant]. In de bezwaar- en beroepsfase is volgens [appellant] voldoende vast komen te staan dat [partij] geen enkel voornemen heeft om haar woning op die manier te verbouwen. Bovendien staat het bestemmingsplan volgens hem niet eens toe dat haar woning op die manier wordt verbouwd. 8.1. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de rechtbank had moeten oordelen dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is, zodat het college daarvan had moeten afzien. De Afdeling baseert dat oordeel op het volgende. Op grond van artikel 2.84, achtste lid, van het Bouwbesluit moet bij het bepalen van de weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag van een brandcompartiment naar een ruimte van een op een aangrenzend perceel gelegen gebouw voor het op het andere perceel gelegen gebouw worden uitgegaan van een identiek maar spiegelsymmetrisch ten opzichte van de perceelsgrens gelegen gebouw. De Afdeling kan de rechtbank volgen in haar overweging dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Stb. 2011, 416, pagina 230 en 231) kan worden afgeleid dat de wetgever bewust voor deze rekenmethode heeft gekozen, om zo te waarborgen dat altijd een omgevingsvergunning kan worden aangevraagd, zonder dat noodzakelijk is dat bekend is wat op het aangrenzende perceel zal worden gebouwd. Tegen die achtergrond is de rechtbank onder 9.1 terecht tot het oordeel gekomen dat de omstandigheid dat niet in de feitelijk aan de orde zijnde bebouwingssituatie op de percelen van [partij] en [appellant], maar slechts in de hiervoor omschreven fictieve situatie sprake is van brandveiligheidsrisico’s, niet maakt dat handhavend optreden in dit geval onevenredig is. Dat [partij] volgens [appellant] geen enkel voornemen heeft om haar woning op een dergelijke wijze te verbouwen, of dat het bestemmingsplan een dergelijke verbouwing niet zou toestaan, leidt, daargelaten of dat het geval is, niet tot een ander oordeel. De Afdeling ziet daarnaast geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank niet heeft kunnen overwegen dat zij niet kon beoordelen of het opleggen van een last onder dwangsom in dit geval onevenredig is, zodat het college daarvan had moeten afzien. Zoals de rechtbank onder 9.2 terecht heeft overwogen, is voor de beantwoording van de vraag of handhavend optreden evenredig is van belang met welke specifieke afstand het dakraam moet worden verplaatst om te kunnen voldoen aan de wbdbo-eis van 30 minuten. Zolang dit niet vaststaat, is namelijk niet duidelijk wat [appellant] moet doen om de overtreding te beëindigen en welke gevolgen dat voor hem heeft. Het betoog slaagt niet. Conclusie 9. Het incidenteel hoger beroep van [appellant] is ongegrond. Het nadere besluit van 3 juni 2024 10. Om gevolg te geven aan de uitspraak van de rechtbank, heeft het college met het nadere besluit van 3 juni 2024 opnieuw besloten op het bezwaar van [partij] en aan [appellant] opnieuw een last onder dwangsom opgelegd (de nieuwe last onder dwangsom). In de nieuwe last onder dwangsom staat dat het dakraam zodanig moet worden aangepast dan wel dichtgemaakt, dat de situatie voldoet aan de in artikel 2.85 en artikel 2.84, achtste lid, van het Bouwbesluit gestelde wbdbo-eisen. Als [appellant] ervoor kiest om het dakraam aan te (laten) passen, moet de afstand van het dakraam tot de perceelsgrens horizontaal gemeten minimaal 145 cm bedragen, zo staat in die last. Aan de nieuwe last onder dwangsom heeft het college een begunstigingstermijn verbonden van twaalf weken na verzending van de uitspraak van de Afdeling op het hoger beroep van [partij] of twaalf weken na een eventuele intrekking van dat hoger beroep. 11. Het nadere besluit van 3 juni 2024 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De van rechtswege ontstane beroepen tegen de nieuwe last onder dwangsom van 3 juni 2024 12. [appellant] heeft geen gronden aangevoerd tegen dit besluit. Dat betekent dat zijn van rechtswege ontstane beroep ongegrond is. Ingetrokken beroepsgrond 13. [partij] heeft haar beroepsgrond over de lengte van de begunstigingstermijn die aan de nieuwe last onder dwangsom is verbonden, op de zitting ingetrokken. Berekening eventuele verplaatsing dakraam 14. [partij] betoogt dat in de nieuwe last onder dwangsom ten onrechte staat dat aan de last kan worden voldaan door het dakraam zodanig te verplaatsen dat de afstand tot de perceelsgrens minimaal 145 cm bedraagt. Zij voert hierover aan dat niet met berekeningen is onderbouwd dat bij een dergelijke verplaatsing wordt voldaan aan de wbdbo-eis van 30 minuten uit artikel 2.85 van het Bouwbesluit. 14.1. Het college heeft in de nieuwe last onder dwangsom toegelicht dat een bouwinspecteur van de gemeente na de uitspraak van de rechtbank op 2 mei 2024 een controlebezoek heeft uitgevoerd in de woning van [appellant]. Bij dat controlebezoek zijn aanvullende metingen verricht, die zijn opgenomen in het controlerapport van 22 mei 2024. Verder heeft het college in de nieuwe last onder dwangsom toegelicht dat naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank in het kader van de zorgvuldigheid een nieuwe rapportage over de brandoverslag is opgesteld, namelijk het rapport "Rapportage Brandoverslag Woning [locatie] te ’s-Gravenzande", opgesteld op 29 mei 2024 door S&W Consultancy (S&W-rapport). In het S&W-rapport wordt uitgegaan van de in artikel 2.85 van het Bouwbesluit geformuleerde wbdbo-eis van ten minste 30 minuten en de aanwezigheid van één dakraam. Op pagina 15 van het S&W-rapport wordt geconcludeerd dat het dakraam om brandoverslag te voorkomen naar boven verplaatst moet worden zodat de afstand naar een dakraam in een identiek gespiegelde woning aan de andere kant van de perceelsgrens 2,9 m bedraagt. Volgens het S&W-rapport betekent dat dat op basis van de metingen uit het controlerapport van 22 mei 2024 het dakraam in zijn volledige hoogte, dus 102,5 cm, omhoog verplaatst moet worden om aan de wbdbo-eis van 30 minuten uit artikel 2.85 van het Bouwbesluit te voldoen. 14.2. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat het college voldoende heeft onderbouwd dat aan de wbdbo-eis van 30 minuten uit artikel 2.85 van het Bouwbesluit wordt voldaan als het dakraam zo wordt verplaatst dat de afstand tot de perceelsgrens 145 cm bedraagt. Wat [partij] heeft aangevoerd, geeft ook geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het S&W-rapport heeft mogen baseren. Het betoog slaagt niet. Conclusie 15. Het van rechtswege ontstane beroep van [partij] tegen de nieuwe last onder dwangsom is ongegrond. Het nadere besluit van 30 juli 2024 16. Bij besluit van 30 juli 2024 heeft het college de begunstigingstermijn op verzoek van [appellant] verlengd tot twaalf weken na de verzending van de uitspraak van de Afdeling. 17. Het besluit van 30 juli 2024 wordt, gelet op artikel 6:24 van de Awb gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Het van rechtswege ontstane beroep van [partij] tegen het nadere besluit van 30 juli 2024 Onbevoegd genomen besluit 18. [partij] heeft bij brief van 5 augustus 2024 aan het college kenbaar gemaakt dat zij het niet eens is met het besluit van 30 juli 2024. Zij heeft deze brief als bezwaarschrift bij het college ingediend. Bij besluit van 14 november 2024 heeft het college vervolgens besloten op de als bezwaarschrift ingediende brief van [partij]. Gelet op wat hiervoor onder 16 is overwogen, maakt het besluit van 30 juli 2024 onderdeel uit van dit geding. Het college had het bezwaarschrift van [partij] daarom op grond van artikel 6:19, vierde lid, van de Awb aan de Afdeling moeten doorzenden zodat zij het als gronden van het van rechtswege ontstane beroep van [partij] tegen het besluit van 30 juli 2024 in behandeling kon nemen. Gelet op het voorgaande is het besluit van 14 november 2024 onbevoegd genomen, wat betekent dat het moet worden vernietigd. De Afdeling zal de als bezwaarschrift ingediende brief van [partij] van 5 augustus 2024, samen met het wél bij de Afdeling ingediende beroepschrift van [partij] van 2 september 2024, als gronden van het beroep van rechtswege tegen het besluit van 30 juli 2024 beoordelen. Gronden van het beroep van rechtswege 19. Op de zitting heeft [partij] haar beroepsgronden over het verlengen van de begunstigingstermijn echter ingetrokken. De Afdeling stelt vast dat [partij] in haar beroepschriften van 5 augustus 2024 en 2 september 2024 verder alleen beroepsgronden heeft aangevoerd die gaan over de omstandigheid dat [appellant] geen incidenteel hoger beroep meer kon instellen, dat [appellant] geen beroepsgronden heeft aangevoerd tegen het besluit van 3 juni 2024 en dat dat besluit ten onrechte geen berekeningen bevat over een eventuele verplaatsing van het dakraam. Deze beroepsgronden gaan niet over het besluit van 30 juli 2024 en leiden daarom niet tot de vernietiging van dat besluit. Conclusie 20. Het van rechtswege ontstane beroep van [partij] tegen het nadere besluit van 30 juli 2024 is ongegrond. Eindconclusie en proceskosten 21. Gelet op wat de Afdeling hiervoor onder 9, 12, 15 en 20 heeft overwogen, zijn het incidenteel hoger beroep van [appellant] en de van rechtswege ontstane beroepen tegen de besluiten van 3 juni 2024 en 30 juli 2024 ongegrond. Zoals de Afdeling hiervoor onder 18 heeft overwogen, is het besluit van 14 november 2024 onbevoegd genomen. De Afdeling zal dat besluit daarom vernietigen. Het voorgaande betekent dat de nieuwe last onder dwangsom in stand blijft, met een begunstigingstermijn van twaalf weken na deze uitspraak. 22. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het incidenteel hoger beroep van [appellant] ongegrond; II. verklaart de van rechtswege ontstane beroepen van [appellant] en [partij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 3 juni 2024 ongegrond; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 14 november 2024 met kenmerk D2024-00054190; IV. verklaart het beroep van rechtswege van [partij] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 30 juli 2024 ongegrond; Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.H.A. Alkemade, griffier. w.g. Hoekstra lid van de enkelvoudige kamer w.g. Alkemade griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 1117