Rechtspraak Raad van State 2026-08-26
ECLI:NL:RVS:2026:5013
Bij besluit van 15 juli 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellant] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen afgewezen. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. [appellant] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een aanvraag ingediend voor overname van vijf geldschulden. In dit hoger beroep gaat het over twee van die schulden, namelijk een schuld bij Otto B.V. van € 1.229,95 en een schuld bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Santander B.V.) van € 4.747,00. 202501103/1/A2. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 10 januari 2025 in zaak nr. 23/5013 in het geding tussen: [appellante] en de minister van Financiën. Procesverloop Bij besluit van 15 juli 2022 heeft de Belastingdienst/Toeslagen een aanvraag van [appellante] om geldschulden over te nemen op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) afgewezen. Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 januari 2025 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven [appellante] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 juli 2026, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A. Divis-Stein en mr. S. Akkas, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Deze uitspraak gaat over een besluit op grond van de regeling voor overneming en betaling van private schulden die is opgenomen in de Wht. Het overnemen van private schulden werd namens de Belastingdienst/Toeslagen uitgevoerd. Dat gebeurt nu door de minister. In de uitspraak wordt het bestuursorgaan verder aangeduid met minister. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 2. [ appellante] is aangemerkt als een gedupeerde ouder van de kinderopvangtoeslagaffaire. Zij heeft een aanvraag ingediend voor overname van vijf geldschulden. In dit hoger beroep gaat het over twee van die schulden, namelijk een schuld bij Otto B.V. van € 1.229,95 en een schuld bij Santander Consumer Finance Benelux B.V. (Santander B.V.) van € 4.747,00. 3. Bij besluit van 15 juli 2022 heeft de minister de overname van die twee schulden afgewezen. Schulden die zijn ontstaan na 31 december 2005 kunnen op grond van de Wht voor overname in aanmerking komen. Daarvoor is vereist dat deze schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden en nog niet zijn voldaan op het tijdstip van de aanvraag. In het besluit heeft de minister vastgesteld dat uit de stukken is gebleken dat de schuld aan Otto B.V. is ontstaan op 19 juli 2017, maar dat er geen opeisbare achterstanden zijn geweest, die dateren van vóór 1 juni 2021. Ook ten aanzien van de schuld bij Santander B.V. is volgens de minister niet gebleken dat er opeisbare achterstanden zijn geweest van vóór 1 juni 2021. De minister heeft besloten dat deze schulden daarom niet overgenomen kunnen worden op grond van de Wht. Uitspraak van de rechtbank 4. Volgens de rechtbank blijkt uit het dossier niet dat de twee schulden voor 1 juni 2021 opeisbaar zijn geworden, bijvoorbeeld doordat er betalingsachterstanden zijn ontstaan. Daarom is niet voldaan aan het bepaalde in artikel 4.1, tweede lid, van de Wht. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister om die reden terecht heeft vastgesteld dat de schulden van [appellante] niet in aanmerking komen voor overname. Beoordeling van het hoger beroep 5. [ appellante] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de eis dat enkel schulden waarbij betalingsachterstanden zijn ontstaan worden overgenomen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel. Omdat de minister de ene lening wel overneemt en de andere niet, worden gedupeerden ongelijk behandeld. De minister maakt daarbij een ongerechtvaardigd onderscheid tussen gedupeerden, zoals [appellante], die alles op alles hebben gezet om hun schulden af te betalen en gedupeerden die dat niet hebben gedaan. De opeisbaarheidseis druist in tegen de memorie van toelichting bij de Wht, daaruit volgt dat de wetgever heeft beoogd ruimhartigheid boven precisie en doelmatigheid toe te passen (Kamerstukken II 2021/22, 36 151, nr. 3, p. 4-5). 5.1. De Afdeling volgt [appellante] niet in het betoog dat er onevenredige gevolgen zijn van en gelijkheidsbezwaren tegen de in artikel 4.1 van de Wht opgenomen vereisten. De gronden die zij hierover aanvoert, gaan over een rechtsvraag die de Afdeling eerder heeft beantwoord (zie de uitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2309, onder 6.1 tot en met 6.11). Wat [appellante] aanvoert, biedt geen reden om hierover in dit geval anders te oordelen. 6. [ appellante] betoogt verder dat de minister de hardheidsclausule had moeten toepassen. [appellante] is de schulden bij Otto B.V. en Santander B.V. aangegaan als directe reactie op de onrechtmatige terugvorderingen door de Belastingdienst/Toeslagen. Haar echtgenoot leed destijds aan een psychose, waardoor zij als enige kostwinner verantwoordelijk was voor het gezin. Sinds het begin van de toeslagenaffaire kampt zij met aanhoudende gezondheidsproblemen. De weigering van de minister om haar schulden over te nemen, heeft geleid tot een verdere verslechtering van haar situatie. Zij staat inmiddels onder behandeling van haar huisarts voor hypertensie, angstklachten en depressieve symptomen, zoals blijkt uit de in hoger beroep overgelegde medische informatie van haar huisarts van 5 juni 2025. Uit het behandelplan van haar psycholoog van 22 april 2024 blijkt dat [appellante] kampt met verschillende klachten, die lijken te passen bij het beeld van een psychotrauma of stressgerelateerde stoornis. Haar is een BGGZ-traject aangeboden, gericht op haar trauma en het beter leren omgaan met angst- en spanningsklachten, dat bestaat uit cognitieve gedragstherapie. De schuldenlast van die periode blijft bestaan, terwijl de aanhoudende procedurele druk haar gezondheid ernstig heeft aangetast, aldus [appellante]. 6.1. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1 van de Wht, voor zover de toepassing ervan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 6.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:456, onder 7.3, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf, gelet op de ratio ervan, onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden, waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevend belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagenaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. 6.3. [appellante] heeft in hoger beroep voor het eerst een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Uit de medische stukken die zij ter onderbouwing heeft overgelegd blijkt dat zij onder meer kampt met somberheid en angst- en spanningsklachten. In het behandelplan van Sane psychologen staat dat de toeslagenaffaire grote financiële problemen heeft veroorzaakt en gevolgen heeft gehad voor het persoonlijke, gezins- en huwelijksleven. Hoewel dat invoelbaar is en de Afdeling daaraan niet twijfelt, bestaat bij haar op grond van de overgelegde stukken, die tamelijk summier zijn, onvoldoende inzicht in de ernst en omvang van de medische situatie en in het verband met de beslissing om de schulden niet over te nemen. Informatie over de financiële situatie ontbreekt. Er is gesteld dat sprake is van een blijvende schuldenlast maar over de omvang daarvan is niets gesteld en er zijn ook geen stukken over ingebracht. [appellante] en haar gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen om een nadere toelichting te kunnen geven, zodat de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten heeft gekregen voor het oordeel dat sprake is van een dermate schrijnende situatie dat de minister toepassing had moeten geven aan de hardheidsclausule. Conclusie 7. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. 8. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. van den Oosterkamp, griffier. w.g. Willems lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van den Oosterkamp griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 941-1180 BIJLAGE - Wettelijk kader Wet hersteloperatie toeslagen Artikel 4.1. Overneming of betaling privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner. 1. Onze Minister van Financiën neemt op aanvraag de geldschulden en kosten over op grond van artikel 155 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek van degene die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c, op wie artikel 4.6 of 4.7 niet van toepassing is. 2. De geldschulden die worden overgenomen: a. zijn ontstaan na 31 december 2005; b. waren voor 1 juni 2021 opeisbaar; en c. zijn niet voldaan op het tijdstip waarop de aanvraag wordt gedaan. 3. Geldschulden en kosten die worden overgenomen, zijn: a. een geldschuld die is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser; b. een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser indien deze is vastgelegd in een notariële akte die is verleden in de periode tussen 1 januari 2006 en 1 juni 2021 of blijkt uit een rechterlijke uitspraak indien de daaraan voorafgaande ingebrekestelling of dagvaarding of het daaraan voorafgaande verzoekschrift dateert van voor 1 juni 2021, waarbij geldt dat de zaak bij de rechtbank binnen een redelijke termijn na de dagtekening van de ingebrekestelling aanhangig moet zijn gemaakt; c. een geldschuld die voortvloeit uit alimentatieverplichtingen; d. de bij een geldschuld bijkomende kosten; e. een geldschuld bij een krachtens publiekrecht ingesteld orgaan van een rechtspersoon in het buitenland; en f. bestuursrechtelijke geldschulden die niet voor kwijtschelding in aanmerking komen op grond van hoofdstuk 3. 4. Geldschulden en kosten die niet worden overgenomen zijn: a. de resterende hoofdsom van een hypothecaire lening, ook als die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar is geworden, tenzij het een restschuld betreft na verkoop van of verhaal op de verhypothekeerde zaak; b. de resterende hoofdsommen van andere leningen, tenzij die vanwege betalingsachterstanden opeisbaar zijn geworden; c. een geldschuld die voortvloeit uit een onrechtmatige daad; d. een percentage van de geldschuld aan een rechtspersoon, vennootschap onder firma, commanditaire vennootschap of maatschap waarin de aanvrager van de schuldoverneming een belang heeft, dat gelijk is aan het percentage van dat belang van de aanvrager van de schuldoverneming; en e. een geldschuld waarvoor aan de aanvrager van de schuldoverneming reeds compensatie of aanvullende compensatie als bedoeld in artikel 2.1 of een andere niet-forfaitaire vergoeding is toegekend. […] Artikel 4.3. Compensatie afgeloste privaatrechtelijke geldschulden gedupeerde aanvrager kinderopvangtoeslag en partner. 1. Aan een aanvrager van een kinderopvangtoeslag die in aanmerking komt voor toepassing van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 of aan een ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend, verleent Onze Minister op aanvraag compensatie voor een afgeloste geldschuld die op grond van artikel 4.1 voor overneming in aanmerking zou komen als deze niet voldaan was. 2. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag worden ingediend door degene, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdeel b of c, indien hij geen partner meer is op het tijdstip waarop die aanvraag wordt ingediend. 3. De compensatie wordt verleend voor een geldschuld en kosten die zijn voldaan door een aanvrager als bedoeld in het eerste lid, diens partner, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, onderdelen b of c of de ex-partner, die in aanmerking komt voor de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid, en aan wie deze is toegekend: a. na het moment van het ontvangen van een bedrag op grond van een herstelmaatregel als bedoeld in artikel 2.7 dan wel de compensatie, bedoeld in artikel 2.14h, eerste lid; of b. tussen het moment van de dagtekening van de beschikking van de Belastingdienst/Toeslagen waarin staat dat de Belastingdienst/Toeslagen vooralsnog geen reden ziet voor uitbetaling van een forfaitair bedrag en het moment van de dagtekening van de beschikking waarin toch recht op een forfaitair bedrag als bedoeld in de artikelen 2.7, eerste lid, of artikel 2.14h, eerste lid, is vastgesteld. 4. De compensatie wordt niet verleend indien artikel 4.6 of 4.7 wordt toegepast. 5. De hoogte van de compensatie voor een afgeloste geldschuld en kosten is gelijk aan het bedrag dat de aanvrager van de compensatie in de periode, bedoeld in het derde lid, onderdeel a of b, heeft afgelost aan opeisbare geldschulden en kosten, met een maximum van het bedrag dat hij ontvangen heeft op grond van een herstelmaatregel. Artikel 3.13, derde lid, is van toepassing. Artikel 9.1. Hardheidsclausule […] 2. Voor zover toepassing gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard kan: a. Onze Minister van Financiën afwijken van artikel 2.15, 3.13, 4.1, 4.2 of 4.3; […]