Rechtspraak Raad van State 2026-08-26
ECLI:NL:RVS:2026:5001
Bij besluit van 7 januari 2019 heeft het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta het verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen. [appellant] woont aan de [locatie 1] in [woonplaats]. Hij heeft op 29 juli 2018 een verzoek gedaan om handhaving vanwege negen overtredingen van artikel 4.3 van de Keur voor Waterschap Hollandse Delta 2014. [appellant] betoogt terecht dat het college ten onrechte heeft nagelaten gelijktijdig een handhavingsbesluit te nemen over de heg. 202501390/1/R1. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend [woonplaats], appellant, en het college van dijkgraaf en heemraden van het waterschap Hollandse Delta, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 7 januari 2019 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen. Bij besluit van 10 februari 2025, heeft het college, opnieuw beslissend, het door [appellant] gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard, in heroverweging besloten om tegen situatie 3 te handhaven en het verzoek voor het overige afgewezen. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 augustus 2026, waar [appellant], vergezeld door [persoon], en het college, vertegenwoordigd door mr. R.J. Steennis, bijgestaan door mr. G.J.M. de Jager, advocaat in Rotterdam, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep blijft het recht zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Inleiding 2. [appellant] woont aan de [locatie 1] in [woonplaats]. Hij heeft op 29 juli 2018 een verzoek gedaan om handhaving vanwege negen overtredingen van artikel 4.3 van de Keur voor Waterschap Hollandse Delta 2014 (hierna: de Keur). 3. In het besluit van 7 januari 2019 heeft het college het verzoek om handhaving van [appellant] afgewezen. Dit geschil is aan de rechtbank en de Afdeling voorgelegd. De Afdeling heeft op 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3573, uitspraak gedaan. Het gevolg van deze uitspraak is dat het college alsnog inhoudelijk moest ingaan op een aantal situaties uit het handhavingsverzoek. Tegen dat nieuwe besluit staat alleen beroep bij de Afdeling open. 4. Het college heeft op 10 februari 2025 een nieuw besluit op bezwaar genomen. Het college heeft in heroverweging besloten om tegen situatie 3 te handhaven en het verzoek voor het overige af te wijzen. De overtredingen zijn beëindigd ofwel omdat de objecten en beplanting zijn verwijderd, ofwel omdat er een vergunning is verleend. 5. Het geschil gaat, voor zover nog van belang, om de volgende overtredingen: - situatie 3: kinderkoppen langs de berm en beplanting ter hoogte van [locatie 3], die het oprijzicht vanaf de Wagenmakerij wegnemen; - situatie 7: buxusplanten in de berm ter hoogte van [locatie2]; - situatie 9: een belemmerde doorgang bij de woonwagens op de Boomdijk, uitsluitend voor wat betreft de containers in de berm. Beoordeling van het beroep - situatie 3 6. [appellant] betoogt over situatie 3 dat het college ten onrechte nog niet heeft gehandhaafd. 6.1. In het besluit van 10 februari 2025 staat over situatie 3 dat het college de bewoners van [locatie 3] heeft aangeschreven met een voornemen tot handhaving wegens een overtreding van de Keur omdat zowel de kinderkoppen als de haag binnen de grens van de weg aanwezig zijn. Geconstateerd is dat de kinderkoppen inmiddels zijn verwijderd. De bewoners hebben op 17 december 2024 een vergunning aangevraagd voor de beplanting. Die vergunning is op 29 januari 2025 geweigerd. Daarom zal volgens het besluit ten aanzien van de heg handhavend worden opgetreden. De beplanting is zodanig gesnoeid dat het oprijzicht vanuit de Wagenmakerij weer is hersteld. 6.2. Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) luidt: "1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats. 2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit." 6.3. [appellant] betoogt terecht dat het college ten onrechte heeft nagelaten gelijktijdig een handhavingsbesluit te nemen over de heg. Uit artikel 7:11 van de Awb volgt dat als het bestuursorgaan na heroverweging tot de conclusie komt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, het bestuursorgaan dat besluit herroept en daarvoor een nieuw besluit in de plaats stelt, tenzij geen nieuw besluit nodig is. De besluitvorming in bezwaar moet dus worden afgerond in de beslissing op bezwaar. De uitzondering dat geen nieuw besluit nodig is, doet zich hier niet voor. Daarom kan niet worden volstaan met het in het vooruitzicht stellen van een nieuw besluit. Het besluit van 10 februari 2025, waarbij het college heeft volstaan met een gegrondverklaring van het bezwaar, is in zoverre genomen in strijd met artikel 7:11 van de Awb. Op de zitting van de Afdeling heeft het college erkend dat, hoewel er gesprekken worden gevoerd met de bewoners van [locatie 3] om de situatie in overeenstemming met de Keur te brengen, er nog niet is gehandhaafd. Het college dient alsnog een besluit over deze situatie te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarbij moet het college ook het volgende betrekken. [appellant] heeft er ter zitting op gewezen dat, anders dan is vermeld in het besluit van 10 februari 2025, niet alle kinderkoppen zijn verwijderd. Op de foto van de controle op 16 januari 2025 is te zien dat er in ieder geval nabij de brievenbus nog kinderkoppen aanwezig zijn. Het ligt op de weg van het college om in het nieuw te nemen besluit te verduidelijken waar de resterende kinderkoppen liggen en of die al dan niet binnen de grens van de weg aanwezig zijn. In zoverre is het besluit ook niet met de vereiste zorgvuldigheid genomen. Voor zover [appellant] nog heeft gewezen op een bloembak en een brievenbus, maken die geen deel uit van het handhavingsverzoek waar deze procedure nog over gaat. Het college hoeft daarop niet in te gaan in het nieuw te nemen besluit. Het betoog slaagt. - situatie 7 7. [appellant] betoogt over situatie 7 dat het college ten onrechte van handhaving heeft afgezien. Verkeerstechnisch zijn er volgens hem geen argumenten om voor deze situatie een vergunning te verlenen. Het heeft er alle schijn van dat het college diens bevoegdheden misbruikt door een vergunning te verlenen. 7.1. De Afdeling stelt vast dat de vergunning voor de buxusplanten op 29 oktober 2024 is verleend voordat het college het nieuwe besluit van 10 februari 2025 heeft genomen. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten om te oordelen dat de overtreding op 10 februari 2025 niet was opgeheven. Omdat de overtreding ten tijde van dat besluit was opgeheven, heeft het college zich in het besluit van 10 februari 2025 terecht op het standpunt gesteld dat er geen grondslag was om maatregelen tegen de planten te nemen. Voor zover [appellant] op de zitting heeft aangevoerd dat er ter plaatse nog stenen of rotsblokken aanwezig zijn, maken die geen deel uit van het handhavingsverzoek waar deze procedure nog over gaat. De verleende vergunning voor de buxusplanten ligt hier niet ter beoordeling voor. De Afdeling gaat daarom niet in op de bezwaren die [appellant] daartegen heeft. Voor zover [appellant] op de zitting heeft aangevoerd dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de vergunning en dat een eventuele termijnoverschrijding daarbij verschoonbaar moet worden geacht, is dat iets wat hij bij het college aan de orde kan stellen. Het betoog slaagt niet. - situatie 9 8. [appellant] betoogt over situatie 9 dat de overtreding niet is beëindigd, omdat er nog steeds containers op of te dicht bij de openbare weg worden gestald. 8.1. In het besluit van 10 februari 2025 staat over situatie 9 dat de bewoners na overleg een vergunning hebben aangevraagd voor de plaatsing van containers.