Rechtspraak Raad van State 2026-08-26
ECLI:NL:RVS:2026:4987
Bij besluit van 26 september 2024 heeft de raad van de gemeente Wijchen het bestemmingsplan "Hazelaarweg 11, Wijchen" vastgesteld. Het plan voorziet in drie vrijstaande woningen aan de Hazelaarweg 11. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom in het noordoosten van de kern Wijchen. Volgens de plantoelichting zijn de woningen bedoeld voor senioren en wordt een bestaande woning in het plangebied gesloopt. [appellant] woont tegenover het plangebied en vreest voor nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat. [appellant] betoogt dat het plan leidt tot parkeerproblemen en verkeersonveilige situaties. Hij voert daartoe aan dat niet kan worden voldaan aan de norm in de planregels van 2,6 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. [appellant] betoogt dat het plan onvoldoende aansluit op de omgeving. Volgens hem is er geen rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van het gebied en past de beoogde bebouwingsdichtheid niet in de landelijke omgeving. 202407279/1/R4. Datum uitspraak: 26 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in Wijchen, appellant, en de raad van de gemeente Wijchen, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 26 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Hazelaarweg 11, Wijchen" vastgesteld. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. De raad heeft nadere stukken ingediend. [persoon] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 15 juli 2026, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Koevoet, is verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 22 december 2021 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het plan voorziet in drie vrijstaande woningen aan de Hazelaarweg 11. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom in het noordoosten van de kern Wijchen. Volgens de plantoelichting zijn de woningen bedoeld voor senioren en wordt een bestaande woning in het plangebied gesloopt. [appellant] woont tegenover het plangebied en vreest voor nadelige gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat. Toetsingskader 3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Beroepsgronden Parkeren en verkeersveiligheid 4. [appellant] betoogt dat het plan leidt tot parkeerproblemen en verkeersonveilige situaties. Hij voert daartoe aan dat niet kan worden voldaan aan de norm in de planregels van 2,6 parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. Hij verwijst daarvoor naar de Beleidsregels Parkeernormen Wijchen 2024 (Beleidsregels), waarin een onderscheid is gemaakt tussen het theoretische aantal parkeerplaatsen op een terrein en het aantal parkeerplaatsen dat voor de parkeerberekening als uitgangspunt wordt genomen. [appellant] vreest dat bij het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen gebruik zal worden gemaakt van de afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.5, onder b, van de planregels om langs de Hazelaarweg parkeerplaatsen te realiseren. Daarnaast betoogt hij dat weliswaar in de plantoelichting staat dat één parkeerplaats in de openbare ruimte wordt gerealiseerd, maar dat de realisatie en instandhouding van die parkeerplaats ten onrechte niet is geborgd in het plan. [appellant] betoogt verder dat het realiseren van één of meer parkeerplaatsen langs de Hazelaarweg tot verkeersonveilige situaties leidt omdat dit een smalle weg en doorgaande fietsroute is. 4.1. Uit artikel 5.4.1, onder a, van de planregels volgt dat per woning ten minste 2,6 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten worden aangelegd en in stand moeten worden gehouden. Die parkeernorm staat in dat artikel zelf, niet in de Beleidsregels. [appellant] betwist niet dat deze norm toereikend is om te voorzien in de parkeerbehoefte als gevolg van het plan. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt waarom er op het vrij grote eigen terrein bij de woningen onvoldoende ruimte is voor het benodigde aantal parkeerplaatsen. Overigens staat in de plantoelichting dat alle woningen een garage krijgen en dat er aan de voorzijde van de woningen voldoende ruimte aanwezig is om te voldoen aan de parkeernorm. Aangezien de norm van 2,6 parkeerplaatsen per woning vast staat en niet is gebleken dat niet hieraan kan worden voldaan, gaat de Afdeling voorbij aan wat [appellant] aanvoert over de Beleidsregels en de afwijkingsbevoegdheid. De Afdeling overweegt verder dat het feit dat in de plantoelichting staat dat tevens één parkeerplaats in de openbare ruimte zal worden gerealiseerd, niet betekent dat dit in het plan moet worden geborgd. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom dit uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is. Daarnaast ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan tot verkeersonveilige situaties leidt. De raad heeft toegelicht dat de Hazelaarweg een in ieder geval voor auto’s doodlopende weg is, een lage verkeersintensiteit heeft en dat het plan - dat voorziet in maximaal drie woningen - tot een beperkte verkeerstoename leidt. Verder heeft de raad erop gewezen dat de Hazelaarweg geen doorgaande fietsroute is en zo nodig gedeeltelijk kan worden verbreed. De Afdeling is dan ook van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor de verkeersveiligheid. Het betoog slaagt niet. Landelijke woonomgeving 5. [appellant] betoogt dat het plan onvoldoende aansluit op de omgeving. Volgens hem is er geen rekening gehouden met de landschappelijke kwaliteiten van het gebied en past de beoogde bebouwingsdichtheid niet in de landelijke omgeving. 5.1. De Afdeling ziet in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onvoldoende aansluit op de omgeving. De raad heeft in dat verband toegelicht dat het plangebied niet kan worden aangemerkt als een landelijke locatie aan de rand van de kern omdat het binnen de bebouwde kom van de kern van Wijchen en aansluitend bij reeds bestaande bebouwing ligt. Volgens de raad maakt de locatie deel uit van het stedelijke gebied met een inherent hogere bebouwingsgraad, waardoor de beoogde bebouwingsdichtheid passend is. De Afdeling ziet, mede gelet op afbeeldingen van de situatie ter plaatse, geen grond om aan deze toelichting te twijfelen. Het betoog slaagt niet. Groene hagen en boomgaard 6. [appellant] betoogt dat de groene hagen en boomgaard, zoals ingetekend op bijlage 1 van de planregels, ten onrechte niet zijn geborgd in het plan. 6.1. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant] bedoelde boomgaard buiten het plangebied valt. De ontwikkeling daarvan is inderdaad niet geborgd in het plan. De raad stelt zich op het standpunt dat realisatie van de boomgaard niet noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling acht dit standpunt niet onredelijk. [appellant] heeft niet nader gemotiveerd waarom een boomgaard noodzakelijk is om het plan - dat voorziet in kleinschalige woningbouw - ruimtelijk aanvaardbaar te achten. Over de groene hagen overweegt de Afdeling als volgt. Onduidelijk is of [appellant] met de groene hagen doelt op de geluidswal dan wel op de groene lijnen tussen het plangebied en de Hazelaarweg en tussen de drie tuinen bij de voorziene woningen, zoals ingetekend op bijlage 1 van de planregels. Voor zover [appellant] doelt op de geluidswal, wijst de Afdeling erop dat artikel 5.4.4 van de planregels een voorwaardelijke verplichting bevat voor de realisatie en instandhouding van een geluidwerende voorziening conform de tekening in bijlage 1 van de planregels. Naar het oordeel van de Afdeling is de geluidswal hiermee voldoende geborgd in het plan. Voor zover [appellant] met de groene hagen doelt op de groene lijnen, heeft de raad in het verweerschrift toegelicht dat de ontwikkeling ook zonder de in bijlage 1 van de planregels ingetekende hagen ruimtelijk aanvaardbaar is. Daarbij heeft de raad uiteengezet dat ontwikkelingen binnen bestaand stedelijk gebied, zonder relevante impact op het landschap, in beginsel geen landschappelijke inpassing vereisen. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de groene hagen noodzakelijk zijn voor de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het plan. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de groene hagen geborgd hadden moeten worden in het plan. Het betoog slaagt niet. Waterberging 7. [appellant] betoogt dat onduidelijk is hoe in het plangebied hemelwater wordt opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. Weliswaar bevat artikel 5.2.5, onder a, van de planregels een voorwaardelijke verplichting die erop neerkomt dat al het hemelwater op het eigen terrein moet worden verwerkt, maar onder b staat een afwijkingsbevoegdheid. Daarnaast betoogt [appellant] dat de wadi, zoals ingetekend op bijlage 1 van de planregels, ten onrechte niet is geborgd in het plan. 7.1. De Afdeling stelt vast dat de door [appellant] bedoelde wadi buiten het plangebied valt. De ontwikkeling daarvan is inderdaad niet geborgd in het plan. Aangezien nergens uit blijkt dat de wadi nodig is om wateroverlast als gevolg van het plan te voorkomen, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich redelijkerwijs op het standpunt heeft kunnen stellen dat borging van de wadi in het plan niet noodzakelijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling overweegt verder dat in artikel 5.2.5, onder a, van de planregels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen om hydrologisch neutraal te bouwen. In deze bepaling staat tevens dat al het hemelwater op eigen terrein moet worden verwerkt en niet mag afstromen naar een naburig perceel. De Afdeling is van oordeel dat daarmee voldoende duidelijk is hoe hemelwater in het plangebied wordt opgevangen en geïnfiltreerd in de bodem. Dat artikel 5.2.5, onder b, van de planregels het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid geeft om bij omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde onder a, voor een andere norm en/of methode om te voorzien in de omgang met regenwater, kan hieraan niet af doen. Zonder toelichting van [appellant] ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de afwijkingsmogelijkheid onduidelijk is of dat toepassing daarvan onaanvaardbare ruimtelijke gevolgen heeft. Verder staan tegen zo’n afwijkingsvergunning rechtsmiddelen open. Het betoog slaagt niet. Geluid 8. [appellant] betoogt dat het akoestisch onderzoek naar de geluidbelasting op de nieuw te bouwen woningen onzorgvuldig is uitgevoerd en de resultaten daarvan niet goed zijn vertaald in het plan. Daarover voert [appellant] aan dat het onderzoek onjuiste uitgangspunten hanteert en dat de hoogte en het materiaal van de geluidwerende voorziening niet zijn geborgd in het plan. Zelfs na realisatie van de geluidwerende voorziening is volgens [appellant] nog sprake van een overschrijding van de norm. Hierdoor is er volgens [appellant] geen sprake van een goed woon- en leefklimaat. 8.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in (hoger) beroep komt. 8.2. Naar het oordeel van de Afdeling beroept [appellant] zich met wat hij aanvoert over de geluidbelasting en het woon- en leefklimaat niet op een aspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening dat betrekking heeft op zijn eigen belang, maar op de belangen van anderen. Wat [appellant] aanvoert heeft immers betrekking op het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de toekomstige bewoners van de voorziene woningen. De Afdeling is van oordeel dat het relativiteitsvereiste, zoals dat volgt uit artikel 8:69a van de Awb, daarom in zoverre in de weg staat aan de vernietiging van het plan. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3087, onder 10.5. Om die reden ziet de Afdeling af van een inhoudelijke beoordeling van deze beroepsgrond. Het betoog slaagt niet. Stikstof 9. [appellant] betoogt dat er ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar stikstofuitstoot, waardoor niet is onderbouwd of de ontwikkeling nadelige gevolgen heeft voor stikstofgevoelige natuur. 9.1. De Afdeling overweegt dat de bepalingen in de Wet natuurbescherming (Wnb) over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit deze uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. 9.2. De Afdeling stelt vast dat het voor [appellant] dichtstbijgelegen Natura 2000-gebied Rijntakken ongeveer 6,8 km van zijn woning ligt. Gelet hierop maakt het Natura 2000-gebied geen deel uit van de woon- en leefomgeving van [appellant]. De conclusie is dat zijn individuele belang niet verweven is met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat het relativiteitsvereiste van artikel 8:69a van de Awb in de weg staat aan een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het plan vanwege de beroepsgrond over stikstof, zodat wat [appellant] op dit punt heeft aangevoerd onbesproken kan blijven. Het betoog slaagt niet. Doelgroep 10. [appellant] betoogt dat de raad weliswaar met het plan beoogt woonruimte te bieden aan senioren, maar dat dit ten onrechte niet in het plan is geborgd. Volgens hem staat het plan er niet aan in de weg dat er eengezinswoningen worden gerealiseerd. 10.1. Ingevolge artikel 1.35 van de planregels wordt onder huishouden verstaan: "Eén, of meerdere personen, die gemeenschappelijk samenleven in een onderlinge persoonlijke verbondenheid gericht op een duurzaam samenzijn." Ingevolge artikel 1.48 van de planregels wordt onder wonen verstaan: "Het verblijven van één huishouden in een woning." Ingevolge artikel 1.49 van de planregels wordt onder een woning verstaan: "Een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden." Artikel 5.1 van de planregels luidt: "De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen, al dan niet in combinatie met een aan huis verbonden beroep; […]." 10.2. De Afdeling stelt voorop dat het opnemen van een verbod in het bestemmingsplan op het gebruik van woningen door personen buiten de beoogde doelgroep van senioren niet mogelijk is, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid naar leeftijd. De Afdeling verwijst hiervoor naar haar uitspraak van 4 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2241, onder 3.3. Verder heeft de raad toegelicht dat in het plan niettemin enige sturing is gegeven aan specifieke doelgroepen en woonvormen. Daartoe wijst de raad erop dat op de gronden met de bestemming "Wonen", vanwege de definities in de planregels, uitsluitend de huisvesting van één huishouden is toegestaan. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad bij de vaststelling van het plan voldoende heeft betrokken en geregeld dat bewoning door doelgroepen met een grotere ruimtelijke uitstraling dan vergelijkbaar met de genoemde doelgroep senioren zich niet zal voordoen. Het betoog slaagt niet. Verouderde beleidsdocumenten 11. [appellant] betoogt dat het plan onzorgvuldig is voorbereid omdat het is gebaseerd op verouderde onderzoeken en beleidsdocumenten. 11.1. De raad stelt zich op het standpunt dat op het moment dat het plan werd vastgesteld, het plan voldeed aan de toen geldende beleidskaders en de onderliggende onderzoekrapportages niet verouderd waren. De Afdeling overweegt dat [appellant] op geen enkele wijze concreet heeft gemaakt waarom de onderzoeken en beleidsdocumenten verouderd waren en daarom niet aan het plan ten grondslag mochten worden gelegd. Er bestaat dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het plan onzorgvuldig is vastgesteld. Het betoog slaagt niet. Niet akkoord met plan 12. [appellant] betoogt dat in het raadsvoorstel van 2 juli 2024 de indruk wordt gewekt dat de omgeving akkoord is met het plan, terwijl dit onjuist is omdat hij niet akkoord is met het plan. 12.1. In het raadsvoorstel staat dat de initiatiefnemers hebben gesproken met omwonenden van het plangebied en dat de omwonenden akkoord zijn met de ontwikkeling van dit plan. De Afdeling overweegt dat het betoog van [appellant], die geen zienswijze over het ontwerpplan heeft ingediend, geen aanleiding geeft voor het oordeel dat de raad het plan niet had mogen vaststellen. Daarbij merkt de Afdeling op dat [appellant] gedurende het vaststellingstraject op geen enkel moment te kennen heeft gegeven bezwaren tegen het plan te hebben. Dan kan het ook voor [appellant] niet verrassend zijn geweest dat zijn kennelijk alleen bij hem bekende bezwaren niet bij het raadsvoorstel zijn betrokken. In zoverre vindt de Afdeling het verwijt van [appellant] richting de raad ook misplaatst. Niet aannemelijk is verder dat de raad tot een ander besluit was gekomen als [appellant] kenbaar had gemaakt dat hij niet akkoord was met het plan. Het betoog slaagt niet. Financiële uitvoerbaarheid 13. [appellant] betoogt dat het onduidelijk is of bij de vaststelling van het plan rekening is gehouden met de bodemsaneringskosten. Daardoor is volgens hem onduidelijk of het plan financieel uitvoerbaar is. 13.1. Bij een beroep tegen een bestemmingsplan kan een betoog over de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder de financieel-economische uitvoerbaarheid, alleen leiden tot vernietiging van het bestreden besluit als de raad redelijkerwijs had moeten inzien dat het plan om financieel-economische of andere redenen op voorhand niet uitvoerbaar is. In hoofdstuk 4.1.1 van de plantoelichting staat dat er voor de bodemsanering voldoende financiële middelen aanwezig zijn, waardoor de financiële uitvoerbaarheid van het plan niet in het geding komt. Daarom heeft de raad zich redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat er geen redenen zijn waarom het plan op voorhand niet uitvoerbaar is. Het betoog slaagt niet. Visie plangebied 14. De enkele stelling van [appellant] dat de visie van de gemeente Wijchen over het plangebied niet te volgen is omdat er de afgelopen jaren verschillende bestemmingsplannen voor hetzelfde gebied in procedure zijn gebracht, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening of anderszins met het recht. Het betoog slaagt niet. Sloop bestaande woning 15. [appellant] betoogt dat de sloop van de bestaande woning in het plangebied ten onrechte niet is geborgd in het plan. 15.1. De raad stelt zich op het standpunt dat de goede ruimtelijke ordening alleen kan worden gegarandeerd als de bestaande woning aan de Hazelaarweg 11 wordt gesloopt. De raad erkent dat er in de planregels per abuis geen voorwaardelijke verplichting is opgenomen waaruit volgt dat die woning moet worden gesloopt voordat wordt overgegaan tot de bouw van de drie seniorenwoningen. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en in strijd met artikel 3:2 van de Awb is vastgesteld. Het betoog slaagt. Conclusie 16. Gelet op wat [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb, voor zover daarin een voorwaardelijke verplichting voor de sloop van de bestaande woning op het perceel ontbreekt. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. 17. De raad heeft een tekstvoorstel gedaan om een voorwaardelijke verplichting aan de planregels toe te voegen. Dat tekstvoorstel luidt: "5.2.9 Voorwaardelijke verplichting sloop bestaande woning Met het bouwen van de nieuwe woningen mag pas worden gestart als de bestaande woning op het perceel Hazelaarweg 11 is gesloopt." 18. Omdat niet aannemelijk is dat derde-belanghebbenden in hun belangen zouden kunnen worden geschaad, en [partij] als initiatiefnemer en eigenaar van de woning aan de Hazelaarweg 11 op zitting heeft verklaard hiertegen geen bezwaar te hebben, ziet de Afdeling aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb zelf in de zaak te voorzien door het plan aan te passen zoals door de raad voorgesteld. Ook zal de Afdeling bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit, voor zover dit is vernietigd. 19. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen vier weken na verzending van de uitspraak te verwerken in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening. 20. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Wijchen van 26 september 2024 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Hazelaarweg 11, Wijchen", voor zover daarin een voorwaardelijke verplichting voor de sloop van de bestaande woning op het perceel Hazelaarweg 11 ontbreekt; III. bepaalt dat aan de planregels een nieuw artikel 5.2.9 wordt toegevoegd dat als volgt komt te luiden: "5.2.9 Voorwaardelijke verplichting sloop bestaande woning Met het bouwen van de nieuwe woningen mag pas worden gestart als de bestaande woning op het perceel Hazelaarweg 11 is gesloopt."; IV. bepaalt dat deze uitspraak, wat onderdeel III betreft, in de plaats treedt van het besluit van 26 september 2024, voor zover dat is vernietigd; V. draagt de raad van de gemeente Wijchen op om binnen vier weken na verzending van deze uitspraak ervoor zorg te dragen dat het hiervoor vermelde onderdeel III, wordt verwerkt in het elektronisch vastgestelde plan dat te raadplegen is op de landelijke voorziening; VI. gelast dat de raad van de gemeente Wijchen aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 187,00 voor de behandeling van het beroep vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.V. Veldwijk, griffier. w.g. Kuijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Veldwijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2026 912-1194