Rechtspraak Raad van State 2026-01-28
ECLI:NL:RVS:2026:488
202302028/1/R4. Datum uitspraak: 28 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], wonend in Hoevelaken, gemeente Nijkerk, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 20 februari 2023 in zaak nr. 21/989 in het geding tussen: [appellante] en het college van burgemeester en wethouders van Nijkerk. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van [appellante] met betrekking tot de door haar gehuurde woning aan de [locatie] in Hoevelaken gedeeltelijk toegewezen. Bij besluit van 12 januari 2021 heeft het college naar aanleiding van het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar het besluit van 6 augustus 2020 in stand gelaten, onder aanvulling van de motivering. Bij uitspraak van 20 februari 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellante] en Stichting De Alliantie (hierna: de Alliantie) hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 27 oktober 2025, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.P.J. Botterblom, advocaat in Nijkerk, vergezeld door [persoon A], en het college, vertegenwoordigd door R.P. Verweij en A. Veldhuizen, zijn verschenen. Verder is de Alliantie, vertegenwoordigd door mr. drs. W. Vos, advocaat te Utrecht, vergezeld door [persoon B], als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II van de Woningwet is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet in samenhang bezien met artikel 4.1, aanhef en onder p, het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om handhaving van het bepaalde bij of krachtens hoofdstuk II van de Woningwet is gedaan op 4 mei 2020. Dat betekent dat in dit geval hoofdstuk II van de Woningwet en het Bouwbesluit 2012, zoals die golden vóór 1 januari 2024, van toepassing blijven. Artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet in samenhang bezien met artikel 4.1 kent geen overgangsrecht voor de zorgplicht uit artikel 1a van de Woningwet. Dat betekent dat, voor zover het gaat om handhaving van dat artikel, het recht van toepassing is, zoals dat gold ten tijde van de besluiten van 6 augustus 2020 en 12 januari 2021. Inleiding 2. Bij brief van 4 mei 2020 heeft [appellante] het college verzocht om handhavend op te treden tegen de Alliantie vanwege de bouwkundige staat van de woning aan de [locatie] in Hoevelaken. [appellante] diende het verzoek met name in vanwege problemen met het binnenklimaat van de woning. Ten tijde van het handhavingsverzoek huurde [appellante] de woning van de Alliantie. Het college heeft zich in het besluit van 6 augustus 2020 op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een overtreding van artikel 1a, tweede lid en artikel 1b, tweede lid, van de Woningwet. In zoverre is het handhavingsverzoek daarom afgewezen. Voor zover van belang voldeed het mechanische ventilatiesysteem volgens het college echter niet aan artikel 3.38 van het Bouwbesluit 2012. In zoverre is het handhavingsverzoek toegewezen. Bij uitspraak van 18 september 2020 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland (de voorzieningenrechter) het college opgedragen nader onderzoek te (laten) doen naar een eventuele overtreding van artikel 3.26 van het Bouwbesluit 2012. Dit onderzoek is op 13 oktober 2020 uitgevoerd door De Keurder. Met het besluit van 12 januari 2021 heeft het college besloten het besluit van 6 augustus 2020 niet te herroepen en in stand te laten onder aanvulling