Rechtspraak Raad van State 2026-08-19
ECLI:NL:RVS:2026:4858
Bij besluit van 10 september 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard het wijzigingsplan "Dorpsdijk Rhoon" vastgesteld. Het wijzigingsplan maakt de bouw van maximaal 69 woningen in de vorm van gestapelde bouw met appartementen alsmede 120 m2 aan zorg of maatschappelijke functie op de percelen Dorpsdijk 116-130 in Rhoon (Palsgraaflocatie) mogelijk. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 35.3 van de regels van het bestemmingsplan "Rhoon Dorp" van 14 juli 2014 (bestemmingsplan). [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied en komen tegen het wijzigingsplan op vanwege de gevolgen daarvan voor hun woonsituatie. Kavel Vastgoed III is eigenaar van gronden in het plangebied en ontwikkelaar van de woningbouw. [partij B] is ook eigenaar van gronden in het plangebied. [partij A] woont aan de [locatie], naast de planlocatie. 202406534/1/R3. Datum uitspraak: 19 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Rhoon, gemeente Albrandswaard, 2. [appellant sub 2] en anderen, allen wonend in Rhoon, gemeente Albrandswaard, appellanten, en het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 10 september 2024 heeft het college het wijzigingsplan "Dorpsdijk Rhoon" vastgesteld (wijzigingsplan). Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 2] en anderen hebben een nadere reactie en een nader stuk ingediend. Bij besluit van 24 februari 2026 (herstelbesluit) heeft het college het wijzigingsplan gewijzigd vastgesteld (herstelplan). [appellant sub 2] en anderen hebben een zienswijze over het herstelbesluit ingediend. Het college heeft een nadere reactie en een nader stuk ingediend. Kavel Vastgoed III B.V. en [appellanten sub 1] hebben nadere reacties ingediend. [appellant sub 2] en anderen hebben een nadere reactie en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 juli 2026, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door drs. S.A.N. Geerling, rechtsbijstandverlener in Leusden, [appellant sub 2] en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.J. West, advocaat in Rotterdam, en drs. C.A. de Klerk-Verbeek, zijn verschenen. Verder zijn daar [partij A], [partij B] en Kavel Vastgoed III, vertegenwoordigd door mr. M. Fleers en mr. C.A.B. Geertman, beiden advocaat in Den Haag, en [persoon], gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een wijzigingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het wijzigingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 29 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en de Crisis- en herstelwet (Chw), zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het wijzigingsplan maakt de bouw van maximaal 69 woningen in de vorm van gestapelde bouw met appartementen alsmede 120 m2 aan zorg of maatschappelijke functie op de percelen Dorpsdijk 116-130 in Rhoon (Palsgraaflocatie) mogelijk. Het wijzigingsplan is gebaseerd op artikel 35.3 van de regels van het bestemmingsplan "Rhoon Dorp" van 14 juli 2014 (bestemmingsplan). [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen wonen in de directe omgeving van het plangebied en komen tegen het wijzigingsplan op vanwege de gevolgen daarvan voor hun woonsituatie. Kavel Vastgoed III is eigenaar van gronden in het plangebied en ontwikkelaar van de woningbouw. [partij B] is ook eigenaar van gronden in het plangebied. [partij A] woont aan de [locatie], naast de planlocatie. 2.1. Met het herstelbesluit wil het college aan enkele van de tegen het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan ingediende beroepsgronden tegemoetkomen. Met het herstelbesluit heeft het college voorzien in een wijziging van foutief bevonden planregels, het opnemen van planregels voor dakkapellen en hellingshoeken, het schrappen van een aantal planregels waaronder de afwijkingsbevoegdheden om hoger te bouwen en voor antenne-installaties tot 20 m hoog en de wijzigingsregel, het opnemen van de bestemming "Groen" en een voorwaardelijke verplichting, en een nieuwe vaststelling van de verbeelding. Kader wijzigingsplan 3. Met het bestaan van de wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan mag de planologische aanvaardbaarheid van de nieuwe bestemming binnen het gebied waarover de wijzigingsbevoegdheid gaat in beginsel als een gegeven worden beschouwd als is voldaan aan de in het bestemmingsplan gestelde wijzigingsvoorwaarden. Dit neemt niet weg dat het bij het vaststellen van een wijzigingsplan gaat om een bevoegdheid en niet om een plicht. Het feit dat is voldaan aan de wijzigingsvoorwaarden die in een bestemmingsplan zijn opgenomen, doet niets af aan de plicht van het college om in de besluitvorming over de vaststelling van een wijzigingsplan ook na te gaan of uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening, gelet op de betrokken belangen, wijziging van de oorspronkelijke bestemming gerechtvaardigd is. Herstelbesluit 4. Met het herstelbesluit heeft het college het besluit van 10 september 2024 gewijzigd. Daarbij is deels aan de beroepsgronden tegen het wijzigingsplan tegemoetgekomen. Het herstelbesluit betreft geen gehele vervanging van het besluit van 10 september 2024. Het herstelbesluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Voor [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn beroepen van rechtswege ontstaan. Kavel Vastgoed III, [partij B] en [partij A] kunnen zich verenigen met het herstelbesluit. 4.1. [appellanten sub 1] hebben in hun nadere reactie van 12 juni 2026 te kennen gegeven dat het hun nog gaat om de omvang van de nieuwe bebouwing, de bezonning, de dakhellingen en dakkapellen, en de mogelijkheid dichter op de Werkersdijk te bouwen. De Afdeling zal de bespreking van hun beroep tot die beroepsgronden beperken. [appellant sub 2] en anderen hebben te kennen gegeven dat zij zich niet met het herstelbesluit kunnen verenigen. Zij hebben daarvoor verwezen naar hun beroepsgronden tegen het besluit tot vaststelling van het wijzigingsplan. De Afdeling zal de beroepsgronden in het licht van het herstelplan beoordelen. Goede procesorde 5. [appellant sub 2] en anderen hebben op de zitting in een pleitnota beroepsgronden naar voren gebracht over de hoeveelheid verharding in het plangebied en de klimaatbestendigheid. Het college heeft onder verwijzing naar de goede procesorde gesteld bezwaar te hebben tegen het bij de beoordeling betrekken van deze beroepsgronden. 5.1. Strijd met de goede procesorde kan zich voordoen indien beroepsgronden verwijtbaar zo laat worden ingediend dat de andere partijen worden belemmerd om daarop voldoende te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor op andere wijze wordt belemmerd. Hiervan is in dit geval sprake. De Afdeling laat de betreffende gronden wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing, omdat het college en de Afdeling zich hierop niet hebben kunnen voorbereiden. Daarbij laat de Afdeling onbesproken of deze beroepsgronden überhaupt wel aan de orde zouden kunnen komen, omdat artikel 1.6a van de Chw aan het aanvoeren van nieuwe beroepsgronden buiten de beroepstermijn in de weg staat. Zienswijzefase 6. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het college hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om hun zienswijze volledig te onderbouwen met informatie die met een op 27 november 2023 gedaan verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) moest worden verkregen. 6.1. Dit betoog heeft primair betrekking op het wijzigingsplan, maar werkt ook door naar het herstelplan. [appellant sub 2] en anderen zijn gedurende de zienswijzetermijn in de gelegenheid geweest een zienswijze naar voren te brengen over het ontwerpwijzigingsplan. Zij hebben dat ook gedaan. Het college heeft in de lopende Woo-procedure geen aanleiding hoeven zien de besluitvorming over het wijzigingsplan aan te houden. Uit de Awb noch de Wro volgt de verplichting voor het college [appellant sub 2] en anderen in de gelegenheid te stellen de al ingebrachte gemotiveerde zienswijze na de zienswijzetermijn verder te onderbouwen. Het gedane Woo-verzoek is geen bijzondere omstandigheid om te oordelen dat dit uit een oogpunt van zorgvuldige voorbereiding wel had gemoeten. Bovendien valt niet in te zien dat [appellant sub 2] en anderen onvoldoende gelegenheid hebben gehad om op grond van de Woo de voor hen relevante informatie te verkrijgen en deze zo nodig uit zichzelf in te brengen ter ondersteuning van hun zienswijze. De besluitvorming heeft immers pas in september 2024 plaatsgevonden. Het betoog slaagt niet. Woonvisie 7. [appellant sub 2] en anderen betogen dat het herstelplan strijdig is met de concept-Woonvisie Albrandswaard 2024-2028 van juli 2024. De mogelijk gemaakte woningbouw is niet bedoeld voor de doelgroepen ouderen, jongeren en koopstarters waarvoor volgens de visie met voorrang betaalbare woningen zouden moeten worden gerealiseerd. 7.1. Voorzien is in twee bouwdelen: 38 koopappartementen in de vrije sector en 31 betaalbare en middeldure huurappartementen. Uit paragraaf 2.2.1 van de plantoelichting volgt dat bij beide delen het accent ligt op woningen voor senioren. Dit is niet alleen in overeenstemming met de concept-Woonvisie maar ook met de Woonvisie Albrandswaard 2016-2025 waaraan in paragraaf 3.3.2 van de plantoelichting is getoetst. Uit de (concept-)visie volgt bovendien geen verplichting om in alle gevallen alleen te voorzien in betaalbare woningen voor ouderen, jongeren en koopstarters. Het is primair aan de initiatiefnemer van een ontwikkeling om hier een keuze te maken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet met de beoogde woningtypen heeft kunnen instemmen. Het betoog slaagt niet. Inpassing in het dorp en de gevolgen voor omwonenden 8. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat het herstelplan strijdig is met de wijzigingsvoorwaarden uit het bestemmingsplan. De mogelijk gemaakte bebouwing past volgens hen niet in de dorpse omgeving. De bebouwing wordt te hoog en is strijdig met het beeldkwaliteitsplan Rhoon Centrum ‘Dorps karakter met menselijke maat’ uit 2016. De bebouwing tast het karakter van de wijk aan, er wordt onvoldoende rekening gehouden met het privacybelang van de omwonenden en de bebouwing leidt tot een verminderde lichtinval en zonlichttoetreding in de bestaande woningen. [appellant sub 2] en anderen beroepen zich op het advies ‘Stedenbouwkundige beoordeling Dorpsdijk, Rhoon’ van Buro SRO van 17 december 2025 waarin staat dat de omvang van de beoogde bebouwing stedenbouwkundig niet passend is op de planlocatie. Naar aanleiding van het herstelbesluit hebben [appellant sub 2] en anderen een daarop bijgestelde reactie van Buro SRO van 16 juni 2026 overgelegd. [appellanten sub 1] betogen dat de nieuwe bebouwing met 69 woningen disproportioneel in omvang is in relatie tot het dorpskarakter van de omgeving. De bouw- en goothoogten en de mogelijke dakvormen van de nieuwe bebouwing leiden, ook met de in het herstelplan voorgeschreven dakhellingen en dakkapellen, tot een inbreuk op hun woon- en leefklimaat door een vermindering van intredend dag- en zonlicht. Ook uit het bezonningsrapport van Peutz, dat bij het herstelplan is gevoegd, volgt dat bij hun woning niet aan de bezonningsnorm wordt voldaan. Bovendien is Peutz er ten onrechte van uitgegaan dat alle ramen aan de straatzijde tot de woonkamer behoren. Het college heeft hun belangen niet zorgvuldig afgewogen, zo voeren [appellanten sub 1] aan. 8.1. Op grond van artikel 35.3 van de regels van het bestemmingsplan is het college bevoegd de bestemmingen van de gronden ter plaatse van de aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" te wijzigen in de bestemmingen "Bedrijf", "Centrum", "Detailhandel", "Dienstverlening", "Groen", "Kantoor", "Maatschappelijk", "Tuin/ Tuin- 1", "Verkeer - Verblijfsgebied", "Water" en/of "Wonen". Hiervoor gelden de in die bepaling vermelde wijzigingsvoorwaarden. Voor zover relevant gaat het om de volgende voorwaarden: - het dorpskarakter blijft behouden; - de toegestane situering en de toegestane goothoogten en/of bouwhoogte van de bebouwing blijven gehandhaafd. In afwijking daarvan is een andere situering en bouwhoogte tot 15 m toegestaan, mits uit een inrichtings- en/of verkavelingsplan blijkt dat de nieuwbouw stedenbouwkundig zorgvuldig wordt afgestemd op de omgeving; - er treedt geen onevenredige hinder (bezonning en privacy) op voor de omliggende bestaande woningen. 8.2. Het herstelplan kent aan de plangronden de bestemmingen "Centrum", "Verkeer - Verblijfsgebied" en "Groen" toe. Bij de vaststelling van het bestemmingplan in 2014 heeft de raad van de gemeente onder voorwaarden een maximale bouwhoogte van 15 m aanvaardbaar geacht. Daar is indertijd niet in beroep tegen opgekomen. Die hoogte staat dus onder voorwaarden in rechte vast. De met het herstelplan mogelijk gemaakte bebouwing overstijgt het maximum van 15 m niet. Dit is in zoverre in overeenstemming met de ter plaatse geldende aanduiding "wetgevingszone - wijzigingsgebied 2" en de desbetreffende wijzigingsvoorwaarde. 8.3. Over de vraag of het herstelplan past in de dorpse omgeving overweegt de Afdeling het volgende. In de plantoelichting staat dat de nieuwe bebouwing op nagenoeg dezelfde plaats komt te staan als de huidige bebouwing. De hoogte van de bebouwing in het plangebied sluit aan de oostkant aan op de recent ontwikkelde De Hooghe Heerlijckheid, aan de westkant op het profiel van de Maasstraat en de woningen daar en aan de Werkersdijk op de huidige bebouwing. De bouwmogelijkheden binnen het plangebied variëren van twee tot drie lagen met kap. Hoogteaccenten komen als entree van het centrum op de kruising van de Dorpsdijk en de Rijsdijk; hier is binnen de maximale hoogte van 15 m bebouwing met vier lagen en een kap mogelijk. De overige maximale bouwhoogten in het plangebied zijn 3, 4, 10 en 13 m. De met het herstelplan mogelijk gemaakte bebouwing is deels hoger dan de bebouwing die planologisch mogelijk is op de gronden rondom het plangebied. Dit maakt echter niet dat het college om die reden niet voor de omvang van de nieuwe bebouwing heeft mogen kiezen. Het college komt bij deze keuze beleidsruimte toe. In de directe omgeving mag op meer plaatsen tot 10 of 12 m hoog worden gebouwd. De hoogte die met het herstelplan maximaal mogelijk is gemaakt, wijkt daar beperkt van af. De woningen aan onder meer de Maasstraat en Pieter de Raedtstraat mogen 11 m hoog worden. De nieuwbouw aan die zijde is maximaal 10 m en 13 m hoog. De woning van [appellanten sub 1] mag 10 m hoog worden. De nieuwbouw aan de overzijde is ook op 10 m gemaximeerd. Aan de andere zijde mogen de woningen in het project De Hooghe Heerlijckheid 15 m hoog worden, met daarbij een afwijkingsmogelijkheid van 10%. De plandelen van het herstelplan waar een hoogte van 15 m, zonder afwijkingsbevoegdheid, mogelijk is gemaakt, bevinden zich aan die zijde. Bij zijn beoordeling of de nieuwbouw past in de dorpse omgeving heeft het college het beleid in het beeldkwaliteitsplan betrokken. Daaruit volgen als belangrijke kenmerken schaal, herkenbaarheid, leesbaarheid en gastvrijheid. Dit wordt bereikt door een kleine bebouwingskorrel, afleesbare panden, klassieke gevelopbouw en dorpskarakter. Dat beleid voorziet verder in aansluiting bij de korrelgrootte van de lintbebouwing van maximaal 15 m. Ook gaat het beeldkwaliteitsplan uit van vier bouwlagen, waarbij de vierde laag terugspringend is. In het herstelplan is hieraan met een maximale dakhellingshoek van 55 graden voor de bebouwing aan de noordoostzijde invulling gegeven. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het herstelplan past binnen het beleid in het beeldkwaliteitsplan. Over het stedenbouwkundig rapport van Buro SRO overweegt de Afdeling allereerst dat dit ziet op de bouwmogelijkheden uit het wijzigingsplan. Buro SRO is uitgegaan van aannames, zoals het ontbreken van een dakhellingshoek en de toepassing van de afwijkingsbevoegdheid. In het herstelplan is een dakhellingshoek toegevoegd en is de afwijkingsbevoegdheid geschrapt. Er kan dus niet onverkort van het rapport worden uitgegaan. Buro SRO heeft in zijn nadere reactie aangegeven dat zijn conclusie dat het plan door de forse bouwmassa niet zorgvuldig op de omgeving is afgestemd, ook wat betreft het herstelplan niet anders is. Het college komt beleidsruimte toe bij de uitleg of de nieuwe bebouwing in het dorpskarakter past. Wat het dorpskarakter is, is niet vastomlijnd en is aan verandering onderhevig. Niet in geschil is dat de nieuwe bebouwing groter in omvang is dan de omliggende bestaande bebouwing. Buro SRO vindt de bebouwing onder meer te omvangrijk en te abrupt voor de planlocatie. Dat maakt echter niet dat de bebouwing uit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar is. Passendheid wil niet zeggen dat de bebouwing van dezelfde omvang moet zijn. Het college heeft een eigen afweging gemaakt. Het heeft de bebouwing niet te fors of te abrupt geacht. Het gaat hier om de dorpskern van Rhoon. In de omgeving komt bebouwing voor die feitelijk dan wel planologisch vergelijkbaar is. Daarop is de Afdeling hiervoor al ingegaan. De kanttekeningen van Buro SRO zijn niet dusdanig dat tot het oordeel moet worden gekomen dat het college de nieuwe bebouwing ter plaatse ruimtelijk niet aanvaardbaar heeft kunnen achten. Het college heeft de bouwmassa hier passend bij het dorpskarakter kunnen achten. De betogen slagen niet. 8.4. Over de vraag of het herstelplan leidt tot onevenredige hinder voor omwonenden overweegt de Afdeling het volgende. De afstand van de nieuwe bebouwing met drie bouwlagen tot de zijkant van omliggende woningen is ten minste 11 m. De afstand tot de voorzijde van de woning van [appellanten sub 1] is ongeveer 8 m. Hier kan tot 10 m hoog worden gebouwd, met twee dakkapellen in het dakvlak. Daar waar vier bouwlagen kunnen komen, is de afstand ten minste 15 m tot de dichtstbijzijnde woning. Enige inkijk vanuit de nieuwe bebouwing is niet uitgesloten, maar dit is in een verstedelijkte dorpsomgeving niet ongebruikelijk. Ook het bestemmingsplan maakte, weliswaar in mindere mate, al dergelijke bebouwing mogelijk. Dat de privacy van de omwonenden door de bebouwing die met het herstelplan mogelijk is gemaakt, onevenredig wordt aangetast, hebben [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] niet aannemelijk gemaakt en de Afdeling ziet voor dat oordeel ook geen aanknopingspunten. De nieuwe bebouwing zal enige gevolgen hebben voor de lichtinval in de omliggende woningen. Het college heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat niet valt in te zien dat de vermindering van lichtinval, gelet op de tussengelegen afstanden, onaanvaardbaar groot zal zijn. Naar de gevolgen voor de bezonning is bezonningsonderzoek gedaan. Als bijlage 1 is bij de toelichting van het herstelplan het bezonningsonderzoek ‘Dorpsdijk te Rhoon’ van Peutz van 26 januari 2026 gevoegd. Peutz heeft een uiteenzetting gegeven van de wijze waarop de gevolgen voor de bezonning zijn beoordeeld. Toepassing is gegeven aan (een versie van) de zogenoemde lichte TNO-norm. Peutz heeft haar beoordeling met name toegespitst op de woning van [appellanten sub 1] aan de Werkersdijk 4 en de woningen aan de Dorpsdijk. De gevolgen voor de bezonning bij de verder weg gelegen woningen zijn minder kritisch. Peutz komt tot de conclusie dat de bezonning op de ramen van de woning Werkersdijk 4 op de begane grond op 21 oktober niet geheel voldoet aan het criterium van minimaal twee zonuren op de helft van het raam (bezonningscriterium). Als de bezonning van de ramen wordt opgeteld, wordt volgens haar op die datum wel voldaan aan het bezonningscriterium. Op de andere onderzochte data wordt zonder meer aan het bezonningscriterium voldaan. Dit laatste geldt ook voor de woningen aan de Dorpsdijk, behalve op 21 oktober bij enkele woningen op de onderste bouwlaag waar op die datum op ongeveer een derde deel van de ramen sprake is van minimaal twee zonuren. Ook wordt bij enkele terugliggende ramen niet voldaan aan het bezonningscriterium. [appellant sub 2] en anderen hebben tegen deze conclusies niets ingebracht. [appellanten sub 1] hebben erop gewezen dat Peutz er ten onrechte van is uitgegaan dat alle ramen op de begane grond aan de straatzijde tot de woonkamer behoren. Omdat niet volledig wordt voldaan aan het bezonningscriterium, heeft het college een nadere motivering gegeven. Het college heeft daarin in algemene zin gewezen op het verstedelijkte gebied waar minder hoge eisen aan de bezonning kunnen worden gesteld, op de met het herstelplan te verkrijgen kwaliteitsverbetering van het gebied en, gelet op de grote vraag naar woningen, op het volkshuisvestingsbelang. Voor de woning Werkersdijk 4 heeft het college er daarnaast op gewezen dat in de periode van 21 maart tot en met 21 september wel wordt voldaan aan het bezonningscriterium. Aan de omstandigheid dat het college zich in navolging van Peutz ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat alle ramen beneden tot de woonkamer behoren, komt niet het gewicht toe dat [appellanten sub 1] daaraan geven. Het college heeft immers een afweging gemaakt en heeft meer gewicht kunnen toekennen aan de andere met de woningbouw betrokken belangen dan aan het belang dat is gemoeid met de geringe onderschrijding van het bezonningscriterium. Voor de woningen op de begane grond aan de Dorpsdijk (De Hooghe Heerlijckheid) wijst het college erop dat de afwijking op 21 oktober beperkt is, namelijk anderhalf in plaats van twee uur. Ook hier wordt in de periode van 21 maart tot en met 21 september aan het bezonningscriterium voldaan. Voor zover op de verdiepingen van de woningen aan de Dorpsdijk bij een aantal terugliggende ramen op 21 oktober niet aan het bezonningscriterium wordt voldaan, wijst het college erop dat de desbetreffende woningen ook ramen bij de woonkamer hebben waar wel op 21 oktober aan het bezonningscriterium wordt voldaan. Het college heeft zich daarmee op het standpunt kunnen stellen dat de gevolgen voor de bezonning bij de omliggende woningen niet onaanvaardbaar en daarmee niet onevenredig in de zin van de wijzigingsvoorwaarde zijn. De betogen slagen niet. Verkeersbestemming 9. [appellanten sub 1] betogen verder dat het herstelplan ten onrechte tot een versmalling van de verkeersbestemming voor de Werkersdijk leidt. Het trottoir en de rijbaan zijn al smal. Er kan dichter tegen de Werkersdijk aan worden gebouwd. Hun belangen worden daarmee geschaad. Ook met de gevolgen daarvan voor het verkeer heeft het college geen rekening gehouden. 9.1. Uit een vergelijking van de verbeeldingen van enerzijds het bestemmingsplan en anderzijds het herstelplan kan niet worden opgemaakt dat het plandeel met de verkeersbestemming tussen de woning van [appellanten sub 1] en de nieuwe bebouwing in het gebied van het herstelplan is versmald. Zoals het college in het verweerschrift heeft gesteld, is de afstand tot aan het bouwvlak van het herstelplan zelfs beperkt groter geworden in vergelijking met het bouwvlak in het bestemmingsplan. Aan de desbetreffende gronden is de bestemming "Centrum" zonder bouwvlak toegekend. Het herstelplan maakt het niet mogelijk om op die strook op termijn woonbebouwing te realiseren, zoals [appellanten sub 1] vrezen. Het betoog slaagt niet. Alternatief 10. [appellant sub 2] en anderen voeren aan dat lagere bebouwing bij wijze van alternatief ook financieel uitvoerbaar is. Dat bewijst het bouwproject aan de Vinkstraat en de Spechtstraat. Daarom had daarvoor moeten worden gekozen. Het college acht kennelijk het rendement voor de grondeigenaar belangrijker dan de belangen van de omwonenden, zo stellen [appellant sub 2] en anderen. 10.1. Het college moet bij de keuze van een bestemming een afweging maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft het college beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. [appellant sub 2] en anderen hebben de door hen gewenste lagere bebouwing in het plangebied genoemd, maar hebben geen concreet plan daarvoor ingebracht. Een enkele verwijzing naar andere projecten is ontoereikend. Het plan zoals nu is vastgesteld, is door Kavel Vastgoed III ingebracht en voor haar financieel uitvoerbaar. Of dat ook zo is met de door [appellant sub 2] en anderen bedoelde lagere bebouwing, is niet duidelijk. Bovendien leidt lagere bebouwing tot minder woningen, wat in mindere mate tegemoetkomt aan het volkshuisvestingsbelang. Verder heeft de Afdeling hierboven al overwogen dat het college voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van de omwonenden en het herstelplan in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft kunnen achten. Het college heeft niet voor het alternatief met lagere bebouwing hoeven kiezen. Het betoog slaagt niet. Conclusie over de beroepen tegen het herstelbesluit 11. De beroepen van rechtswege tegen het herstelbesluit zijn ongegrond. Beroepen tegen het besluit van 10 september 2024 12. Met het herstelbesluit heeft het college erkend dat de regeling voor de bouwmogelijkheden in het wijzigingsplan niet correct was. Het besluit van 10 september 2024 is in strijd met de zorgvuldigheid vastgesteld. Gelet op wat [appellant sub 2] en anderen en [appellanten sub 1] hebben aangevoerd, ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het besluit van 10 september 2024 is genomen in strijd met artikel 3:2 van de Awb. De beroepen zijn gegrond, zodat dat besluit moet worden vernietigd. 13. Naast wat de Afdeling hiervoor over het herstelplan heeft overwogen en ongegrond heeft geacht, resteren geen andere, onbesproken gebleven beroepsgronden, gericht tegen het besluit van 10 september 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 10 september 2024 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. Deze instandlating laat onverlet dat het wijzigingsplan inmiddels door het herstelplan op onderdelen is aangepast. Dit betekent dat het wijzigingsplan luidt zoals gewijzigd met het herstelplan. Proceskosten en griffierecht 14. Het college moet de proceskosten van [appellanten sub 1] vergoeden. Van [appellant sub 2] en anderen is niet van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, gebleken. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1Bj en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard van 10 september 2024 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Dorpsdijk Rhoon" gegrond; II. vernietigt dat besluit; III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard van 10 september 2024 geheel in stand blijven; IV. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellant sub 2] en anderen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard van 24 februari 2026 tot vaststelling van het wijzigingsplan "Dorpsdijk Rhoon" ongegrond; V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard tot vergoeding van bij [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van: a. € 187,00 aan [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. € 187,00 aan [appellant sub 2] en anderen, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, griffier. w.g. Kaajan voorzitter w.g. Bechinka griffier Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026 371