Rechtspraak Raad van State 2026-01-28
ECLI:NL:RVS:2026:472
202503035/1/A2. Datum uitspraak: 28 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], gevestigd in [plaats], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 24 april 2025 in zaak nr. 22/2802 in het geding tussen: [appellant] en het bestuur van de raad voor rechtsbijstand. Procesverloop Bij besluit van 13 april 2022 heeft de raad de aan [partij] verleende toevoeging ingetrokken. Bij besluit van 4 oktober 2022 heeft de raad het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 herroepen en daarmee de toevoeging in stand gelaten. Bij uitspraak van 24 april 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra en mr. P.S.J. de Koning, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij] gehoord. Overwegingen Inleiding 1. Op 26 augustus 2019 heeft [appellant] namens [partij] bij de raad een aanvraag ingediend om een toevoeging voor rechtsbijstand voor een arbeidsgeschil van [partij]. Bij besluit van 30 augustus 2019 heeft de raad deze aanvraag ingewilligd. Bij vonnis van 12 januari 2022 heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant [partij] in het gelijk gesteld en, voor zover hier van belang, de voormalige werkgever van [partij] veroordeeld tot betaling van het achterstallige loon en de proceskosten van [partij]. Wettelijk kader 2. Artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) luidt: Tenzij zwaarwegende omstandigheden zich daartegen verzetten, wordt de toevoeging met terugwerkende kracht ingetrokken, indien: (…) b. op het moment van de definitieve afhandeling van de zaak waarvoor die toevoeging was verleend de rechtzoekende als resultaat van die zaak een vordering met betrekking tot een geldsom ter hoogte van tenminste 50% van het drempelbedrag, genoemd in artikel 9.4a, eerste lid, onderdeel a, van de Wet inkomstenbelasting 2001 heeft. Besluitvorming 3. Bij aanvraag van 21 februari 2022 heeft [appellant] de raad verzocht om vergoeding van de door hem verleende rechtsbijstand aan [partij] en daarbij een financieel resultaat vermeld van € 26.838,00. Bij brief van 1 april 2022 heeft de raad [partij] geïnformeerd over het voornemen om de toevoeging in te trekken. Hierop heeft [partij] een zienswijze naar voren gebracht. Bij besluit van 13 april 2022 heeft de raad de toevoeging ingetrokken omdat [partij] een vordering heeft op een geldsom die boven het drempelbedrag ligt. 4. De raad heeft bij het besluit van 4 oktober 2022 het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 13 april 2022 herroepen en de aan [partij] verstrekte toevoeging in stand gelaten. De raad heeft vastgesteld dat [partij] naar aanleiding van de gevoerde procedure een geldbedrag van € 16.370,27 heeft gekregen. Dit bedrag ligt boven het drempelbedrag van € 15.873,50 en dit zou in beginsel betekenen dat op grond van artikel 34g, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wrb, de toevoeging wordt ingetrokken. De raad concludeert echter dat niet alle ontvangen bedragen tot het resultaat mogen worden gerekend en dat het resultaat van de procedure € 15.577,52 bedraagt. Omdat dit lager is dan het drempelbedrag, wordt de toevoeging niet ingetrokken. 5. [appellant] kon zich met dit besluit niet verenigen en heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Aangevallen uitspraak 6. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard en geoordeeld dat de raad terecht de door de rechtbank aan [partij] toegekende proceskosten in mindering heeft gebracht op het resultaat van de procedure. Beoordeling van het hoger beroep 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank het besluit van de raad o