Rechtspraak Raad van State 2026-01-28
ECLI:NL:RVS:2026:467
202407679/1/A2. Datum uitspraak: 28 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs (hierna: OMO), gevestigd in Tilburg, appellante, en de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 18 april 2024 heeft de minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs de aanvraag van OMO om een cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs in aanmerking te brengen voor bekostiging, afgewezen. Bij besluit van 7 november 2024 heeft de staatssecretaris het door OMO daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft OMO beroep ingesteld. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. OMO heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 oktober 2025, waar OMO, vertegenwoordigd door mr. E.M. Koolhaas, bijgestaan door mr. N.J.A.P.B. Niessen en mr. C.J.J. Bottemanne, advocaten in Eindhoven, tezamen met S. Bron van adviesbureau Decisio, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. van Hattum, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. OMO is het bevoegd gezag van het Sondervick College in Veldhoven. Onderdeel van het Sondervick College is de Sondervick International School (hierna: SIS). OMO biedt daar onder meer internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs (hierna: IGVO) aan. 2. Onder het IGVO vallen onder meer het International Baccalaureate Middle Years Programme (hierna: IB MYP), het International Baccalaureate Diploma Programme (hierna: IB DP) en het International Baccalaureate Career Programme (hierna: IB CP). Het IB MYP duurt vier of vijf jaar en is te vergelijken met de onderbouw van de middelbare school. Het IB DP en IB CP zijn alternatieve programma’s van de bovenbouw voor een duur van twee jaar. Het IB DP is gericht op algemene vorming, terwijl het IB CP is gericht op beroepsvorming. 3. De SIS beoogt aanvullend te zijn op het aanbod van de International School Eindhoven (ISE), waar IB MYP en IB DP worden aangeboden maar geen IB CP. Op de SIS wordt daarom alleen het IB MYP en IB CP aangeboden. 4. De relevante regelgeving staat in de bijlage van deze uitspraak. Besluitvorming 5. Volgens de staatssecretaris voldoet de aanvraag van OMO niet aan de vereisten van de Beleidsregel IGVO 2021 (hierna: de beleidsregel). Hij kan niet redelijkerwijs aannemen dat de door de SIS beoogde cursussen IB MYP en IB CP na zes en tien jaar door ten minste 120 toelaatbare leerlingen zullen worden gevolgd (zie artikel 3 en artikel 9 van de beleidsregel). OMO heeft een prognose van onderzoeks- en adviesbureau Decisio overgelegd. In de prognose van 765 potentiële leerlingen na tien jaar is volgens de staatssecretaris geen onderscheid gemaakt tussen het aantal potentiële IB DP-leerlingen en IB CP-leerlingen. De staatssecretaris wijst erop dat OMO geen IB DP aanbiedt. Het is niet duidelijk hoeveel leerlingen van het potentieel specifiek belangstelling zal hebben voor IB CP en dat zullen volgen. Op basis van data van andere scholen waar IGVO wordt aangeboden, neemt de staatssecretaris aan dat het aandeel IB CP-leerlingen, van de totale groep van IB CP- en IB DP-leerlingen, 10 procent is. Verder heeft het uitsluitend aanbieden van IB CP in de bovenbouw invloed op het aantal leerlingen, dat op de SIS het IB MYP zal (willen) volgen. Dit zou betekenen dat er slechts 10 procent van de 765 door OMO geprognotiseerde leerlingen, dus 77 leerlingen, zijn die de cursus na tien jaar zullen volgen. 6. Dat de SIS is gevestigd in de Brainportregio, waar veel internationale (technologische) bedrijven gevestigd zijn, betekent verder niet dat er voldoende leerlingen zijn die de combinatie van IB MYP en IB CP zullen volgen. Dat is met de overgelegde prognose niet aangetoond. Beroep 7. OMO voert primair aan dat de bij haar aanvraag overgelegde prognose van het aantal leerlingen voldoende behoefte aan haar aanbod, als bedoeld in de beleidsregel, va 17. De staatssecretaris is niet uitgegaan van het aldus bepaalde leerlingenpotentieel, maar heeft gewezen op beschikbare data van het Rijnlands Lyceum te Den Haag en scholen van de stichting Esprit, gevestigd te Amsterdam, waar IB CP en ook IB DP worden aangeboden op dezelfde school. Hieruit blijkt volgens de staatssecretaris dat het aandeel IB CP-leerlingen in het totaal van IB CP- en IB DP-leerlingen op die scholen 10 procent bedraagt. De staatssecretaris heeft daarom het aandeel van 10 procent toegepast op het in de prognose berekende potentieel van OMO, dus na de stap in de prognose dat de bestaande capaciteit van IB DP-leerlingen van de ISE in mindering is gebracht op het IB CP-leerlingenpotentieel van OMO. 18. Naar het oordeel van de Afdeling gaat de staatssecretaris met deze vergelijking eraan voorbij dat dan tweemaal rekening wordt gehouden met dezelfde IB DP-leerlingen. Het aandeel van 10 procent van de staatssecretaris ziet namelijk op het aantal IB CP-leerlingen binnen het totaal van IB CP- en IB DP-leerlingen. Dat aandeel kan niet onverkort toegepast worden op de prognose van OMO, omdat daarin reeds de IB DP-leerlingen van de ISE in mindering gebracht zijn op het potentieel. Na aftrek van deze IB DP-leerlingen kan het aandeel IB CP-leerlingen binnen het berekende potentieel van OMO niet maar 10 procent zijn. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de staatssecretaris alleen al hierom onvoldoende gemotiveerd dat uit de prognose van OMO niet blijkt dat haar aanbod van IB MYP en IB CP door voldoende leerlingen gevolgd zal worden. 19. Het betoog slaagt. Conclusie 20. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 7 november 2024 wegens een motiveringsgebrek. Zij zal de staatssecretaris opdragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, met inachtneming van haar uitspraak. De staatssecretaris zal opnieuw moeten beoordelen of OMO met de overgelegde prognose aannemelijk heeft gemaakt dat haar aanbod door voldoende leerlingen gevolgd zal worden. 21. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 7 november 2024, kenmerk BC2400168; III. draagt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap op om binnen twaalf weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van wat in deze uitspraak is overwogen; IV. veroordeelt de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00 welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; V. gelast dat de staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het door de Vereniging Ons Middelbaar Onderwijs betaalde griffierecht ten bedrage van € 371,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzitter, en mr. B.P. Vermeulen en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Schuurman, griffier. w.g. Daalder voorzitter w.g. Schuurman griffier Uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2026 284-1100 Bijlage - Regelgeving Beleidsregel IGVO 2021 [Geldend van 1-8-2022 t/m 31-7-2024] Artikel 1 In deze beleidsregel wordt verstaan onder: […] cursus internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs: IB CP, IB DP, IB MYP of een cursus die gericht is op het behalen van het IGCSE; […] Artikel 2 1. Deze beleidsregel heeft betrekking op de wijze waarop de Minister gebruikmaakt van de bevoegdheid tot het voor bekostiging in aanmerking brengen van cursussen internationaal georiënteerd voortgezet onderwijs. 2. Voor bekostiging kunnen in aanmerking worden gebracht een cursus IB MYP en een cursus IB CP gezamenlijk of een cursus IB MYP en een cursus IB DP gezamenlijk. Artikel 3 1. Het bevoegd gezag v