Rechtspraak Raad van State 2026-01-28
ECLI:NL:RVS:2026:462
202205662/1/R4. Datum uitspraak: 28 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Utrecht, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank MiddenNederland van 8 augustus 2022 in zaak nr. 21/937 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Procesverloop Bij besluit van 6 augustus 2020 heeft het college het verzoek van [appellant] om de omgevingsvergunning van 21 september 2011 van de woningcorporatie Stichting Mitros (nu: Stichting Woonin, hierna: Mitros) in te trekken en handhavend op te treden tegen Mitros, afgewezen. Bij besluit van 28 januari 2021 heeft het college op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar besloten en het besluit van 6 augustus 2020 in stand gelaten. Bij uitspraak van 8 augustus 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 12 december 2025, waar het college, vertegenwoordigd door N. van Polanen, is verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om een omgevingsvergunning in te trekken of een verzoek om handhaving van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op dat verzoek onherroepelijk wordt. Het verzoek om de omgevingsvergunning in te trekken en om te handhaven is gedaan op 7 juni 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Bij besluit van 21 september 2011 heeft het college aan Mitros op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo een omgevingsvergunning verleend voor het verwijderen van asbesthoudende materialen en het vervangen van gevelkozijnen en dakkapellen in een groot aantal woningen in Utrecht. Voorafgaand aan dit besluit, op 22 juni 2011, hebben de gemeente Utrecht en Mitros een convenant gesloten. Daarbij is, samengevat, overeengekomen dat een groot deel van de asbestinventarisaties na de verlening van de omgevingsvergunning, voor het uitvoeren van de werkzaamheden, worden uitgevoerd. Op 7 juni 2020 heeft [appellant] het college verzocht om de omgevingsvergunning van 21 september 2011 in te trekken en over te gaan tot handhaving. Het verzoek ging over de activiteit ‘slopen’. Volgens [appellant] was de aanvraag om een omgevingsvergunning op dit punt niet compleet. De omgevingsvergunning moest daarom ingetrokken worden, waarna het college volgens [appellant] moest handhaven. Het horen van getuigen 3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft afgezien van het horen van getuigen. Hij heeft voorafgaand aan de zitting de rechtbank verzocht om drie medewerkers van de gemeente en twee medewerkers van Mitros als getuigen op te roepen. De rechtbank heeft dit verzoek ten onrechte afgewezen, aldus [appellant]. 3.1. De Afdeling overweegt dat de rechtbank het verzoek om getuigen te horen heeft afgewezen omdat zij van oordeel was dat het horen van deze personen redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de zaak. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de rechtbank niet tot dat oordeel kon komen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank het verzoek ten onrechte heeft afgewezen. Het betoog slaagt niet. Onvolledige aanvraag 4. [appellant] betoogt dat Mitros bij de aanvraag drie analysecertificaten van kleefmonste