Rechtspraak Raad van State 2026-08-05
ECLI:NL:RVS:2026:4573
Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) het verzoek van [appellant] om een eerdere weigering van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) te herzien afgewezen. [appellant] heeft op 27 juli 2021 een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij op 29 december 2020 met een hondenriem is mishandeld door zijn buurman en daaraan letsel heeft overgehouden. De CSG heeft op 7 maart 2022, gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2022, geweigerd om aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. De reden hiervoor is dat [appellant] aan de mishandeling geen ernstig fysiek of psychisch letsel heeft overgehouden. [appellant] heeft op 19 april 2023 de CSG verzocht om de hiervoor aangehaalde weigering van de uitkering uit het Schadefonds te herzien. Daarbij heeft hij nieuwe medische informatie van neuroloog J. Hoff van 6 april 2023 overgelegd. De CSG heeft op 16 augustus 2023 het herzieningsverzoek afgewezen, omdat het letsel niet als ernstig kan worden aangemerkt. 202502630/1/A2. Datum uitspraak: 5 augustus 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 maart 2025 in zaak nr. 23/6476 in het geding tussen: [appellant] en Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG). Procesverloop Bij besluit van 16 augustus 2023 heeft de CSG het verzoek van [appellant] om een eerdere weigering van een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (Schadefonds) te herzien afgewezen. Bij besluit van 10 november 2023 heeft de CSG het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard en het besluit van 16 augustus 2023 herroepen. Bij mondelinge uitspraak van 18 maart 2025 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 13 juli 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. J.J. Weldam, advocaat in Utrecht, beiden aanwezig via een videoverbinding, en de CSG, vertegenwoordigd door mr. Y. Pieters, zijn verschenen. Overwegingen 1. [appellant] heeft op 27 juli 2021 een uitkering uit het Schadefonds aangevraagd, omdat hij op 29 december 2020 met een hondenriem is mishandeld door zijn buurman en daaraan letsel heeft overgehouden. 2. De CSG heeft op 7 maart 2022, gehandhaafd bij besluit van 4 juli 2022, geweigerd om aan [appellant] een uitkering uit het Schadefonds toe te kennen. De reden hiervoor is dat [appellant] aan de mishandeling geen ernstig fysiek of psychisch letsel heeft overgehouden. 3. [appellant] heeft op 19 april 2023 de CSG verzocht om de hiervoor aangehaalde weigering van de uitkering uit het Schadefonds te herzien. Daarbij heeft hij nieuwe medische informatie van neuroloog J. Hoff van 6 april 2023 overgelegd. 4. De CSG heeft op 16 augustus 2023 het herzieningsverzoek afgewezen, omdat het letsel niet als ernstig kan worden aangemerkt. 5. Vervolgens heeft de CSG op 10 november 2023 besloten het bezwaar niet-ontvankelijk te verklaren. Daarbij heeft zij erop gewezen dat over de oorspronkelijke beslissing, waarbij de aanvraag van 27 juli 2021 is afgewezen, nog een procedure loopt bij de Afdeling. Daarmee is de oorspronkelijke beslissing nog niet onherroepelijk. De nieuw toegestuurde informatie maakt daarmee onderdeel uit van het hoger beroep. De CSG concludeert daarom dat zij ten onrechte de nieuwe medische informatie heeft aangemerkt als een verzoek om herziening en dat daarop ten onrechte een beslissing is genomen. Zij heeft daarom de eerdere beslissing van 16 augustus 2023 herroepen. Uitspraak van de rechtbank 6. De rechtbank heeft vanwege het ontbreken van procesbelang het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het resultaat van de beoordeling van de medische informatie van 6 april 2023 heeft [appellant] al bereikt, omdat de Afdeling de medische informatie al heeft betrokken in haar uitspraak over de oorspronkelijke besluitvorming. De pas tijdens de zitting gestelde nieuwe medische informatie kan [appellant] volgens de rechtbank in een (eventueel) nieuw herzieningsverzoek aan de CSG voorleggen. Oordeel van de Afdeling 7. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen procesbelang heeft. Om geen procesbelang te hebben moet volgens hem vaststaan dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn. Hij stelt nieuwe medische informatie te hebben waaruit blijkt dat hij ernstig psychisch letsel heeft overgehouden aan het misdrijf. 7.1. Procesbelang is het belang dat een appellant heeft bij de uitkomst van een procedure. Dit betekent dat het doel dat de appellant voor ogen staat met het rechtsmiddel kan worden bereikt en voor de appellant van feitelijke betekenis is. Degene die opkomt tegen een besluit heeft belang bij een beoordeling van diens rechtsmiddel, tenzij vast komt te staan dat ieder belang bij de procedure ontbreekt of is vervallen. Als er geen procesbelang (meer) bestaat, is het rechtsmiddel niet-ontvankelijk. De vraag of er procesbelang is, wordt beantwoord naar de stand van zaken op het moment van de uitspraak. 7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank ten onrechte geen procesbelang aangenomen. Met het oordeel van de rechtbank dat de nieuwe medische informatie door de Afdeling in de oorspronkelijke procedure al is betrokken, heeft zij niet onderkend dat de rechtbank gevraagd werd een oordeel te geven over de vraag of de beslissing op bewaar in de heroverwegingsprocedure stand hield. Ter zitting is komen vast te staan dat de CSG de mogelijkheid aanvaardt dat in bezwaar nader bewijs wordt gepresenteerd, eventueel ook ter zitting van de bezwaarschriftencommissie. Een beoordeling van de vraag of de besluitvorming in bezwaar goed is verlopen, is een andere dan de vraag die bij de Afdeling voorlag. Van belang hierbij is dat [appellant] in bezwaar mogelijk nog nader medisch bewijs over had willen leggen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte afgezien van een inhoudelijke beoordeling van het beroep. 7.3. Het betoog slaagt. Conclusie hoger beroep 8. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij betrekt de Afdeling ook het debat zoals dat door partijen in hoger beroep over de gronden in beroep is gevoerd. Beoordeling van het beroep 8.1. [appellant] betoogt dat de CSG het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard en het besluit van 16 augustus 2023 heeft herroepen. Daarbij wijst hij erop dat het bestuursorgaan in bezwaar een volledige heroverweging verricht. 8.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de CSG het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard onder verwijzing naar de bij de Afdeling aanhangige procedure over het oorspronkelijke besluit. Ook heeft zij als gevolg daarvan ten onrechte het besluit van 16 augustus 2023 herroepen zonder een nieuw besluit te nemen. Daarbij overweegt de Afdeling als volgt. 8.3. Het enkele feit dat de nieuwe medische informatie in de oorspronkelijke procedure nog betrokken kon worden door de Afdeling, betekent in dit geval niet dat de CSG kon afzien van een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar en dat bezwaar niet-ontvankelijk kon verklaren. Dat er bij de Afdeling nog een procedure aanhangig was over de oorspronkelijke besluitvorming, staat immers het indienen van een herzieningsverzoek niet in de weg, waarop vervolgens een besluit moet worden genomen. Wel kan in dat geval bij het ontbreken van nieuwe feiten en omstandigheden toepassing worden gegeven aan artikel 4:6 van de Awb. Vergelijk de uitspraken van de Afdeling van 2 augustus 2005, ECLI:NL:RVS:2005:1, onder 2.5.1-2.5.2 en 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1578, onder 6.1-6.2. 8.4. Daar komt bij dat op grond artikel 7:11, tweede lid, van de Awb het bestuursorgaan, voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, het bestreden besluit herroept en dat het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit neemt.