Rechtspraak Raad van State 2026-07-27
ECLI:NL:RVS:2026:4340
Bij besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat krachtens de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat van België naar Nederland. Overdie Fines is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Overdie Fines wil 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van Veolia Treatment & Recycling BE N.V. in België. Overdie Fines heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2026. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de geplande overbrenging en verwerking van het concentraat niet kunnen beginnen als gevolg van het besluit. 202601644/1/R4. Datum uitspraak: 27 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen: Overdie Fines B.V., gevestigd in Alkmaar, verzoekster, en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris krachtens de Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (PB 2006 L 190/1; EVOA) bezwaar gemaakt tegen de overbrenging van 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat van België naar Nederland. Tegen dit besluit heeft Overdie Fines bezwaar gemaakt. Overdie Fines heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek gevoegd met het verzoek in zaak nr. 202601646/1/R4 op een zitting behandeld op 16 juli 2026, waar Overdie Fines, vertegenwoordigd door mr. R.G.J. Laan, advocaat in Hoorn, [gemachtigden], en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. K. Ulmer en L. Barendregt, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Inleiding 2. Overdie Fines is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het recyclen van non-ferrometalen uit afvalstoffen. Overdie Fines wil 6.000 ton non-ferrometaalconcentraat afnemen van Veolia Treatment & Recycling BE N.V. in België. Het concentraat is een mengsel van non-ferrometalen, mineralen en slib. Dit mengsel is afkomstig uit bodemassen. Bodemassen komen vrij bij de verbranding van afval in afvalenergiecentrales en bevatten verschillende stoffen zoals ferro- en non-ferrometalen en mineralen die nuttig toegepast kunnen worden. Veolia zeeft, maalt en scheidt bodemassen in verschillende fracties zoals het non-ferroconcentraat. Veolia heeft een kennisgeving gedaan voor 300 overbrengingen van België naar Overdie Fines in Alkmaar in de periode van 1 maart 2026 tot en met 28 februari 2029. Na ontvangst van het non-ferroconcentraat zeeft en wast Overdie Fines het en scheidt zij het in fracties van zwaar metaal, aluminium, slib en mineralen zoals steen, glas en keramiek. De mineralenfractie wordt door Kok Lexmond B.V. opgewerkt tot bouwstof voor in de wegenbouw. Opslag vindt plaats bij Reststoffen Centrale Alkmaar B.V. Volgens de informatie die Overdie Fines bij haar kennisgeving heeft overgelegd, gebeurt dit volgens de eisen in het normdocument BRL 2506-2 "Recyclinggranulaten" van 15 juli 2019 (BRL 2506-2). Bij het besluit van 6 mei 2026 heeft de staatssecretaris op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder b, van de EVOA bezwaar gemaakt tegen de door Veolia voorgenomen overbrengingen naar Overdie Fines. Volgens de staatssecretaris wordt de mineralenfractie niet volgens de eisen in het normdocument BRL 2307-2 "AEC-bodemas voor ongebonden toepassing in grond en wegenbouwkundige werken" van 3 juli 2017 (BRL 2307-2) nuttig toegepast. Volgens haar is dit op grond van artikel 18, eerste lid, van het Besluit bodemkwaliteit wel vereist. Kok Lexmond en Reststoffen Centrale Alkmaar hebben allebei ook geen erkenning, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van het Besluit Bodemkwaliteit, waaruit blijkt dat zij de mineralenfractie opwerken tot bouwstoffen volgens BRL 2307-2. Overdie Fines heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 6 mei 2026. Zij heeft daarnaast verzocht om een voorlopige voorziening, omdat de geplande overbrenging en verwerking van het concentraat niet kunnen beginnen als gevolg van het besluit. Beoordeling van het verzoek 3. Overdie Fines betoogt dat de staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat de nuttige toepassing van de mineralenfractie in strijd met Nederlandse wetgeving inzake milieubescherming is. Volgens Overdie Fines is BRL 2506-2 het geldende normdocument en heeft de staatssecretaris zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat BRL 2307-2 het geldende normdocument is. Volgens Overdie Fines is BRL 2307-2 uitsluitend van toepassing op het opwerken van bodemassen, terwijl de mineralen die zij door Kok Lexmond laat opwerken, geen bodemassen zijn. Zij voert hiertoe aan dat de afvalstoffen die zij van Veolia ontvangt, al geen bodemassen meer zijn, maar non-ferrometaalconcentraat. Verder voert zij aan dat de mineralenfractie die zij uit het concentraat haalt, een wezenlijk andere samenstelling, functie, economische waarde, verwerkingsdoel, korrelopbouw en metaalgehalte heeft dan bodemassen. Tot slot voert zij aan dat uit een rapport volgt dat de door haar geproduceerde afvalstoffen geen gevaarlijke stoffen bevatten die in bodemassen voorkomen. 3.1. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is niet op voorhand gebleken dat de motivering die ten grondslag ligt aan het besluit van 6 mei 2026 om op grond van artikel 12, eerste lid, onder b, van de EVOA bezwaar te maken tegen de overbrenging, onjuist is. Allereerst is, anders dan Overdie Fines stelt, BRL 2506-2 niet het geldende normdocument voor de nuttige toepassing van de mineralenfractie. Dit normdocument is namelijk van toepassing op recyclinggranulaat en omschrijft dit als granulaat dat ontstaat bij het bewerken van steenachtige afvalstoffen. Steenachtige afvalstoffen worden omschreven als minerale afvalstoffen die vrijkomen bij het bouwen, renoveren en slopen van bouwwerken en spoor(wegen). De mineralenfractie is echter niet afkomstig uit bouw- of sloopwerkzaamheden. De voorzieningenrechter volgt Overdie Fines niet op voorhand in haar betoog dat BRL 2307-2 niet het geldende normdocument is. BRL 2307-2 is van toepassing op bodemas die resteert na verbranding van huishoudelijk- en bedrijfsafval in een afvalenergiecentrale en die na afkoelen en tussenopslag als ruwe bodemas diverse opwerkingsstappen heeft ondergaan zoals zeven en het verwijderen van ferro- en non-ferrometalen. Het proces dat de mineralenfractie heeft ondergaan, komt overeen met deze omschrijving. Zoals de staatssecretaris heeft toegelicht, is het non-ferroconcentraat ook afkomstig uit het proces van verbranding van afval in een afvalenergiecentrale en is de mineralenfractie uit dit concentraat verkregen nadat het is gezeefd en hieruit de ferro- en non-ferrometalen zijn verwijderd. Verder neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de staatssecretaris op de zitting heeft aangegeven dat zij verwacht op korte termijn een besluit op het bezwaar van Overdie Fines te nemen. Hierin zal de staatssecretaris een nader standpunt innemen over de bezwaren van Overdie Fines en de door haar overgelegde rapporten. Los van het hiervóór overwogene is niet gebleken dat het voor Overdie Fines onoverkomelijk is het op korte termijn te verwachten besluit op bezwaar af te wachten. Conclusie 4. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. 5. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier. w.g.