Rechtspraak Raad van State 2026-07-22
ECLI:NL:RVS:2026:4265
Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen aan [appellant] een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens informatie van de politie in de nacht van 18 op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l. Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant], om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, is begonnen met de EMA en deze bijna heeft afgerond. Hij heeft belang bij deze procedure, omdat de EMA volgens hem ten onrechte is opgelegd en hij een schadevergoeding wenst. 202500616/1/A2. Datum uitspraak: 22 juli 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland van 16 oktober 2024 in zaak nr. 24/6052 in het geding tussen: [appellant] en het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (CBR). Procesverloop Bij besluit van 5 augustus 2024 heeft het CBR aan [appellant] een Educatieve maatregel alcohol en verkeer (EMA) opgelegd. Bij besluit van 29 augustus 2024 heeft het CBR het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 16 oktober 2024 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het CBR heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] en het CBR hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juli 2026, waar [appellant] en het CBR, vertegenwoordigd door mr. M.M. Kleijbeuker, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. Het CBR heeft [appellant] een EMA opgelegd, omdat hij volgens informatie van de politie in de nacht van 18 op 19 juli 2024 is aangehouden wegens rijden onder invloed van alcohol. Er is bij hem een ademalcoholgehalte gemeten van 675 µg/l. Een EMA is een verplichte cursus waarbij de cursist bewust wordt gemaakt van de risico’s van alcohol in het verkeer. De kosten van een EMA moet de cursist zelf betalen. Op de zitting bij de Afdeling is gebleken dat [appellant], om weer in het bezit te komen van een rijbewijs, is begonnen met de EMA en deze bijna heeft afgerond. Hij heeft belang bij deze procedure, omdat de EMA volgens hem ten onrechte is opgelegd en hij een schadevergoeding wenst. Oordeel van de voorzieningenrechter van de rechtbank 2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het CBR volgens de geldende regelgeving gehouden was een EMA op te leggen. Voor zover [appellant] heeft gesteld dat de oorzaak van het gemeten ademalcoholgehalte gelegen zou zijn in het gebruik van medicatie, heeft hij dit niet met stukken of op andere wijze onderbouwd. Hij heeft geen inzicht gegeven in welke medicatie dit zou zijn en hoe dit mogelijk kan leiden tot een dergelijke waarde bij de meting van het ademalcoholgehalte. Volgens de voorzieningenrechter heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de gevolgen van het opleggen van een EMA voor hem zodanig onevenredig zijn, dat de regelgeving in zijn geval buiten toepassing moet worden gelaten. Dat hij van een bijstandsuitkering leeft, is geen uitzonderlijk geval. [appellant] kan om een betalingsregeling verzoeken. Dat, als hij niet betaalt, zijn rijbewijs ongeldig wordt verklaard, maakt ook niet dat de gevolgen van het opleggen van een EMA onevenredig zijn. Hij kan gebruikmaken van het openbaar vervoer om zijn familie te bezoeken, aldus de voorzieningenrechter. Beoordeling van het hoger beroep 3. [appellant] betoogt dat de EMA ten onrechte is opgelegd. Hij heeft in zijn hogerberoepschrift en op de zitting bij de Afdeling een nadere verklaring gegeven voor het gemeten ademalcoholgehalte. Hij heeft uiteengezet dat hij ernstige, chronische gebitsklachten heeft. Volgens hem heeft de tandarts hem geadviseerd op watten gedrenkt in alcohol te kauwen tegen de pijn. Dit heeft hij in de nacht van 18 op 19 juli 2024 ook gedaan. Hij was op bezoek bij kennissen. Toen hij pijnklachten kreeg heeft hij daar een product met een hoog alcoholpercentage gebruikt om wattenschijfjes in te drenken. Op weg naar huis is hij in een alcoholcontrole terechtgekomen. Omdat er veel bestuurders werden gecontroleerd, heeft hij een tijdje moeten wachten voor hij aan de beurt was. Ongeveer een uur nadat hij de in de alcohol gedrenkte watjes had gebruikt, heeft hij geblazen. Volgens [appellant] kan er op die wijze alcohol in zijn lichaam terecht zijn gekomen zonder dat hij dat besefte. Hij drinkt namelijk in het geheel geen alcohol, omdat dit een pijnlijke reflux veroorzaakt. Hij heeft tijdens het politieverhoor ook verklaard geen alcohol te gebruiken. Uit de mededeling van de politie blijkt niet dat er aanvullende redenen waren, bijvoorbeeld in zijn rijgedrag, om uit te gaan van rijden onder invloed van alcohol. In de strafzaak heeft hij zijn rijbewijs teruggekregen, maar door de handelwijze van de politie, het CBR en de voorzieningenrechter wordt hij nog steeds gestraft. Omdat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard, heeft hij in een sociaal isolement geleefd en kon hij zijn kinderen en zieke moeder niet bezoeken. [appellant] stelt dat hij fysieke klachten heeft en krijgt van reizen met het openbaar vervoer. Ter staving van zijn stellingen heeft [appellant] informatie van zijn tandarts over zijn gebitsklachten en pijnverlichting overgelegd. Ook heeft hij informatie van de Hartstichting over het verband tussen tandvleesproblemen en hart- en vaatziekten en van Jellinek over stoffen die via tandvleesbloedingen in de bloedbaan terecht kunnen komen overgelegd. Verder heeft hij een bericht van een afdeling Legal aan het CBR over de onevenredige benadeling van [appellant] en een bericht van een familielid over zijn zieke moeder, met foto’s, overgelegd. 3.1. Het betoog van [appellant] slaagt niet. De Afdeling overweegt daartoe als volgt. 3.2. Uit het proces-verbaal van de politie volgt dat de zogenoemde sniffer een indicatie gaf voor alcohol, dat het ademtestapparaat een G/F-indicatie gaf zodat een uitgebreide ademanalyse moest worden gedaan, en dat bij die ademanalyse een waarde van 625 µg/l is vastgesteld. Deze constateringen worden door [appellant] niet weersproken. Artikel 11, eerste lid, onder a, van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011 bepaalt dat het CBR een EMA oplegt als een ademalcoholgehalte is geconstateerd dat tussen de 435 µg/l en 785 µg/l ligt. Anders dan [appellant] aanvoert, is voor het opleggen van een EMA niet vereist dat in het proces-verbaal gedragingen zijn opgenomen die duiden op het rijden onder invloed van alcohol. De vraag die voorligt, is of de verklaring die [appellant] geeft voor het gemeten ademalcoholgehalte voor het CBR een reden had moeten zijn om van het opleggen van een EMA af te zien. 3.3. De Afdeling beantwoord die vraag ontkennend. Zij acht de door [appellant] gegeven verklaring voor het gemeten alcoholgehalte niet geloofwaardig. Voor dat oordeel is het volgende van belang. De verklaring die [appellant] heeft gegeven voor het gemeten ademalcoholgehalte is niet consistent. In de bezwaarfase heeft hij daarvoor geen verklaring gegeven, op de zitting bij de rechtbank heeft hij verklaard pijnstillers te hebben gebruikt op 17 en 18 juli 2024, en pas voor het eerst in hoger beroep stelt hij kort voor de controle in alcohol gedrenkte watjes te hebben gebruikt. Die laatste stelling is, gezien de eerdere verklaring, niet aannemelijk en ook niet onderbouwd. Dat uit informatie van de tandarts, naar [appellant] stelt, volgt dat hij chronische gebitsklachten heeft en hem het gebruik van watjes met alcohol is geadviseerd, is daarvoor onvoldoende. Bovendien heeft het hoofd medische zaken van het CBR desgevraagd uiteengezet dat uitgesloten is dat de uitslag van 625 µg/l is veroorzaakt door mondalcohol.