Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:368
202305206/1/R1. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het beroep van: [appellant], wonend in Amsterdam, appellant, en het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam, verweerder Procesverloop Bij besluit van 31 januari 2020 heeft het college aan [partij] (thans: [partij A] en [partij B] in Amsterdam) een omgevingsvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw met een dakterras op de woning aan de [locatie 1] in Amsterdam. Bij besluit van 4 augustus 2020 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 februari 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Bij uitspraak van 12 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1449, verzonden op diezelfde datum, heeft de Afdeling het hoger beroep van [appellant] gegrond verklaard. De Afdeling heeft het besluit van 4 augustus 2020 vernietigd en het college opgedragen binnen 12 weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken. Verder heeft de Afdeling bepaald dat tegen het te nemen nieuwe besluit alleen bij haar beroep kan worden ingesteld. Bij besluit van 4 juli 2023 heeft het college het bezwaar van [appellant] opnieuw ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [partij A] en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting ingediend. Het college heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 december 2025, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Looij, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij A], bijgestaan door mr. M. Sikkes, rechtsbijstandverlener in Apeldoorn, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juli 2019. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het besluit van 31 januari 2020 waarmee het college de omgevingsvergunning heeft verleend, ziet op een dakopbouw en een dakterras aan de [locatie 1]. De vergunning is verleend voor het bouwen van een bouwwerk en voor het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan. Het gebouwencomplex waar de woning aan de [locatie 1] onderdeel van is, wordt omringd door de Maria Austriastraat, de Lumièrestraat en de Erich Salomonstraat. Aan de kant van de Maria Austriastraat en de Erich Salomonstraat heeft het gebouwencomplex een hoogte van vier bouwlagen. Het middengedeelte aan de Willy Mullenskade kent in de bestaande situatie drie bouwlagen. Dat geldt ook voor de woning op [locatie 1]. [appellant] woont aan de achterzijde van de Willy Mullenskade, aan de [locatie 2]. De afstand van de achtergevel van de woning aan de [locatie 1] tot aan de achtergevel van de woning aan de [locatie 2] bedraagt ongeveer 35 meter. Ter plaatse gold ten tijde van het besluit van 31 januari 2020 het bestemmingsplan "IJburg 1e fase". Op het perceel rust op grond van het bestemmingsplan de bestemming "Wonen". Het college heeft met het besluit van 4 augustus 2020 het bezwaar van [appellant] ongegrond verklaard en de bij besluit van 31 januari 202 Ten slotte is de vergunning voor het dakterras verleend in strijd met voorwaarde 6 uit paragraaf 8.1 Dakterrassen op hoofdgebouwen (gebied A) van de beleidsregels, aldus [appellant]. 7.1. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan de hem toegekende bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en het moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De bestuursrechter beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. 7.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college de omgevingsvergunning voor het plaatsen van de dakopbouw en het dakterras mogen verlenen. De Afdeling overweegt daartoe als volgt. 7.3. In paragraaf 7.4 IJburg (gebied D) staat een aantal voorwaarden opgenomen voor het realiseren van (onder andere) dakopbouwen binnen het gebied IJburg. Het college heeft vastgesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de in deze paragraaf gestelde voorwaarden. Het college heeft echter aanleiding gezien om paragraaf 3.2 van de beleidsregels toe te passen. In deze paragraaf staat dat indien een bouwplan niet past binnen deze beleidsregels, door het college wordt overwogen of maatwerk aan de orde is. Maatwerk is van toepassing op situaties die zodanig specifiek zijn dat algemene beleidsregels niet toereikend zijn voor een zorgvuldige afweging ten aanzien van de wenselijkheid van bouwplannen. In zo’n geval wordt locatiespecifiek beoordeeld of het bouwplan wenselijk en verantwoord is. De voorzijde van de dakopbouw 7.4. Op grond van de verbeelding in samenhang bezien met de regels van het bestemmingsplan is een maximale bouwhoogte aan de voorzijde toegestaan van 12 meter. Op grond van artikel 39.2 van de planregels is het toegestaan om deze 12 meter met 1 meter te overschrijden. Dit betekent dat het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 13 meter toestaat. Met het bouwplan wordt de maximale bouwhoogte met 4 centimeter overschreden. Op grond van artikel 42, aanhef en onder d, sub 3 van de planregels heeft het college de bevoegdheid om bij een omgevingsvergunning van de maximale bouwhoogte af te wijken met ten hoogste 3 meter ten behoeve van een dakopbouw, mits de realisatie van deze dakopbouw stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de overschrijding van 4 centimeter geen invloed heeft van stedenbouwkundige betekenis, omdat deze overschrijding nauwelijks waarneembaar is. De Afdeling begrijpt het college daarbij aldus dat eveneens bij de beoordeling is betrokken dat met een hoogte van 13,04 meter wordt aangesloten bij de bestaande hoogte van de hoeken van het gebouwencomplex aan de Maria Austriastraat en de Erich Salomonstraat. Het college heeft daarom geconcludeerd dat de overschrijding vanuit stedenbouwkundig oogpunt akkoord is. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college met het bovenstaande deugdelijk gemotiveerd waarom de realisatie van de dakopbouw wat betreft de voorzijde stedenbouwkundig aanvaardbaar is als bedoeld in artikel 42, aanhef en onder d, sub 3 van de planregels. Ook heeft het college deugdelijk gemotiveerd waarom gelet op de locatiespecifieke omstandigheden het bouwplan wat betreft de voorzijde wenselijk en verantwoord is als bedoeld in paragraaf 3.2 van de beleidsregels. In wat [appellant] aanvoert ziet de Afdeling geen aanleiding voor de conclusie dat het college zich niet op het standpunt heeft mogen stellen dat het bouwplan wat betreft de voorzijde uit stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is. Het betoog slaagt in zoverre niet. De achterzijde van de dakopbouw 7.5. Het college heeft wat betreft de wenselijkheid van de ac Besselink lid van de enkelvoudige kamer w.g. Denters griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 195-1124 Bijlage Wet- en regelgeving Wet algemene bepalingen omgevingsrecht Artikel 2.1 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit: a. het bouwen van een bouwwerk, […] c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet, […]. Artikel 2.12 1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en: a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening: 1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking, 2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of […]. Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht Artikel 4 Voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, komen in aanmerking: […] 4. een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw; […]. Regels van het bestemmingsplan "IJburg 1e fase, 2013" Artikel 22.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen; b. aan-huis-verbonden beroepen en - bedrijven; c. short stay; d. ter plaatse van de aanduiding 'gemengd' zijn bedrijven, consumentverzorgende en zakelijke dienstverlening, creatieve functies, kantoren en maatschappelijke dienstverlening toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met: 1. 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag; 2. 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie meerdere bouwlagen' ook in de tweede t/m de vierde bouwlaag; e. ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel' is detailhandel toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag; f. ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie IV' is horeca IV toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en het souterrain en daar waar aangeduid met 'specifieke vorm van wonen - niet-woonfunctie tweede bouwlaag' ook in de tweede bouwlaag; g. ter plaatse van de aanduiding 'bed & breakfast' is een bedrijf toegestaan, dat met behoud van de woonfunctie door ten minste de hoofdbewoner in een woning wordt uitgeoefend en die voorziet in het verstrekken van nachtverblijf voor maximaal 8 personen voor korte tijd, waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten ondergeschikt is; h. ter plaatse van de aanduiding 'zorginstelling' is een zorginstelling toegestaan; i. ter plaatse van de aanduiding 'parkeergarage' is parkeren toegestaan in de eerste bouwlaag, de kelder en/of het souterrain; j. ondergeschikte horeca ten behoeve van de onder e genoemde functie; met de daarbij behorende: k. in- en uitritten; l. tuinen en erven; m. bijbehorende bouwwerken; n. nutsvoorzieningen; o. groen; p. water. Artikel 22.2.2 Gebouwen Voor bouwen van gebouw gelden de volgende regels: […] b. de maximale goot- en bouwhoogte zoals aangeduid mag niet worden over