Rechtspraak Raad van State 2026-06-24
ECLI:NL:RVS:2026:3671
Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor het plaatsen van een hekwerk van circa 1,5 m hoog aan [locatie] in Baarle-Nassau. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Baarle-Nassau en van de gronden achter zijn woning. [appellant] heeft de gronden achter zijn woning afgesloten met een hekwerk. De hoogte van het hekwerk heeft [appellant] aangepast naar aanleiding van de last onder dwangsom die het college heeft opgelegd. Dat hekwerk is op dit moment 1 m hoog. Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet zijn het er niet mee eens dat [appellant] het pad dat over zijn percelen loopt heeft afgesloten, omdat het pad daardoor niet langer meer toegankelijk is voor wandelaars. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het afgesloten pad een openbare weg is en om die reden niet afgesloten had mogen worden. 202307486/1/R2. Datum uitspraak: 24 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Baarle-Nassau, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 17 oktober 2023 in zaken nrs. 22/2170, 22/4340 en 23/859 in het geding tussen: [appellant] en het college van burgemeester en wethouders van Baarle-Nassau. Procesverloop Bij besluit van 25 maart 2021 heeft het college een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor het plaatsen van een hekwerk van circa 1,5 m hoog aan [locatie] in Baarle-Nassau. Bij besluit van 8 maart 2022 heeft het college het door Heemkundekring Amalia van Solms daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 25 maart 2021 herroepen en de omgevingsvergunning alsnog geweigerd. Bij besluiten van 21 oktober 2022 heeft het college de verzoeken van Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet om handhavend op te treden tegen het hekwerk aan [locatie] toegewezen en de verzoeken om handhavend op te treden tegen afsluiting van een pad afgewezen en [appellant] opgedragen om het hekwerk, hoger dan 1 m en dat niet langs de grens van het kadastrale perceel staat en dat zonder omgevingsvergunning en in strijd met het bestemmingsplan is geplaatst en aanwezig is, te verwijderen en verwijderd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 5000,00 ineens betalen. Bij uitspraak van 17 oktober 2023 heeft de rechtbank de door [appellant] ingestelde beroepen tegen het besluit van 8 maart 2022 en de besluiten van 21 oktober 2022 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep van Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet tegen de besluiten van 21 oktober 2022 gegrond verklaard, het besluit waarin het verzoek om handhaving wordt afgewezen herroepen en het college opgedragen om een nieuw besluit op het handhavingsverzoek te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 22 december 2023 heeft het college het handhavingsverzoek van Heemkundekring Amalia van Solms toegewezen en [appellant] opgedragen om de overtreding, het in stand laten van het hekwerk hoger dan 1 m en het belemmeren van de doorgang van het bospad in strijd met het bestemmingsplan, te beëindigen en beëindigd te houden. Als hij dat niet doet, moet hij een dwangsom van € 5000,00 euro ineens betalen. [appellant] heeft nadere stukken ingediend en een beroepsgrond naar voren gebracht tegen het besluit van 22 december 2023. Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 1 april 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. W. Leistra, advocaat in Arnhem, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Boeren en mr. S.M.J. Janssens, zijn verschenen. Verder zijn op de zitting Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet, gezamenlijk vertegenwoordigd door ir. H.J.M. Benschop, als partij gehoord. Overwegingen Inleiding 1. [appellant] is eigenaar van de woning aan [locatie] in Baarle-Nassau en van de gronden achter zijn woning. [appellant] heeft de gronden achter zijn woning afgesloten met een hekwerk. De hoogte van het hekwerk heeft [appellant] aangepast naar aanleiding van de last onder dwangsom die het college heeft opgelegd. Dat hekwerk is op dit moment 1 m hoog. Heemkundekring Amalia van Solms en Stichting Wandelnet zijn het er niet mee eens dat [appellant] het pad dat over zijn percelen loopt heeft afgesloten, omdat het pad daardoor niet langer meer toegankelijk is voor wandelaars. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of het afgesloten pad een openbare weg is en om die reden niet afgesloten had mogen worden. 1.1. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Is het pad een openbare weg? 2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het pad dat over het perceel van [appellant] loopt een openbare weg is in de zin van de Wegenwet. Daarover voert [appellant] allereerst aan dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet omdat het een voetpad is. Volgens [appellant] is het geen weg, omdat het pad geen verkeersbaan is die naar aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dient. Ook heeft het pad uitsluitend een recreatieve functie en dient het pad niet voor de afwikkeling van openbaar verkeer. Daarnaast voert [appellant] aan dat de rechtbank ook ten onrechte heeft overwogen dat het pad een openbare weg is in de zin van artikel 4 van de Wegenwet. Volgens [appellant] is het pad niet openbaar, omdat het niet gedurende dertig jaar voor iedereen toegankelijk is geweest en voldoende duidelijk is gemaakt dat, door middel van de sinds 1986 opgehangen bordjes, het pad niet toegankelijk was of alleen ter bede. 2.1. Als in geschil is of in een concreet geval sprake is van een weg in de zin van de Wegenwet moet volgens vaste rechtspraak worden bezien of het gaat om verkeersbanen die een functie vervullen voor het afwikkelen van het openbaar verkeer en die dus naar hun aard of functie een grote, onbepaalde publieksgroep dienen. Daarbij is niet van belang wie eigenaar is van de grond waarop de weg is aangelegd. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 15 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2241, onder 10.1, en 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1652, onder 6. 2.2. Gelet hierop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet. Het pad vervult namelijk een functie voor het afwikkelen van het openbaar verkeer. Het pad is onderdeel van een doorgaande verbinding tussen de openbare wegen Het Goordonk en de Oude Bredasebaan. Het pad wordt gebruikt door buurtbewoners en wandelaars die vanuit Baarle-Nassau richting Het Goordonk lopen. Dat het pad door bosrijk gebied loopt en voornamelijk recreatief wordt gebruikt, doet niet af aan de functie van het pad voor een grote onbepaalde publieksgroep. Ook het enkele feit dat de aansluiting van het pad op Het Goordonk in het verleden een veranderlijk verloop kende, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het pad geen weg is in de zin van de Wegenwet. Er is immers altijd een doorgaande verbinding geweest tussen de twee openbare wegen, die min of meer op de plek van het huidige pad heeft gelegen. 2.3. Omdat het pad een weg is in de zin van de Wegenwet, is vervolgens de vraag of dat pad openbaar is. Een weg is openbaar, wanneer deze dertig achtereenvolgende jaren voor iedereen toegankelijk is geweest (artikel 4, eerste lid, aanhef en onder I, van de Wegenwet). 2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het pad al minimaal dertig jaar voor ieder openbaar toegankelijk is en dat het pad daarom een openbare weg in de zin van de Wegenwet is. De rechtbank heeft daarbij mogen betrekken dat de openbaarheid van het pad aannemelijk is gemaakt door onder meer de verschillende topografische kaarten, waarvan de oudste uit 1938 komt, waarop het pad duidelijk is aangegeven.