Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:367
202300467/1/R2. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend in [woonplaats], 2. Stichting Beter Eindhoven (hierna: SBE), gevestigd in Eindhoven, 3. [appellant sub 3], wonend in Eindhoven, appellanten, en de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad), verweerder. Procesverloop Bij besluit van 29 november 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1], SBE en [appellant sub 3] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. SBE heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak behandeld op de zitting van 13 oktober 2025, waar SBE, vertegenwoordigd door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door mr. J.C. Blonk en J.H. Antonise, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 30 juni 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 2. Het geschil gaat over het bestemmingsplan "II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)" (hierna: het plan). Het plan maakt de nieuwbouw van de middelbare school Lorentz Casimir Lyceum mogelijk op het sportveld ten zuiden van de oude school, aan de Celebeslaan 10-20 in Eindhoven. De oude school is inmiddels gesloopt en de nieuwe school is in gebruik genomen. 3. SBE, [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zijn het om verschillende redenen niet met de voorziene nieuwe school eens en gaan daarom in beroep tegen het plan. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of de raad de nieuwe school in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening heeft mogen achten. Wettelijk kader 4. De relevante wettelijke bepalingen en planregels zijn opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak. Zijn [appellant sub 1], [appellant sub 3] en SBE belanghebbenden? 5. De raad stelt zich op het standpunt dat SBE, [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet-ontvankelijk zijn in hun beroepen, omdat zij geen belanghebbenden zijn en geen zienswijze tegen het ontwerpbestemmingsplan hebben ingediend. 5.1. In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, int 6.1. Het relativiteitsvereiste houdt in dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, als deze regel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept (artikel 8:69a van de Awb). 6.2. Het relativiteitsvereiste staat niet aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden van SBE over externe veiligheid, parkeren, een kwaliteitskaart en ecologische waarden in de weg. SBE beroept zich daarmee namelijk op de norm van een goede ruimtelijke ordening. Die norm beschermt ook het belang van SBE, omdat zij het belang van het verbeteren van de leefomgeving van inwoners van Eindhoven behartigt. Daartoe behoren ook de belangen van de gebruikers van de school. 6.3. Bij de toepassing van het relativiteitsvereiste komt aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toe. Zie daarvoor ook de uitspraak van de Afdeling van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8. Dit betekent dat aan een belanghebbende, zoals SBE, het relativiteitsvereiste niet zal worden tegenworpen ten aanzien van een door haar ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. Inspraak 7. SBE betoogt dat er voor omwonenden onvoldoende inspraakmogelijkheden zijn geweest in de fase voor de terinzagelegging van het plan. Daarover voert SBE aan dat omwonenden pas laat door de raad zijn geïnformeerd over het plan. Verder had de raad volgens SBE de "Verordening Inspraak en Samenspraak 2008" (hierna: de verordening) moeten toepassen. Ook had de raad volgens SBE moeten wachten met het vaststellen van het plan, totdat door de bezwaarschriftencommissie was beslist op haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor de tijdelijke bouwweg. 7.1. Het bieden van inspraak voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen deel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. De raad stelt zich daarom terecht op het standpunt dat het niet bieden van inspraak in die eerdere fase geen gevolgen heeft voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling volgt ook het standpunt van de raad dat de omgevingsvergunning voor de tijdelijke bouwweg in deze procedure niet aan de orde kan komen en dat de omstandigheid dat de bezwaarschriftencommissie nog niet had gereageerd op de bezwaren van SBE daartegen, niet maakt dat de inspraakprocedure voor het plan gebrekkig is verlopen. SBE heeft verder niet gemotiveerd waarom het bestemmingsplan in strijd is met de verordening. Het betoog slaagt niet. Externe veiligheid 8. SBE betoogt dat de verslechtering van de externe veiligheidsrisico’s door het plan in strijd is met de goede ruimtelijke ordening. Daarover voert SBE aan dat de nieuwe school op minder dan 200 meter van een spoorzone is gelegen. SBE voert ook aan dat het rapport "Berekening plaatsgebonden en groepsrisico’s" gebreken vertoont. Zo is het "stoffenbestand" niet ingevuld en is ook het ingevoerde aantal aanwezige personen te laag. Verder zijn volgens SBE de adviezen van de Veiligheidsregio ten onrechte niet in het plan opgenomen. 8.1. Het betoog van SBE dat de adviezen van de Veiligheidsregio over bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen, risicocommunicatie, aanzuigopeningen en mechanische ventilatie ten onrechte niet zijn opgenomen in de planregels slaagt niet. Dat zijn geen onderwerpen die in een bestemmingsplan geregeld moeten worden. Overigens heeft de raad toegelicht dat de Veiligheidsregio in het kader van de onherroepelijke verleende omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe school heeft aangegeven geen bezwaren te hebben. 8.2. Verder staat de omstandigheid dat de nieuwe school op minder dan 200 meter van een transportroute via het spoor is voorzien, niet aan de vaststelling van het plan in de weg. Artikel 8, aanhef en onder b, van het Besluit externe veiligheid transportrout Ten eerste hebben de gronden in het plangebied de bestemming "Maatschappelijk" en maakt die bestemming groenvoorzieningen mogelijk. Uit artikel 3.1 van de planregels volgt namelijk dat de voor "Maatschappelijk" aangewezen gronden onder andere zijn bestemd voor tuinen, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Ten tweede heeft de raad op de zitting goed gemotiveerd waarom aan de gronden in het plangebied niet de bestemming "Groen" is toegekend. De raad heeft er immers op gewezen dat Eindhoven aan het uitbreiden is en dat het daarom wenselijk is om met de bestemming "Maatschappelijk" de mogelijkheid open te houden om de betreffende gronden voor de overige toegelaten functies binnen die bestemming te gebruiken. 10.3. De Afdeling ziet verder in wat SBE aanvoert geen aanleiding voor het oordeel dat ten onrechte geen groen inrichtingsplan is opgesteld. Paragraaf 3.7.1 van de toelichting bevat een toelichting op de groene inrichting van het plan. Daarin staat dat er in de bestaande situatie 32.573 m2 aan groen is. Dat wordt in de nieuwe situatie 35.885 m2 plus een groen dak van 1.393 m2. Dat betekent dat in de nieuwe situatie 3.705 m2 aan groen wordt toegevoegd. Bovendien wordt het bouwvlak verkleind naar de omvang van de nieuwe school en maakt het plan daarbuiten niet bij recht bebouwing mogelijk. SBE heeft niet toegelicht wat daar niet aan klopt. Kwaliteitskaart 11. SBE betoogt tevergeefs dat de raad ten onrechte geen kwaliteitskaart bij het plan heeft vastgesteld. De Afdeling ziet in de enkele omstandigheid dat de raad geen kwaliteitskaart bij het plan heeft vastgesteld, geen aanleiding voor het oordeel dat een zorgvuldige belangenafweging niet heeft plaatsgevonden. Conclusie en proceskosten 12. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] zijn niet-ontvankelijk. Het beroep van SBE is gegrond. Het besluit van 29 november 2022 wordt wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb vernietigd. 13. De Afdeling heeft onder 8.2 voor het aspect externe veiligheid een gebrek vastgesteld, omdat het aantal ingevoerde aanwezige personen in de berekening van groepsrisico’s te laag is. De raad heeft het groepsrisico opnieuw berekend en is daarbij uitgegaan van 1.325 aanwezige personen. Uit die nieuwe berekeningen volgt dat het groepsrisico ten opzichte van de bestaande situatie nauwelijks toeneemt en onder de oriëntatiewaarde blijft. SBE heeft daar niets tegenover gesteld. Gelet hierop ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 29 november 2022 met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb in stand te laten. 14. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 3] niet-ontvankelijk; II. verklaart het beroep van Stichting Beter Eindhoven gegrond; III. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eindhoven van 29 november 2022 tot vaststelling van het bestemmingsplan "II Tongelre buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)"; IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven; V. gelast dat de raad van de gemeente Eindhoven aan Stichting Beter Eindhoven het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 365,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. M.M. Kaajan, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. G.T.J.M. Jurgens, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier. w.g. Kaajan voorzitter w.g. Ahmady-Pikart griffier Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026 638-1044 BIJLAGE Bestemmingsplan "Tongelre II buiten de Ring 2019 (Lorentz Casimir Lyceum)" van de gemeente Eindhoven Artikel 1.25 Maatschappelijke voorzieningen educatieve, medische, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, wooneenheden voor beschermd en/of verzorgd wonen