Rechtspraak Raad van State 2026-06-24
ECLI:NL:RVS:2026:3668
Bij beslissing van 29 augustus 2025 heeft de examencommissie, namens het instellingsbestuur, een negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven. Bij beslissing van 13 februari 2026 heeft het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven (het CBE) het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. [appellante] is in het studiejaar 2022/23 gestart met de bacheloropleiding Data Science aan de Technische Universiteit Eindhoven en Tilburg University. Om een positief bindend studieadvies (BSA) te krijgen, moest zij 45 studiepunten voor de propedeutische fase behalen. In februari 2023 is zij met de opleiding gestopt. Zij heeft daarom geen BSA gekregen. In studiejaar 2023/24 is zij opnieuw begonnen met deze opleiding. Omdat zich persoonlijke omstandigheden bij [appellante] voordeden, heeft de examencommissie aanleiding gezien om aan het einde van het studiejaar 2023/24 het geven van een bindend studieadvies met een jaar op te schorten. Aan deze opschorting heeft de examencommissie de voorwaarde verbonden dat [appellante] aan het eind van het studiejaar 2024/25 minimaal 55 studiepunten uit de propedeutische fase moest behalen om alsnog een positief studieadvies te krijgen. 202600946/1/A2. Datum uitspraak: 24 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Eindhoven (het CBE), verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 29 augustus 2025 heeft de examencommissie, namens het instellingsbestuur, een negatief bindend studieadvies (NBSA) aan [appellante] gegeven. Bij beslissing van 13 februari 2026 heeft het CBE het daartegen door [appellante] ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het CBE heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 4 juni 2026, waar [appellante] en het CBE, vertegenwoordigd door mr. L.L.M. Prinsen en mr. A. van Eggelen. Verder is op de zitting de examencommissie, vertegenwoordigd door J.M.L. Gommers, gehoord. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is in het studiejaar 2022/23 gestart met de bacheloropleiding Data Science aan de Technische Universiteit Eindhoven en Tilburg University. Om een positief bindend studieadvies (BSA) te krijgen, moest zij 45 studiepunten voor de propedeutische fase behalen. In februari 2023 is zij met de opleiding gestopt. Zij heeft daarom geen BSA gekregen. 2. In studiejaar 2023/24 is zij opnieuw begonnen met deze opleiding. Omdat zich persoonlijke omstandigheden bij [appellante] voordeden, heeft de examencommissie aanleiding gezien om aan het einde van het studiejaar 2023/24 het geven van een bindend studieadvies met een jaar op te schorten. Aan deze opschorting heeft de examencommissie de voorwaarde verbonden dat [appellante] aan het eind van het studiejaar 2024/25 minimaal 55 studiepunten uit de propedeutische fase moest behalen om alsnog een positief studieadvies te krijgen. 3. [appellante] heeft niet voldaan aan deze voorwaarde. Beslissing examencommissie 4. Aan de beslissing van 29 augustus 2025 heeft de examencommissie ten grondslag gelegd dat [appellante] in het studiejaar 2024/25 onvoldoende studieresultaten heeft behaald om een positief BSA te krijgen. 5. [appellante] heeft in reactie op deze beslissing de examencommissie gevraagd om haar BSA een tweede keer uit te stellen, in de zin van artikel 8.6, vierde lid, van de Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 van de Bacheloropleiding Data Science (BDS) (de OER). De examencommissie heeft op 31 augustus 2025 het verzoek van [appellante] afgewezen. Daarbij heeft zij zich op het standpunt gesteld dat [appellante] 55 studiepunten uit de propedeutische fase gehaald had moeten hebben en zij 40 studiepunten heeft behaald. De door [appellante] aangedragen persoonlijke omstandigheden kunnen de vertraging in de studievoortgang niet volledig verklaren en een formele diagnose is nog niet gegeven. De problemen zijn ook niet gemeld bij de studieadviseur. Gelet op het voorgaande is de examencommissie tot de slotsom gekomen dat [appellante] haar persoonlijke omstandigheden en het causale verband met de studievertraging niet aannemelijk heeft gemaakt. Beslissing CBE 6. Volgens het CBE heeft de examencommissie aan [appellante] een NBSA mogen geven. [appellante] heeft onvoldoende bewijs ingebracht met betrekking tot het bestaan van de door haar gestelde persoonlijke omstandigheden en het vereiste causale verband tussen die omstandigheden en de studievertraging. De examencommissie heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat [appellante] in het collegejaar 2024/25 onvoldoende studievoortgang heeft laten zien. Van onzorgvuldige besluitvorming door de examencommissie is dan ook geen sprake, aldus het CBE. Beoordeling van het beroep 7. [appellante] betoogt dat het CBE het NBSA ten onrechte in stand heeft gelaten. Haar persoonlijke omstandigheden hadden bij het BSA betrokken moeten worden. Met de doorverwijzing van haar huisarts naar de POH-GGZ voor ondersteuning en naar een GZ-psycholoog voor verdere diagnostiek vanwege mogelijke ADHD, had zij de persoonlijke omstandigheden en de invloed daarvan op haar studieresultaten al voldoende aannemelijk gemaakt. Het CBE had daarnaast moeten wachten op het rapport van haar psycholoog, dat ten tijde van de beslissing nog niet beschikbaar was. Dit bewijst het bestaan van haar persoonlijke omstandigheden, de invloed daarvan op haar studievoortgang en de mogelijkheden om de studie voort te zetten. Door niet op die informatie te wachten heeft het CBE de beslissing onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Met haar studievoortgang in de tweedejaarsvakken in het studiejaar 2024/25 heeft zij het verband tussen haar klachten en de niet behaalde vakken uit de propedeutische fase ook aannemelijk gemaakt. Juist bij de vakken die bepalend waren voor het BSA, had zij namelijk last van ADHD. Verder kan het niet tijdig doen van een melding van haar persoonlijke omstandigheden haar niet worden tegengeworpen. Haar klachten bestonden juist uit vermijding, uitstelgedrag en moeite met het zoeken van hulp. Bovendien heeft zij in het studiejaar 2023/24 contact gezocht met de studieadviseur, de studentendecaan en de studentenpsycholoog. Bij de studentenpsycholoog heeft zij al klachten beschreven die overeenkomen met de problematiek die later door haar behandelaar is vastgesteld. Daaruit blijkt dat de klachten al langere tijd bestaan en structureel van aard zijn, aldus [appellante]. In april 2025 heeft zij opnieuw contact gezocht met de studieadviseur in verband met haar studievoortgang en persoonlijke omstandigheden. 7.1. Vaststaat dat [appellante] in het studiejaar 2023/24 te maken heeft gehad met persoonlijke omstandigheden, waardoor zij in dat jaar de studievoortgangsnorm niet heeft gehaald. In het studiejaar 2024/25 heeft zij wederom niet voldaan aan deze norm. Dat is tussen partijen niet in geschil. Partijen zijn verdeeld over de vraag of het opnieuw niet voldoen aan deze norm het gevolg is van persoonlijke omstandigheden die van invloed zijn geweest op de studieresultaten. 7.2. Omdat bij de mondelinge behandeling van 17 december 2025 naar voren kwam dat [appellante] mogelijk ADHD heeft, heeft het CBE haar in de gelegenheid gesteld om hierover aanvullende informatie over te leggen en de behandeling van het administratief beroep aangehouden. Vervolgens heeft [appellante] ingestemd met het door het CBE gedane voorstel om uiterlijk 31 januari 2026 een rapport van de psycholoog met een beoordeling van de persoonlijke omstandigheden waarop [appellante]s beroep ziet, over te leggen. [appellante] heeft nagelaten een rapport over te leggen in de procedure. Hierdoor heeft zij niet het benodigde bewijs van haar persoonlijke omstandigheden overgelegd, terwijl ze door haar eerdere uitstel van het BSA op de hoogte was van het belang hiervan. Het CBE is daardoor niet in staat gesteld om dergelijk bewijs mee te nemen bij de beslissing over het NBSA. Hierdoor heeft het CBE ook geen causaal verband kunnen vaststellen tussen de door aangevoerde persoonlijke omstandigheden en het niet behalen van het BSA. Naar het oordeel van de Afdeling lag het op de weg van [appellante] om eerder met een nadere onderbouwing te komen van haar persoonlijke omstandigheden. Het komt voor rekening en risico van [appellante] dat zij dit niet heeft gedaan. 7.3. In beroep heeft [appellante] een brief van haar behandelend psycholoog, gedateerd op 28 april 2026, overgelegd om haar persoonlijke omstandigheden aan te tonen. In de brief is vermeld dat er een vermoeden is van ADHD en een depressie. [appellante] moet op grond van vaste rechtspraak de gestelde persoonlijke omstandigheden aantonen en aannemelijk maken dat deze de studieresultaten nadelig hebben beïnvloed. Met de door haar overgelegde brief is zij hierin niet geslaagd. De brief bevat vooral een beschrijving van haar klachten en gevoelens door [appellante] zelf. Een concrete diagnose is er nog niet, mede doordat de behandelaars na het intakegesprek op 6 januari 2026 tot 9 april 2026 geen contact konden krijgen met [appellante]. Dat [appellante] in het studiejaar 2024/25 wel tweedejaarsvakken heeft gehaald, brengt niet mee dat het niet behalen van de norm voor eerstejaarsvakken is veroorzaakt door de gestelde persoonlijke omstandigheden. Het betoog slaagt niet. 8. [appellante] betoogt dat zij, met de door haar behaalde studievoortgang het studiejaar 2024/25, haar geschiktheid en motivatie voor de opleiding heeft aangetoond. Daarom is het onevenredig voor haar om te moeten stoppen met de studie. Door de NBSA mag zij immers de opleiding de komende drie jaar niet voortzetten. De examencommissie heeft onvoldoende rekening gehouden heeft met haar belang om de studie te volgen. Door de inmiddels gestarte behandeling is er nu ook concreet zicht op verbetering van haar functioneren waardoor er een reële mogelijkheid is dat zij met passende begeleiding, structuur en eventuele voorzieningen haar studie succesvol kan voortzetten. 8.1. Dat [appellante] door een uitgesteld BSA de kans heeft gekregen om haar studie voort te zetten en zij daardoor studiepunten uit het tweede jaar heeft kunnen halen, neemt niet weg dat zij ervan op de hoogte was dat alleen de vakken uit de propedeutische fase van belang waren voor een positief BSA. [appellante] had aan het eind van studiejaar 2023/24 in totaal 40 studiepunten behaald. Dat betekent dat zij in haar tweede jaar ten minste 15 studiepunten, drie vakken, moest halen. Op de zitting heeft [appellante] te kennen gegeven dat zij niet van alle toetskansen gebruik heeft gemaakt om die vakken te halen. Zij heeft in het studiejaar 2024/25 geen studiepunten uit het propedeutische jaar gehaald. Zoals het CBE op de zitting naar voren heeft gebracht, weegt in de beslissing mee dat [appellante] 2,5 jaar de tijd heeft gehad om voldoende studieresultaten te behalen. Verder zijn de belangen van [appellante] in de beslissing uitdrukkelijk opgenomen. Dat de examencommissie geconcludeerd heeft dat deze belangen niet afdoen aan het oordeel dat zij ongeschikt is voor de opleiding, betekent niet dat de examencommissie deze, anders dan [appellante] betoogt, niet meegenomen heeft in de beslissing. In het betoog van [appellante] is geen grond te vinden voor het oordeel dat is de beslissing van het CBE in strijd met het evenredigheidsbeginsel genomen is. Het betoog slaagt niet. Conclusie 9. Het beroep is ongegrond. 10. Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het beroep ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Rijsdijk, griffier. w.g. Borman lid van de enkelvoudige kamer w.g. Rijsdijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 juni 2026 705-1180 BIJLAGE Wettelijk kader Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Artikel 7.8b 1 Het instellingsbestuur van een bekostigde universiteit, hogeschool of levensbeschouwelijke universiteit brengt iedere student uiterlijk aan het einde van diens eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van een voltijdse of duale associate degree-opleiding of bacheloropleiding advies uit over de voortzetting van zijn studie binnen of buiten de associate degree-opleiding of de bacheloropleiding. In geval van een deeltijdse associate degree-opleiding of bacheloropleiding regelt het instellingsbestuur het tijdstip waarop dat advies wordt uitgebracht. 2 Onverminderd het eerste lid kan het instellingsbestuur het advies aan de student uitbrengen zolang deze het propedeutisch examen niet met goed gevolg heeft afgelegd. 3 Aan een advies als bedoeld in het eerste of tweede lid kan het instellingsbestuur ten aanzien van opleidingen die daartoe door het instellingsbestuur zijn aangewezen, binnen het in het tweede lid bedoelde tijdvak, doch niet eerder dan tegen het einde van het eerste jaar van inschrijving, een afwijzing verbinden. Deze afwijzing kan slechts worden gegeven, indien de student naar het oordeel van het instellingsbestuur, met inachtneming van zijn persoonlijke omstandigheden, niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding, doordat zijn studieresultaten niet voldoen aan de vereisten die het bestuur daaromtrent heeft vastgesteld. Het instellingsbestuur kan aan de afwijzing een termijn verbinden. Het instellingsbestuur kan de afwijzing uitstrekken tot opleidingen die met de desbetreffende opleiding het propedeutisch examen gemeen hebben. Het instellingsbestuur kan van de bevoegdheid krachtens dit lid slechts gebruikmaken, indien het in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd. [...] Onderwijs- en Examenregeling 2024-2025 van de Bacheloropleiding Data Science Art 8.5 Bindend studieadvies 1. Er geldt een bindend studieadvies (bsa) voor de student die op of na 1 september (doch voor 1 februari) voor de eerste keer start in de propedeutische fase van de opleiding. Het bindend studieadvies geldt ook voor de student die opnieuw start in de propedeutische fase, nadat deze student zich in een voorgaand studiejaar vóór 1 maart heeft uitgeschreven (zie het derde lid). 2. Het bindend studieadvies wordt namens de decaan van de faculteit door de examencommissie gegeven. [...] 5. Aan het einde van het eerste jaar van inschrijving voor de propedeutische fase van de opleiding, ontvangt de student over de voortzetting van de opleiding schriftelijk: a. een positief studieadvies: dit advies wordt verstrekt wanneer de student ten minste 45 studiepunten uit de propedeutische fase van de opleiding heeft behaald. b. een negatief bindend studieadvies: dit advies wordt verstrekt wanneer niet voldaan is aan het gestelde onder a. De student mag in dat geval de opleiding niet voortzetten; voorts wordt de student gedurende de drie volgende jaren niet toegelaten tot dezelfde bacheloropleiding aan de TU/e. c. een uitstel van het bindend studieadvies, zoals bedoeld in artikel 8.6 van deze regeling. [...] 7. De examencommissie stelt, op verzoek van student, een aangepaste bsa-norm van 40 studiepunten vast wanneer de student aan het einde van het studiejaar 40 studiepunten heeft behaald, maar een onderwijseenheid, waarop in dit lopende eerste studiejaar geen herkansing meer mogelijk is met een onvoldoende heeft afgerond, terwijl de betreffende eindtoets met een voldoende (6.0 of hoger) is beoordeeld en voor minimaal 50% meetelt in het eindcijfer. [...] Art 8.6 Uitstel van bindend studieadvies 1. Een student ontvangt pas aan het einde van het tweede inschrijvingsjaar een uitgesteld bindend studieadvies wanneer de student eerder een uitstel van het bindend studieadvies, zoals bedoeld in artikel 8.5, lid 5, onder c, heeft ontvangen en wel omdat: - er sprake is van erkende persoonlijke omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 8.7, - de student op of na 1 februari voor de eerste keer start in de propedeutische fase van een opleiding. 2.