Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:365
202300599/1/R1. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college), 2. [appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend in Ouderkerk aan de Amstel, gemeente Ouder Amstel, appellanten, en de raad van de gemeente Ouder-Amstel, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Holendrechterweg 53a/54/54a" (hierna: het plan) vastgesteld. Tegen dit besluit hebben het college en [appellant] beroep ingesteld. [partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant], het college en [partij] hebben nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 november 2025, waar het college, vertegenwoordigd door drs. J.L. Damen en J.J. Verwindt, beiden werkzaam bij de provincie, [appellant], bijgestaan door mr. M.L.M. Frantzen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. M.A. van Maarle, werkzaam bij de gemeente, bijgestaan door mr. N.L. Bol, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. J.A.M. van der Lee, als partij gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. 2. Het ontwerpplan is op 24 december 2015 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Inleiding 3. Het plan is deels conserverend van aard, maar maakt daarnaast nieuwe ontwikkelingen mogelijk. Het beroep van het college en van [appellant] heeft betrekking op het perceel Holendrechterweg 54a (hierna: het perceel). Op het perceel is in de huidige situatie een autoschadeherstelbedrijf met bedrijfswoning gevestigd. De bestaande bedrijfswoning krijgt de bestemming "Wonen". De bedrijfsbebouwing op het perceel zal worden gesloopt en ter compensatie daarvan maakt het plan twee nieuwe woningen mogelijk. Daartoe voorziet het plan hier in de bestemming "Wonen" en "Tuin-1". In het vorige plan "Ouderkerkeplas e.o." waren aan de gronden de bestemmingen "Agrarische doeleinden II" en "Bedrijven" toegekend. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Ouderkerk aan de Amstel en de Rijksweg A9. Het gebied bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en natuur en de bebouwing concentreert zich met name langs de Bullewijk. In het gebied is daarnaast het natuurgebied "het Landje van Geijsel" gelegen. [partij] is de initiatiefnemer van het plan. 4. Het plan is vastgesteld naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1729, op onder meer het beroep van [appellant] tegen het bij besluit van 6 maart 2014 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Noord". Met het voorliggende plan heeft de raad aan de percelen bestemmingen toegekend die volgens hem passen bij de ter plaatse toegestane functies. 5. Het college kan zich niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover dit betrekking heeft op de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin-1" en het planonderdeel "twee-aaneen" voor het perceel. [appellant] kan zich eveneens niet verenigen met de vaststelling van het plan, voor zover het betrekking heeft op de plandelen met de bestemmingen "Wonen" en "Tuin-1" voor het perceel. [appellant] woont direct naast het plangebied op het adres [locatie] en vreest voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat. 6. De voor deze uitspraak relevante regelgeving is opgeno In artikel 12.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de Omgevingsverordening is, voor zover hier van belang, bepaald dat het oude recht van toepassing blijft tot een besluit onherroepelijk wordt, als voor de inwerkingtreding van de betreffende bepaling van deze verordening een besluit als bedoeld in 3.1, eerste lid, van de Wro, dat op verzoek wordt genomen, een ontwerp ter inzage is gelegd van een besluit ten aanzien waarvan op de voorbereiding afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing is en het besluit binnen 2 jaar na de in de aanhef genoemde inwerkingtreding is genomen. De Omgevingsverordening is op 17 november 2020 inwerking getreden. Het ontwerpbestemmingsplan is in 2015 ter inzage gelegd en het plan is vastgesteld op 27 oktober 2022. Daaruit volgt dat het oude recht van toepassing blijft. Dit oude recht is neergelegd in de PRV. 8.3. De Afdeling stelt vast dat de voorzieningenrechter in haar uitspraak van 10 maart 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:972) al een oordeel heeft gegeven over het betoog dat het plan is vastgesteld in strijd met artikel artikel 5c, eerste lid, van de PRV. De voorzieningenrechter heeft op dit punt het volgende overwogen: "Bij de beoordeling of artikel 5c van de PRV van toepassing is, ziet de voorzieningenrechter zich vanwege de stellingname van de raad allereerst gesteld voor de vraag of het plangebied als bestaand stedelijk gebied kan worden gekwalificeerd. Zoals is overwogen in de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724, is het vaste jurisprudentie van de Afdeling dat bij de beantwoording van de vraag of sprake is van bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1, onder h, van het Besluit ruimtelijke ordening beoordeeld dient te worden of het voorgaande plan binnen het gebied al een stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca mogelijk maakte, en of het gebied op grond van het voorgaande plan kan worden beschouwd als bij een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing behorend geheel van openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Zoals hiervoor al is vermeld, waren aan de percelen in het vorige plan de bestemmingen "Agrarische doeleinden II" en "Bedrijven" toegekend. Met het voorliggend plan is aan de gronden nog steeds grotendeels de bestemming "Agrarisch" toegekend. Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Ouderkerk aan de Amstel en de rijksweg A9 en bestaat voornamelijk uit agrarische gronden en natuur. De in het gebied aanwezige bebouwing is geconcentreerd langs de Bullewijk. Anders dan de raad veronderstelt, behoren solitair gelegen gronden met een stedelijke functie niet automatisch tot bestaand stedelijk gebied. De locatie ligt hier los van de kern en vormt, gelet op de tussengelegen gronden met een agrarische bestemming, geen onderdeel van de bebouwde kom. Het gebied is verder niet ingesloten door bebouwing, maar ligt tussen de Bullewijk en snelweg en agrarische gronden. Weliswaar stelt de raad terecht dat ten noorden en zuiden van de locatie woningen staan, maar het gaat om een beperkt aantal en zowel de afstanden tussen de woningen onderling als die tot het plangebied - met uitzondering van de woning van [verzoeker] - zijn zodanig dat ook in zoverre geen sprake is van een samenstel van bebouwing. Onder deze omstandigheden maakt het plangebied geen deel uit van bestaand stedelijk gebied. Vervolgens is de vraag of de kleinschalige ontwikkeling is voorzien binnen een bestaand bouwblok dat al voorziet in een stedelijke functie. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval. Daarbij neemt het aantal burgerwoningen toe. Gelet hierop voorziet het plan buiten bestaand stedelijk gebied in een kleinschalige ontwikkeling en wordt deze ontwikkeling niet mogelijk gemaakt in een bestaand bouwblok dat al voorzag in een stedelijke functie. Dit betekent dat het plan in strijd