Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:360
202200634/2/R3. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant A] en wijlen [appellant B], wonend respectievelijk laatstelijk gewoond hebbend in Driezum, gemeente Dantumadiel, (hierna samen en in enkelvoud te noemen: [appellanten]) appellante, en de raad van de gemeente Dantumadiel, verweerder. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 24 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5433, (hierna: tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van die uitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" te herstellen. Bij beschikking van 2 mei 2025 heeft de Afdeling de bij haar tussenuitspraak bepaalde termijn verlengd tot en met 8 juli 2025. Bij besluit van 24 juni 2025 (hierna: herstelbesluit) heeft de raad het bestemmingsplan "Driezum" gewijzigd en opnieuw vastgesteld. [appellanten] en [partij] zijn in de gelegenheid gesteld om hun zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop volgens de raad de gebreken zijn hersteld. [appellanten] heeft van deze gelegenheid gebruik gemaakt. De Afdeling heeft de Staat der Nederlanden (minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties, hierna: de Staat) aangemerkt als partij in deze procedure. Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Zoals in de tussenuitspraak is overwogen, blijft op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing. Inleiding 2. Deze beroepsprocedure gaat over de besluiten tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum". In het bijzonder gaat het om de planregeling die in het bestemmingsplan is opgenomen voor het perceel [locatie 1] in Driezum. [partij] is eigenaar van dit perceel. Hij woont op het perceel en exploiteert er een houtbewerkingsbedrijf. [appellanten] woont aan de [locatie 2] in Driezum. Zij voert aan nadelige gevolgen voor haar woon- en leefklimaat te ondervinden van de activiteiten die worden verricht op het perceel [locatie 1] en die zijn toegestaan in het bestemmingsplan. De raad heeft volgens [appellanten] onvoldoende rekening gehouden met haar belangen en het bestemmingsplan niet zorgvuldig voorbereid. Ook de bij het herstelbesluit vastgestelde gewijzigde planregeling voor dit perceel is volgens haar niet toereikend. De raad heeft volgens [appellanten] met dit besluit de in de tussenuitspraak omschreven gebreken dan ook niet hersteld. [appellanten] heeft ook verzocht om vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn. Het oordeel van de Afdeling 3. De Afdeling geeft [appellanten] in deze uitspraak gelijk. De Afdeling oordeelt dat het beroep tegen het besluit van 28 september 2021 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Driezum" gegrond is. Ook het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten] tegen het besluit van 24 juni 2025 tot het gewijzigd en opnieuw vaststellen van het bestemmingsplan "Driezum" is gegrond. Beide besluiten moeten worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen voor het vernietigde onderdeel van het bestemmingsplan een nieuw besluit te nemen. Verder oordeelt de Afdeling in deze uitspraak dat het verzoek van [appellanten] om vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegewezen. De Afdeling licht hierna toe hoe zij tot dit oordeel komt. De tussenuitspraak en conclusie over het besluit van 28 september 2021 4. In de tussenuitspraak heeft de Afdeling gebreken geconstateerd in het besl het gebruiken of laten gebruiken van gronden en gebouwen voor bedrijfsactiviteiten als bedoeld in artikel 14.1, onder c, van de planregels met een bedrijfsoppervlakte gelijk aan of groter dan 1.000 m2. In artikel 14.6 van de planregels is verwijderd een eerder geboden afwijkingsregeling voor het gebruik ten aanzien van "het bepaalde in lid 14.1 voor de vestiging van bedrijven die niet zijn genoemd in de bij deze regels behorende Staat van Bedrijven (Bijlage 1), mits deze bedrijven naar aard en/of effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid, kunnen worden gelijkgesteld met de bedrijven welke wel zijn genoemd". Verder heeft de raad op de verbeelding de aan het perceel toegekende functieaanduiding "bedrijf" verkleind tot een omvang van 1.000 m2. 6.1. [appellanten] is het niet eens met deze aanpassingen in de planregeling voor het perceel aan de [locatie 1] en de door de raad gemaakte beoordeling. 6.2. De Afdeling stelt vast dat op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb tegen het herstelbesluit een beroep van rechtswege is ontstaan voor [appellanten]. De Afdeling beoordeelt hierna aan hand van de door [appellanten] in haar zienswijze naar voren gebrachte beroepsgronden of de raad met het herstelbesluit heeft voldaan aan de in de tussenuitspraak gegeven opdracht. Beoordeling van het beroep van rechtswege tegen het herstelbesluit 7. [appellanten] betoogt dat de raad bij het herstelbesluit is uitgegaan van de feitelijke bestaande bedrijfsvoering in plaats van de maximale planologische mogelijkheden van het bestemmingsplan. Het is volgens haar nog steeds mogelijk dat het gehele perceel wordt benut voor opslag- of werkdoeleinden die verder ook niet zijn begrensd in het bestemmingsplan. [appellanten] voert aan dat daarmee dus niet is gewaarborgd dat sprake is van een ondergeschikte bedrijfsfunctie of dat haar woon- en leefklimaat voldoende wordt beschermd. [appellanten] voert verder aan dat uit een eerder door haar overgelegd geluidrapport van DGMR van 10 juli 2020 blijkt dat het bestaande bedrijf niet kan voldoen aan de geluidnormen. De raad heeft dit volgens haar ten onrechte buiten beschouwing gelaten door uitsluitend aan te sluiten bij de milieukundige beoordeling van de Omgevingsdienst FUMO. Daarin staat dat de bestaande en in 2018 gemelde situatie milieukundig inpasbaar is. Die situatie is echter volgens [appellanten] niet juridisch planologisch vastgelegd. Verder is in die milieukundige beoordeling geen rekening gehouden met hinderfactoren zoals stemgeluid, geluid van laden en lossen of het klapperen van deuren in de buitenruimte, terwijl die aspecten wel bij de hier aan de orde zijnde planologische beoordeling moeten worden meegenomen. Ook is de milieukundige beoordeling gebaseerd op een melding waarin staat dat er geen sprake is van buitenopslag, de bewerking uitsluitend inpandig plaatsvindt en er nagenoeg geen relevante geluidbronnen aanwezig zijn. De beschrijving in de melding komt volgens [appellanten] niet overeen met de feitelijke bedrijfsactiviteiten. De tijdens de vakantie van het bedrijf uitgevoerde controles bevestigen dit beeld ook onvoldoende. Volgens [appellanten] wordt verder niet voldaan aan de VNG-brochure. Zij voert in dat kader aan dat de omgeving is aan te merken als woongebied en niet als gemengd gebied met functiemenging als bedoeld in de VNG-brochure. Het perceel aan de [locatie 3] met de bestemming "Maatschappelijk" is namelijk al geruime tijd in gebruik voor wonen. Ook het perceel aan de [locatie 4] met de bestemming "recreatie" wordt in hoofdzaak gebruikt als woonperceel met hobbymatige paardenhouderij. [appellanten] verzoekt de Afdeling daarom om haar in de tussenuitspraak gegeven oordeel van de kwalificatie van het gebied te herzien en uit te gaan van een woongebied waarvoor een richtafstand van 30 m is aanbevolen. Verder voert [appellanten] aan dat, als wel uitgegaan moet worden van een gemengd gebied, niet aa Conclusie over het herstelbesluit en het beroep van rechtswege 8. Gelet op het voorgaande is ook het van rechtswege ontstane beroep van [appellanten] gegrond. Het herstelbesluit moet wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb worden vernietigd voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Wonen-1", op het perceel [locatie 1] in Driezum. De Afdeling komt daarom niet toe aan een bespreking van de beroepsgronden van [appellanten] over het door haar in haar zienswijze voorgestelde alternatief om de aanduiding "bedrijf" en de uitrit van het perceel meer naar het oosten te verplaatsen en om buitenopslag niet toe te staan of te beperken. Opdracht aan de raad 9. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om met inachtneming van wat in deze uitspraak en in de tussenuitspraak is overwogen een nieuw besluit te nemen voor het vernietigde onderdeel van het bestemmingsplan "Driezum" en zal daarvoor een termijn stellen. De Afdeling ziet in de handelswijze van de raad geen reden om - zoals [appellanten] heeft verzocht - met toepassing van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb aan de raad een dwangsom op te leggen. 10. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1174, zijn op een nieuw te nemen besluit de Omgevingswet en de daarbij behorende omgevingsrechtelijke regels van toepassing. Dat houdt onder meer in dat niet meer kan worden teruggevallen op het vóór 1 januari 2024 ter inzage gelegde ontwerpbestemmingsplan, omdat in het ontwerpbestemmingsplan geen regels zijn gesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. 11. De Afdeling ziet aanleiding de raad op te dragen het hierna in de beslissing nader aangeduide onderdeel van deze uitspraak binnen 4 weken na verzending van de uitspraak te verwerken op de landelijke voorziening. Overschrijding redelijke termijn 12. [appellanten] verzoekt om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. 12.1. De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze die uit één rechterlijke instantie bestaat zonder voorafgaande bezwaarprocedure, is in beginsel een totale lengte van ten hoogste twee jaar redelijk. De termijn begint op het moment van ontvangst van het beroepschrift door de Afdeling. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, of als in een zaak een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur in een zaak over een bestemmingsplan, dat is voorbereid met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb, is niet overschreden als na de instelling van het beroep een tussenuitspraak is gedaan binnen een termijn van twee jaar en de einduitspraak is gedaan binnen een jaar na ontvangst van de mededeling van het bestuursorgaan van de wijze waarop het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek is hersteld. 12.2. De Afdeling heeft het beroepschrift van [appellanten] ontvangen op 26 januari 2022. De redelijke termijn is in deze procedure dus afgerond met 2 jaar overschreden. Op 24 december 2024 heeft de Afdeling een tussenuitspraak gedaan. Daarmee heeft de Afdeling de redelijke behandelingsduur met afgerond 11 maanden overschreden. De Afdeling heeft na ontvangst van het herstelbesluit binnen de redelijke behandelingsduur van één jaar einduitspraak gedaan. Dit betekent dat de overschrijding van de redelijke termijn voor 13/24 deel wordt toegerekend aan de raad en voor 11/24 deel aan de Afdeling. 12.3. De Afdeling hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,00 per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 2.000,00. Proceskosten 13. De raad moet de proceskosten van [appellanten] in bero