Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:359
202400790/2/R3. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant] en anderen, allen wonend in Hengelo, appellanten, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel (hierna: de rechtbank) van 21 december 2023, zoals gewijzigd bij hersteluitspraak van 1 februari 2024, in zaken nrs. 23/923 en 23/896 in het geding tussen: [appellant] en anderen en het college van burgemeester en wethouders van Hengelo. Procesverloop Bij tussenuitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3845, heeft de Afdeling het college opgedragen om binnen 12 weken het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek te herstellen in het besluit van 27 juli 2023. Bij besluit van 7 oktober 2025 (hierna: het tweede herstelbesluit) heeft het college ter uitvoering van de tussenuitspraak het voorschrift over de parkeervoorziening in de omgevingsvergunning gewijzigd. [appellant] en anderen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop het gebrek is hersteld. Zij hebben van die gelegenheid geen gebruik gemaakt. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 9 maart 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. De tussenuitspraak 2. Met een besluit van 27 juli 2023 heeft het college beoogd om door de rechtbank geconstateerde gebreken in het besluit 27 februari 2023 te herstellen. Het college heeft daarbij aan de op 28 oktober 2022 verleende omgevingsvergunning een voorschrift toegevoegd waardoor een parkeervoorziening moest worden aangelegd. In overwegingen 9.8 en 10 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat het college er ten onrechte van uit is gegaan dat deze parkeervoorziening aangelegd kan worden binnen de mogelijkheden van het bestemmingsplan. Daarom had de rechtbank moeten oordelen dat het besluit van 27 juli 2023 in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel is. Dit besluit is dus in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb. 3. De Afdeling heeft het college opgedragen om alsnog te onderzoeken hoe een parkeervoorziening geregeld kan worden, dat toereikend te motiveren en eventueel een gewijzigd of nieuw besluit te nemen. Daarbij moest het college in ieder geval onderzoeken of de voor te schrijven aanleg van een parkeervoorziening voor de padelbanen te beperken is tot eentje die wel ondergeschikt is en de overige parkeerbehoefte op andere wijze te regelen. Het tweede herstelbesluit 4. Met het tweede herstelbesluit heeft het college het voorschrift over de aan te leggen parkeervoorziening in de omgevingsvergunning gewijzigd. Het gewijzigde voorschrift bepaalt dat 15 parkeerplaatsen voor padel moeten worden aangelegd en in stand gehouden in overeenstemming met de bij dat besluit gevoegde tekening "Gewijzigd parkeerplan september 2025" (hierna: het parkeerplan 2025). Daarbij moeten de parkeerplaatsen beschikbaar en bereikbaar zijn en blijven. In het parkeerplan 2025 zijn 15 parkeerplaatsen ingetekend ten zuiden van de padelbanen. Het beroep van rechtswege 5. Het tweede herstelbesluit is onderdeel van