Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:356
202407263/1/R3. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: 1. [appellant sub 1], wonend in Stiens, gemeente Leeuwarden, 2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend in Stiens, gemeente Leeuwarden, appellanten, en de raad van de gemeente Leeuwarden, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 25 september 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Stiens - Steenslân II" vastgesteld. Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] beroep ingesteld. De raad heeft een verweerschrift ingediend. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] hebben een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 10 november 2025, waar [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], en de raad, vertegenwoordigd door K.I. Thoma, zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft. Toetsingskader 2. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen. Inleiding 3. Het bestemmingsplan voorziet hoofdzakelijk in de ontwikkeling van 105 woningen. Het plangebied bevindt zich ten zuidoosten van het centrum van Stiens, waarbij het plangebied grotendeels wordt omsloten door het fietspad het Mierepad, de Brêgeleane en de Trijehoeksdyk. Op grond van het voorheen geldende bestemmingsplan "Butengebied en doarpen" hadden de gronden binnen het plangebied de bestemming "Agrarisch". 4. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] wonen aan de Eysingastrjitte en de Brêgeleane, nabij het plangebied, en kunnen zich niet met het bestemmingsplan verenigen. Beroepsgronden Beroep van [appellant sub 2] Onvoldoende motivering woningbehoefte 5. [appellant sub 2] betoogt dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van behoefte aan de woningen die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. Daartoe voert [appellant sub 2] aan dat vanwege de daling van economische activiteiten in Leeuwarden en omstreken, het maar zeer de vraag is of de behoefte aan woningen die de raad ziet aanwezig is. Daarbij wijst [appellant sub 2] eveneens op de omstandigheid dat mogelijk minder buitenlandse studenten naar Nederland komen, vanwege de geplande bezuinigingen op het onderwijs. Volgens [appellant sub 2] heeft de raad ook geen rekening gehouden met een verwachte daling aan arbeids- en asielmigranten, terwijl politieke partijen volgens [appellant sub 2] willen werken met maximumaantallen. [appellant sub 2] brengt naar voren dat ook om die reden de verwachting is dat er minder vraag naar woningen bestaat. Verder betoogt [appellant sub 2] dat uit publicaties uit het verleden blijkt dat er juist sprake is van een vertrekoverscho Gelet op wat de Afdeling onder 5.3 en 5.4 heeft overwogen is die behoefte aan woningen voor de planlocatie van dit bestemmingsplan deugdelijk onderbouwd. Alleen al om die reden zijn de locaties in Leeuwarden waar [appellant sub 2] op wijst, geen alternatief voor de woningen die het bestemmingsplan mogelijk maakt. Het betoog slaagt niet. Verkeersveiligheid 7. [appellant sub 2] betoogt dat in het plan ten onrechte maar één ontsluitingsweg is opgenomen. [appellant sub 2] voert in dat kader aan dat voor de veiligheid van de mogelijke toekomstige bewoners een tweede ontsluitingsweg hard nodig is. Daarnaast brengt [appellant sub 2] naar voren dat het plangebied voor mensen in een rolstoel slecht bereikbaar is, vanwege een steil bruggetje dat is ingetekend. [appellant sub 2] wijst daarbij ook op eerdere plannen waarbij de raad de bruggetjes had geschrapt om te voorkomen dat rolstoelgebruikers worden belemmerd. Tot slot voert [appellant sub 2] aan dat het geplande voetpad aan de oostzijde van de Brêgeleane zou moeten worden omgebouwd naar een fietspad, vanwege de levensgevaarlijke splitsing bij de zuidelijke brug. Volgens [appellant sub 2] is nu al sprake van een onoverzichtelijke situatie waarbij mensen de weg moeten oversteken richting het fietspad over de brug, die gevaarlijke situatie wordt door de ontwikkeling die dit plan mogelijk maakt verergerd. 7.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen tweede ontsluitingsweg noodzakelijk is, omdat de woningbouwplannen slechts leiden tot een beperkte toename aan verkeer. Verder ligt de exacte situering en vorm van zowel wandelpaden als bruggen niet vast in het bestemmingsplan. Deze zijn in het stedenbouwkundige plan opgenomen, maar worden nog nader uitgewerkt in een bestektekening, waarbij eveneens rekening wordt gehouden met mensen met een beperking. 7.2. Artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept." Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant. 7.3. Over de betogen dat ten onrechte maar één ontsluitingsweg is opgenomen en dat het plangebied voor rolstoelgebruikers slecht bereikbaar zou zijn, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] met die betogen niet opkomt voor zijn eigen belang, maar dat van toekomstige bewoners van de voorziene woningen binnen het plangebied. Hiermee beroept [appellant sub 2] zich op een deelaspect van de norm van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belang. Dit betekent dat hij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb niet op die norm kan beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze betogen, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan. Overigens heeft de raad zich op het standpunt gesteld dat de exacte situering en vorm van de bruggen niet vaststaat in het bestemmingsplan en dat bij het uitwerken van de bestektekening van het plan, en dus ook bij de invulling van de bruggen die toegang bieden tot het plangebied, rekening zal worden gehouden met mensen met een beperking. 7.4. Voor zover [appellant sub 2] betoogt dat bij de splitsing bij de zuidelijke brug sprake is van een gevaarlijke situatie, die met dit plan wordt verergerd, overweegt de Afd Het is volgens [appellant sub 2] volkomen onverantwoord om nieuwbouw mogelijk te maken in een dergelijke omgeving. Verder brengt [appellant sub 2] naar voren dat de gronden van het plangebied tot voor kort werden gebruikt voor agrarische doeleinden, waarbij gebruik is gemaakt van beschermingsmiddelen die PFAS-verbindingen bevatten. Volgens [appellant sub 2] had de aanwezigheid van PFAS in de gronden van het plangebied voor de raad reden moeten zijn om af te zien van de vaststelling van het plan. 9.1. Voor zover [appellant sub 2] wijst op gevolgen voor het milieu doordat woningbouw zorgt voor stikstofproblemen, begrijpt de Afdeling zijn betoog zo dat hij zich daarmee beroept op de bepalingen van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb). De Afdeling zal eerst beoordelen of de relativiteit aan een inhoudelijke bespreking in de weg staat (vergelijk hiervoor onder 7.2). 9.2. De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.49 en 10.51, volgt dat een natuurlijk persoon die zich beroept op de bepalingen van de Wnb die strekken tot de bescherming van de natuurwaarden van een Natura 2000-gebied, zich beroept op een algemeen belang waarvoor hij niet in rechte kan opkomen. Verder volgt uit de uitspraak dat individuele belangen van een natuurlijk persoon bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn woon- en leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met de algemene belangen die de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen in de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belangen. De afstand tussen de woning van [appellant sub 2] en het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied is echter 5,4 km, zodat dit geen onderdeel van zijn woon- en leefomgeving vormt. Gelet daarop zal de Afdeling de beroepsgrond over stikstof niet inhoudelijk bespreken. 9.3. Daarnaast overweegt de Afdeling dat [appellant sub 2] met zijn betogen over de mogelijke geluidsoverlast ter plaatse van het plangebied vanwege de nabijgelegen militaire vliegbasis en de mogelijke aanwezigheid van PFAS-verbindingen in de gronden van het plangebied niet opkomt voor zijn eigen belangen, maar voor de belangen van de toekomstige bewoners van de voorziene woningen binnen het plangebied. Hiermee beroept [appellant sub 2] zich op deelaspecten van de norm van een goede ruimtelijke ordening die kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn eigen belangen. Dit betekent dat de Afdeling, gelet op wat onder 7.2 is overwogen, ook de beroepsgronden over geluid en de bodem niet inhoudelijk zal bespreken. Beroep van [appellant sub 1] Vertrouwensbeginsel 10. [appellant sub 1] betoogt dat de raad in strijd met het vertrouwensbeginsel heeft gehandeld door het bestemmingsplan vast te stellen. Daartoe voert zij aan dat een ambtenaar van de gemeente Leeuwarden haar bij de aankoop van haar woning in 2017 nadrukkelijk heeft geïnformeerd dat er in de 10 tot 15 jaar daarna geen woningbouwplannen in het plangebied aan de orde zouden zijn. Volgens [appellant sub 1] is het opstarten van de bouwactiviteiten voor 2032 dan ook in strijd met de door de raad gewekte verwachtingen. 10.1. De raad stelt zich op het standpunt dat geen sprake is geweest van een toezegging, maar dat de desbetreffende ambtenaar slechts een inschatting heeft gemaakt van een feitelijke situatie. Daarnaast zal de daadwerkelijke bouw van de woningen pas eind 2026 of begin 2027 plaatsvinden, waardoor er ongeveer tien jaar zullen zijn verstreken voordat nieuwe woningen worden gebouwd. 10.2. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant sub 1] niet aannemelijk gemaakt dat in het verleden door of namens de raad is toegezegd dat in het plangebied tot in ieder geval 2032 geen woningbouwp