Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:353
202400128/1/A2. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], voor dit hoger beroep woonplaats kiezend ten kantore van zijn gemachtigde in Amsterdam, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 december 2023 in zaak nr. 22/5650 in het geding tussen: [appellant] en de minister van Financiën (voorheen: de Belastingdienst/Toeslagen, hierna: de minister). Procesverloop Bij besluit van 14 april 2022 heeft de minister geweigerd om drie private schulden van [appellant] over te nemen. Bij besluit van 27 oktober 2022 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 13 december 2023 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. [appellant] heeft nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak, gevoegd met de zaken nrs. 202401289/1/A2 en 202403711/1/A2, op een zitting behandeld op 20 mei 2025, waar [appellant] via een videoverbinding, bijgestaan door mr. R.H. Bouwman, advocaat in Amsterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. M.A. Balbi en mr. S.N. Ishak, zijn verschenen. Na de zitting zijn de zaken gesplitst. Overwegingen Inleiding 1. Het besluit van 14 april 2022 is gebaseerd op het Besluit betalen private schulden. Op 5 november 2022 is de Wet hersteloperatie toeslagen (hierna: de Wht) in werking getreden. In de Wht is onder andere de regeling voor het overnemen van private schulden van gedupeerde ouders in het kader van de hersteloperatie toeslagen ondergebracht, die daarvoor was opgenomen in het Besluit betalen private schulden. Op grond van het overgangsrecht dat is neergelegd in artikel 8.6 van de Wht wordt het besluit van 14 april 2022 aangemerkt als een besluit die is genomen op grond van artikel 4.1 van de Wht. 2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. 3. [appellant] is een gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft de minister verzocht om overname van een drietal schulden van totaal omgerekend € 99.000,00 bij de bank Crédit Agricole du Maroc. [appellant] heeft bij het aangaan van deze leningen een appartement en een stuk land in Marokko als onderpand gegeven. 4. De minister heeft de afwijzing van deze aanvraag in bezwaar gehandhaafd. Hij heeft daaraan ten grondslag gelegd dat blijkens de door [appellant] overgelegde leningsovereenkomsten het om hypothecaire leningen gaat. Volgens de minister doet hieraan niet af dat de hypothecaire leningen niet zijn gebruikt voor de financiering van een woning. Op grond van artikel 4.1, vierde lid, van de Wht komen de resterende hoofdsommen van hypothecaire leningen niet in aanmerking voor overname of betaling, ook niet als deze volledig opeisbaar zijn geworden. Voor hypothecaire leningen kunnen slechts betalingsachterstanden worden vergoed, als is voldaan aan de daarvoor geldende voorwaarden. Omdat de leningen van [appellant] al zijn beëindigd en de hoofdsommen geheel opeisbaar zijn, is er volgens de minister geen sprake van achterstanden op deze leningen. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd, die de afwijzing van de aanvraag onevenredig maken. 5. De rechtbank heeft het beroep daartegen ongegrond verklaard. [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Bevoegdheid rechtbank 6. De Afdeling overweegt ambtshalve het volgende. Ten tijde van de indiening van het beroep tegen het besluit van 27 oktober 2022 verbleef [appellant] in de penitentiaire inrichting Zaanstad. De rechtbank heeft op grond daarvan geconcludeerd dat niet zij maar de rechtbank Noord-Holland bevoegd was kennis te nemen van de zaak. Zij heeft daarin, onder verwijzing naar de op de zitting van partijen gekregen toestemming om de zaak af te Evenmin is gesteld dat sprake is van een restschuld. Het betoog slaagt niet. - vertrouwensbeginsel 9. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Doordat de uitvoeringsorganisatie Sociale Banken Nederland (hierna: SBN) namens de minister contact heeft opgenomen met de bank Crédit Agricole du Maroc, is bij [appellant] de verwachting gewekt dat de schulden overgenomen zouden worden. 9.1. Wie zich, zoals [appellant], beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe. De Afdeling is met de rechtbank van oordeel dat [appellant] er niet in geslaagd is het bestaan van enige toezegging aannemelijk te maken waaraan hij het gerechtvaardigde vertrouwen kon ontlenen dat zijn schulden op basis van voornoemde drie leningen zouden worden overgenomen door de minister. Daarvoor is onvoldoende dat de uitvoeringsorganisatie SBN € 1,00 heeft overgemaakt aan de bank in Marokko. De minister heeft toegelicht dat deze transactie is gedaan ter verificatie van de buitenlandse schuldeiser en om er zeker van te zijn dat een eventuele betaling zou aankomen. Het e-mailbericht van SBN aan [appellant] van 16 maart 2022 is evenmin te beschouwen als een toezegging dat de schulden zouden worden overgenomen, omdat [appellant] daarin is bericht dat nog informatie ontbrak en hem is gevraagd die ontbrekende informatie over te leggen. Het betoog slaagt niet. - hardheidsclausule 10. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zijn beroep op de hardheidsclausule in artikel 9.1 van de Wht niet slaagt. Volgens [appellant] heeft de rechtbank ten onrechte niet gekeken naar zijn persoonlijke omstandigheden. Zo heeft de rechtbank niet bij haar oordeel betrokken dat [appellant] zich in detentie bevindt. 10.1. In de Wht is in artikel 9.1, tweede lid, aanhef en onder a, een hardheidsclausule opgenomen, op grond waarvan de minister kan afwijken van artikel 4.1, voor zover de toepassing daarvan gelet op het belang dat de bepaling beoogt te beschermen, zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. 10.2. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 12 februari 2025, ECLI:NL:2025:456, kan de hardheidsclausule worden toegepast in bijzondere situaties, waarbij toepassing van de bepaling zelf gelet op de ratio ervan onbillijk uitpakt of wanneer sprake is van schrijnende omstandigheden waardoor toepassing van de wettelijke bepaling achterwege moet blijven. Of het daarbij gaat om een situatie die door de wetgever in algemene zin is of kan zijn voorzien is daarbij niet van doorslaggevende belang. Bij schrijnende omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan serieuze en structurele financiële nood, aan ernstige medische omstandigheden, of aan andere ontwrichtende persoonlijke omstandigheden. Daarbij gaat het niet zozeer om omstandigheden die zich hebben voorgedaan in de periode waarin de toeslagaffaire zich voltrok en die vanzelfsprekend in veel gevallen schrijnend zijn geweest en tot schade kunnen leiden en ook vaak hebben geleid en waarvoor de herstelmaatregelen uit de Wht beogen een oplossing te bieden. Het moet gaan om actuele omstandigheden die samenhangen met (de gevolgen van) een weigering om de schulden over te nemen of te compenseren. Met het toepassen van de hardheidsclausule wordt een uitzondering gemaakt op de gebruikelijke toepassing van de regel. Dat betekent dat degene die er een beroep op doet, in ieder geval inzichtelijk moet maken waar de bijzonderheid of schrijnendheid in zijn of haar situatie uit bestaat, en dit zo concreet mogelijk dient te onderbouwen. 10.3. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de minister de hardheidsclausu