Rechtspraak Raad van State 2026-06-17
ECLI:NL:RVS:2026:3482
Bij beslissing van 28 november 2025 heeft de directeur onderwijs en student support aan [appellante] meegedeeld dat zij zal worden afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). [appellante] is een studente uit Irak. Sinds september 2023 volgt zij de masteropleiding Business Administration, die Saxion Hogeschool aanbiedt in samenwerking met Greenwich University. Omdat zij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet zij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de Momi-norm). Deze norm bedraagt 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten. Indien een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt. Aan de beslissing van 28 november 2025 ligt ten grondslag dat [appellante] in het studiejaar 2024-2025 de Momi-norm niet heeft gehaald. [appellante] heeft hier geen verschoonbare reden voor. Dat zij in Irak door haar oma is opgevoed en na het overlijden van haar oma naar Nederland is gekomen om bij haar familieleden in Nederland te zijn, valt niet onder de bijzondere familieomstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de Whw) en artikel 6.5 van de Gedragscode Internationale Student. 202600852/1/A2. Datum uitspraak: 17 juni 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellante], wonend in [woonplaats], appellante, en het college van bestuur van Saxion Hogeschool, verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 28 november 2025 heeft de directeur onderwijs en student support aan [appellante] meegedeeld dat zij zal worden afgemeld bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND). Bij beslissing van 12 maart 2026 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellante] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 21 april 2026, waar [appellante], bijgestaan door mr. R. Verspaandonk, advocaat in Den Haag, vergezeld door N. Dogan, tolk, en het college, vertegenwoordigd door R.L. Doorn, W.H. Ates en E. Löring, zijn verschenen. Overwegingen Inleiding 1. [appellante] is een studente uit Irak. Sinds september 2023 volgt zij de masteropleiding Business Administration, die Saxion Hogeschool aanbiedt in samenwerking met Greenwich University. Omdat zij een verblijfsvergunning heeft met als verblijfsdoel "studie" moet zij elk studiejaar voldoen aan de norm die voortvloeit uit de Wet Modern Migratiebeleid (de Momi-norm). Deze norm bedraagt 50% van het in dat jaar te halen aantal studiepunten. Indien een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt. 2. Aan de beslissing van 28 november 2025 ligt ten grondslag dat [appellante] in het studiejaar 2024-2025 de Momi-norm niet heeft gehaald. [appellante] heeft hier geen verschoonbare reden voor. Dat zij in Irak door haar oma is opgevoed en na het overlijden van haar oma naar Nederland is gekomen om bij haar familieleden in Nederland te zijn, valt niet onder de bijzondere familieomstandigheden, zoals bedoeld in artikel 7.51 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (de Whw) en artikel 6.5 van de Gedragscode Internationale Student. 3. Het wettelijke kader is opgenomen in de bijlage. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak. Bevoegdheid van de Afdeling 4. Het college stelt zich op het standpunt dat de Afdeling niet bevoegd is om over dit geschil te oordelen, omdat de opleiding die [appellante] volgt niet geaccrediteerd is op grond van de Whw. De rechtsverhouding tussen [appellante] en Saxion is uitsluitend contractueel van aard. [appellante] volgt formeel het masterprogramma aan de University of Greenwich en dat masterprogramma is niet op grond van de Whw geaccrediteerd. De rechten van [appellante] vloeien daarom niet uit de Whw voort, maar uit de algemene leveringsvoorwaarden die zij bij haar inschrijving heeft ontvangen. Daar komt bij dat de beslissing van het college geen beslissing is die op grond van de Whw is genomen, aldus het college. 4.1. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3876, onder 4.1, heeft overwogen volgt uit artikel 7.64, eerste lid, van de Whw, in samenhang gelezen met artikelen 1.1, onder g, 1.8, eerste lid, en 7.1, eerste lid, van de Whw, dat de Afdeling bevoegd is te oordelen over beslissingen, inhoudende een rechtshandeling jegens een betrokkene, genomen door een orgaan van een instelling voor hoger onderwijs. Als instelling voor hoger onderwijs wordt in artikel 1.1, onder g van de Whw onder meer aangemerkt een bekostigde instelling opgenomen in de bijlage van de Whw onder a tot en met i. Voor de bevoegdheid van de Afdeling is, wat betreft bekostigde instellingen, dus alleen van belang of de, al dan niet geaccrediteerde, opleiding wordt aangeboden aan een bekostigde instelling. Saxion Hogeschool is een bekostigde instelling, genoemd onder g van de bijlage bij de Whw. 4.2. Volgens vaste rechtspraak (zie de uitspraak van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs van 24 oktober 2018, 2018/078, onder 2.4 en de uitspraak van de Afdeling van 12 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1461, onder 4.3) staat tegen de beslissing van het college om het niet voldoen aan de Momi-norm aan de IND te melden bij de onderwijsinstelling krachtens de Whw rechtsbescherming open. 4.3. Daarmee is ook voldaan aan de overige voorwaarden van artikel 7.64 van de Whw. De Afdeling is daarom bevoegd in eerste en enige aanleg te oordelen over het geschil in deze procedure. Beroep en oordeel van de Afdeling 5. Niet in geschil is dat [appellante] de Momi-norm niet heeft gehaald. In geschil is of er persoonlijke omstandigheden zijn waardoor dat verschoonbaar is. 6. [appellante] betoogt dat haar omstandigheden kunnen worden aangemerkt als bijzondere familieomstandigheden als bedoeld in de Whw. Verder betoogt zij dat uit het Rapport onderzoek verschoonbare redenen van de Landelijke Commissie Gedragscode Hoger Onderwijs uit februari 2021 volgt dat afstuderen een reden is om af te zien van de melding. Het college heeft de ruimte die het heeft om af te zien van een Momi-melding te beperkt opgevat. In dat verband merkt zij op dat Saxion niet verplicht is om een melding te doen bij de IND. 6.1. Als een student niet voldoet aan de Momi-norm, moet het college dit aan de IND melden, tenzij sprake is van persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan onvoldoende studievoortgang kon worden geboekt. Of op basis van voortdurende persoonlijke omstandigheden afmelding bij de IND achterwege kan worden gelaten, moet door het college worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3240). Daarbij is van betekenis of de student de omstandigheden tijdig heeft gemeld, zodat daarmee door de opleiding rekening kan worden gehouden. 6.2. Het college is in de beslissing van 12 maart 2026 ingegaan op de door [appellante] gestelde persoonlijke omstandigheden. Het college mocht zich op het standpunt stellen dat het enkele feit dat haar familie in Nederland woont en dat zij in Irak geen familie meer heeft, onvoldoende is om te worden aangemerkt als bijzondere familieomstandigheden die de voortgang van de studie hebben bemoeilijkt. Daar komt bij dat [appellante] zich tijdens het studiejaar 2024-2025 niet heeft gemeld bij de decaan of haar studieloopbaanbegeleider om persoonlijke omstandigheden te melden. 6.3. Het college heeft verder toegelicht dat hij mogelijk coulant met het bezwaar van [appellante] had kunnen omgaan, als er zicht op zou zijn geweest dat zij binnen afzienbare tijd haar master zou kunnen afronden.