Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:345
202404880/1/R4. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant] en anderen, allen wonend in Utrecht, appellanten, en 1. de raad van de gemeente Utrecht, 2. het college van burgemeester en wethouders van Utrecht, verweerders. Procesverloop Bij besluit van 27 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Strosteeg 18-36, Binnenstad" vastgesteld. Bij besluit van 11 juli 2024 heeft het college aan Ered B.V. een omgevingsvergunning voor de bouw van 38 woningen en de kap van een boom op het adres Strosteeg 18-36 verleend. De besluiten zijn met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling uit artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) voorbereid en bekendgemaakt. Tegen deze besluiten hebben [appellant] en anderen beroep ingesteld. Ered heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Bij besluit van 28 november 2024 heeft het college onder intrekking van het besluit van 11 juli 2024 Ered opnieuw een omgevingsvergunning voor de bouw van 38 woningen en de kap van een boom op het adres Strosteeg 18-36 verleend. De raad en het college hebben gezamenlijk een verweerschrift ingediend. [appellant] en anderen hebben tegen het besluit van 28 november 2024 beroepsgronden ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 3 september 2025, waar [appellant] en [appellant A] en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer, K. Hoogenboezem en C. de Vet, zijn verschenen. Verder is daar Ered, vertegenwoordigd door mr. Th.F. Roest, advocaat in Haarlem en [gemachtigden], als partij gehoord. Ered heeft in een reactie verzocht om heropening van het onderzoek. Het college en [appellant] en anderen hebben een nadere reactie en nadere stukken ingediend. De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 18 december 2025, waar [appellant] en [appellant A] en de raad en het college, beide vertegenwoordigd door mr. Brouwer, mr. N.J. van Polanen, Hoogenboezem en De Vet, zijn verschenen. Verder is daar Ered, vertegenwoordigd door mr. Roest en [gemachtigden], gehoord. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Het ontwerpplan is op 22 december 2023 ter inzage gelegd en de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 23 juni 2023. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wro, de Crisis- en herstelwet (Chw) en de Wabo, zoals dat gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Inleiding 2. Het bestemmingsplan voorziet in het juridisch-planologisch mogelijk maken van 38 appartementen aan de Strosteeg 18-36 en een binnentuin. Het plangebied ligt in de binnenstad van Utrecht, op de plek waar vroeger drukkerij Abels zat. De locatie ligt naast de parkeergarage Springweg. De omgevingsvergunningen maken de bouw van de woningen en de kap van een boom in het plangebied mogelijk. [appellant] en anderen wonen aan de Haverstraat en Strosteeg en komen vanwege de gevolgen voor hun woon- en leefklimaat op tegen het plan en de vergunningen. Ered is de initiatiefnemer van het project. 2.1. Het college heeft 7.1. De Afdeling is in het kader van het uitwerkingsplan in haar uitspraak van 22 maart 2023 onder 10.3, 10.4, 10.5 en 10.6 op deze punten ingegaan en heeft daarover geoordeeld dat de betogen niet slagen. Zij ziet geen aanleiding daarover in het kader van het bestemmingsplan, dat in eenzelfde ruimtelijke ontwikkeling voorziet, anders te oordelen. Daarbij merkt de Afdeling nog op dat de raad in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan beleidsruimte heeft om de maximale bouw- en goothoogte te bepalen. Wat betreft de bereikbaarheid van de woningen aan de Haverstraat noordzijde overweegt de Afdeling dat het bestemmingsplan niets afdoet aan de bereikbaarheid van die woningen via de Haverstraat zelf. Omdat het hier niet om een uitwerkingsplan gaat, is de uitwerkingsregel in artikel 27.2, aanhef en onder e, van de regels van het bestemmingsplan "Binnenstad" waarin staat dat in de noord-zuidrichting een voetgangersrelatie moet worden geprojecteerd die aansluit op een onderdoorgang naar de Haverstraat, niet van toepassing. Deze eis is niet neergelegd in het bestemmingsplan omdat, zoals op de zitting van 18 december 2025 aan de orde is gekomen, er momenteel geen plek is waar zo’n onderdoorgang zou kunnen worden gerealiseerd. De plek die hiervoor in beeld was, wordt nu als garage gebruikt. Wel is in artikel 5.2.1, onder 2, van de planregels bepaald dat tussen de Strosteeg en het binnenterrein met de bestemming "Tuin" een steeg met een minimale breedte van 1,33 m dient te worden vrijgehouden. Of ook de bewoners van de woningen aan de Haverstraat van deze steeg gebruik kunnen maken, is evenwel een kwestie die niet door het bestemmingsplan wordt geregeld. De betogen slagen niet. Parkeren 8. [appellant] en anderen betogen dat de raad de oorspronkelijke parkeereis van elf parkeerplaatsen heeft geschrapt zonder daarbij de belangen van de omwonenden af te wegen. Bovendien is ten onrechte getoetst aan het parkeerbeleid uit 2019. 8.1. De raad dient bij de vaststelling van het bestemmingsplan te bezien of kan worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Daarom zal de Afdeling hierna beoordelen of redelijkerwijs op voorhand moet worden geoordeeld dat niet in voldoende parkeerplaatsen zou kunnen worden voorzien, en dat de raad zich om die reden niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bestemmingsplan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 8 december 2021, ECLI:NL:RVS:2021:2762. 8.2. De raad is in paragraaf 4.2.3 van de plantoelichting ingegaan op het parkeren. Hij heeft aan de beleidsregels Parkeernormen Fiets en Auto 2019 getoetst en geconcludeerd dat aan die beleidsregels kan worden voldaan. De raad heeft naar het oordeel van de Afdeling, gelet op de overgangsrechtelijke regeling in het parkeerbeleid uit 2021, terecht getoetst aan het parkeerbeleid uit 2019 omdat - zoals op de zitting van 18 december2025 door de raad is toegelicht - in mei 2021 met Ered een overeenkomst is gesloten over het aantal parkeerplaatsen. De Afdeling overweegt dat de raad de belangen van de omwonenden om gevrijwaard te blijven van parkeeroverlast bij de toetsing heeft meegenomen. Aan de bewoners van de nieuwe woningen wordt geen vergunning voor parkeren op de openbare weg verleend. Dit gebeurt door de nieuwe adressen op zogenoemde de adressenlijst uitsluiting parkeervergunningen te plaatsen. Voor de parkeerbehoefte van de nieuwbouw van netto 7,3 plaatsen zijn de parkeergarages van Hoog Catharijne beschikbaar. Ook daarover zijn afspraken gemaakt. De maximale loopafstand in parkeerzone A1, waar de Strosteeg in ligt, is volgens het parkeerbeleid 2019 voor de functie wonen 750 m en voor de functies werken en bezoek 1.000 m. De afstand van de planlocatie tot de voorziene parkeergarage van Hoog Catharijne voldoet aan de afstand van 750 m. Van de door [appellant] en anderen gestelde strijd met het parkeerbeleid 2019 is daarom niet gebleken. In wat zij hebben aangevoerd Evenals toen ziet de Afdeling af van een bespreking van die beroepsgrond omdat het relativiteitsvereiste in artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aan een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in de weg staat. Bodemverontreiniging 12. [appellant] en anderen wijzen erop dat het plangebied ernstig verontreinigd is. Zij betogen dat de raad niet heeft onderkend dat grondwerkzaamheden hier ook voor hen tot risico’s voor de gezondheid kunnen leiden. 12.1. De aanwezigheid van verontreinigingen in de bodem, de noodzaak van sanering van verontreinigde plaatsen en de wijze waarop deze saneringen moeten worden uitgevoerd, zijn geregeld in afzonderlijke wetgeving met eigen procedures. Die procedures staan nu niet ter beoordeling. Maar de raad mag het bestemmingsplan niet vaststellen als hij op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat de aanwezige bodemverontreiniging aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. 12.2. In paragraaf 5.7 van de plantoelichting staat dat door Aeres milieu een verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 6 bij de plantoelichting gevoegd. Aeres milieu concludeert dat verspreid over de onderzoekslocatie, behoudens het westelijke perceel, sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Ter plaatse is een verharding aanwezig waardoor er momenteel geen sprake is van contactmogelijkheid of gezondheidsrisico’s. De aangetoonde verontreiniging met zware metalen betreft een historische, immobiele verontreiniging (oude ophooglaag). Afhankelijk van de planontwikkeling en grondroerende werkzaamheden zullen sanerende maatregelen nodig zijn. De milieuhygiënische conditie van de bodem vormt een belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Het uitvoeren van grondroerende activiteiten (graven of andere grondbewerking) is, behoudens op het westelijke terreindeel, niet toegestaan zonder instemming van de bevoegde overheid. Toekomstige grondwerken, de begeleiding en de voorwaarden/regels voor een veilig verloop dienen in een vooraf opgesteld en goedgekeurd saneringsplan of een zogeheten BUS-melding opgenomen te zijn. Zo dient afhankelijk van de maaiveldprofilering voor een toekomstige tuin minimaal een schone leeflaag aangebracht te worden zodat contactmogelijkheid vermeden wordt. De raad heeft verder in de plantoelichting opgemerkt dat de initiatiefnemer in zijn begroting rekening heeft gehouden met de kosten van de sanering en dat de sanering niet aan de financiële uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat. In het verweerschrift heeft de raad gesteld dat voor de bodemsanering een BUS-melding is ingediend en dat deze is goedgekeurd. 12.3. Naar het oordeel van de Afdeling heeft raad zich, gelet op het bovenstaande, redelijkerwijs op het standpunt kunnen stellen dat de aanwezige bodemverontreiniging op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staat. Bij uitvoering volgens een BUS-melding is de bodem geschikt voor het toekomstige gebruik. [appellant] en anderen hebben niet toegelicht waarom voor hen als omwonenden van de planlocatie gezondheidsrisico’s bestaan als volgens een BUS-melding op basis van het Besluit uniforme saneringen wordt gewerkt. Daarbij wijst de Afdeling er nog op dat sprake is van een immobiele verontreiniging. Het betoog slaagt niet. Stikstof 13. [appellant] en anderen betogen dat de raad blijkens de plantoelichting voor stikstof in de bouwfase ten onrechte is uitgegaan van de bouwvrijstelling op grond van de Wet stikstofreductie en natuurverbetering. 13.1. Dit betoog betreft de stikstofgevolgen van de woningbouwontwikkeling voor de natuur. Het wettelijke kader hiervoor is de Wet natuurbescherming (Wnb). De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van projecten en andere handelingen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied, zijn daarin opgenomen ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit de uitspraak van de Afdeling [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat de raad redelijkerwijs op voorhand had moeten inzien dat het bestemmingsplan niet kan worden uitgevoerd zonder dat de daarvoor benodigde gemeentelijke gronden in strijd met het gelijkheidsbeginsel, zoals nader is uitgewerkt in het Didam-arrest, aan de ontwikkelaar zouden zijn verkocht. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1157, onder 9.3-9.4. Het betoog slaagt niet. Conclusie bestemmingsplan 16. Het beroep tegen het bestemmingsplan is ongegrond. 17. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden. De omgevingsvergunning van 11 juli 2024 18. De omgevingsvergunning van 11 juli 2024 is met de omgevingsvergunning van 28 november 2024 ingetrokken. Niet is gebleken van een belang dat [appellant] en anderen nog hebben bij een beoordeling van het beroep tegen de omgevingsvergunning van 11 juli 2024. Het beroep tegen die vergunning is daarom niet-ontvankelijk. De omgevingsvergunning van 28 november 2024 19. Met het besluit van 28 november 2024 heeft het college het besluit van 11 juli 2024 ingetrokken en de omgevingsvergunning opnieuw en ongewijzigd verleend, maar ditmaal met uitdrukkelijke vermelding van de toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor een verhoging van de goothoogte. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Op het besluit van 28 november 2024 is ook de gemeentelijke coördinatieregeling van toepassing wat betekent dat, anders dan in het gemeenteblad van 2 december 2024, nr. 505543, over de beroepsmogelijkheid bij de rechtbank Midden-Nederland is vermeld, de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een beroep daartegen. 19.1. Voor [appellant] en anderen is van rechtswege een beroep tegen het besluit van 28 november 2024 ontstaan. Ered heeft op de zitting van 18 december 2025 verklaard geen bezwaar te hebben tegen de omgevingsvergunning van 28 november 2024. Voor haar is geen beroep van rechtswege ontstaan. 19.2. Bij brieven van 18 juni 2025 en 6 december 2025 hebben [appellant] en anderen gronden tegen de omgevingsvergunning van 28 november 2024 ingediend. Een deel van deze beroepsgronden houdt evenwel verband met het bestemmingsplan. Wat betreft de wijze waarop de raad is geïnformeerd, de gestelde strijd met de Visie Strosteeg, de toegankelijkheid van de binnentuin, de doorgang naar de Haverstraat, de participatie, de bodemverontreiniging, het parkeren en de aanwezigheid van vleermuizen volgt uit wat de Afdeling hierboven bij de beoordeling van het bestemmingsplan heeft overwogen dat deze betogen niet slagen. 19.3. [appellant] en anderen betogen verder dat met de omgevingsvergunning ten onrechte toepassing is gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 9.2, aanhef en onder 1, van de regels van het bestemmingsplan om de hoogte van een zakgoot (een goot tussen twee hellende dakvlakken) te verruimen van 10,5 m naar 11,545 m. Omdat volgen hen is uitgegaan van een onjuist peil, komt de goothoogte op ruim 11,6 m, een verruiming van meer dan 10%. Verder heeft het college volgens hen geen goede afweging gemaakt, gelet op de gevolgen voor het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van hun woonpercelen. Hoge blinde muren en balkons leiden voor hen tot een verlies aan privacy, uitzicht en bezonning. 19.3.1. Voor zover het betreft de afwijkingsbevoegdheid zelf is de Afdeling daar onder 9-9.2 op ingegaan. De Afdeling ziet niet in dat het college niet de afweging heeft kunnen maken om de hoogte van een van de goten met bijna 10% te verhogen. Aan de voorwaarden voor toepassing van de bevoegdheid is voldaan. Dat is gerekend met een onjuiste peilhoogte, is niet gebleken. Zoals het college op de zitting heeft toegelicht, is uitgangspunt de hoogte van de kruin van de weg (artikel 1.56, eerste lid, van de regels van het bestemmingsplan). Daarvan uitgaande blijft de verhoging binn