Rechtspraak Raad van State 2026-01-21
ECLI:NL:RVS:2026:336
202305102/1/A3. Datum uitspraak: 21 januari 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: [appellante], gevestigd in Tiel, appellante, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 17 juli 2023 in zaak nr. 23/4008 in het geding tussen: [appellante] en de burgemeester van Tiel. Procesverloop Bij besluit van 2 februari 2023 heeft de burgemeester aan [appellante] een last onder bestuursdwang opgelegd. Bij besluit van 7 juni 2023 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 17 juli 2023 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 19 november 2025, waar [appellante], vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. S.T. Blom, advocaat in Amsterdam, en de burgemeester van Tiel, vertegenwoordigd door mr. B.J.W. Walraven, advocaat in Rotterdam, vergezeld door W.J.M. Driessen en S.J.A. Rooijendijk, zijn verschenen. Overwegingen 1. De relevante regelgeving is opgenomen in een bijlage die onderdeel is van deze uitspraak. Inleiding 2. [appellante] exploiteert een coffeeshop, genaamd [coffeeshop], aan de [locatie] in Tiel. 3. Met het besluit van 2 februari 2023 heeft de burgemeester aan [appellante], gelet op artikel 125 van de Gemeentewet, artikel 13b van de Opiumwet en het Coffeeshopbeleid gemeente Tiel 2015 (hierna: Coffeeshopbeleid), een last onder bestuursdwang opgelegd, die inhoudt dat [appellante] de coffeeshop gedurende anderhalve maand gesloten moet houden. Volgens de burgemeester heeft [appellante] het G-criterium van de zogenoemde AHOJGI-criteria uit het Coffeeshopbeleid overtreden. Dit criterium houdt onder meer in dat de handelsvoorraad niet meer mag zijn dan 500 gram. De burgemeester heeft zich voor de vaststelling van de overtreding gebaseerd op de bestuurlijke rapportage van 31 augustus 2022 die de burgemeester van de politie heeft ontvangen. Uit de bestuurlijke rapportage kan worden opgemaakt dat de politie op 29 juni 2022 een onderzoek is gestart naar het voertuig van de persoon die bij de politie ambtshalve bekend is als de eigenaar van de coffeeshop. Voorafgaand aan de controle van het voertuig heeft de politie een ander verdacht voertuig in de nabijheid van het voertuig van de eigenaar van de coffeeshop gezien. De politie heeft vervolgens besloten om dit verdachte voertuig op te wachten bij de coffeeshop. Aldaar heeft de politie waargenomen dat een werknemer van de coffeeshop met een grote bigshopper in zijn hand de coffeeshop verliet en deze bigshopper vervolgens in een voertuig plaatste. Bij controle van de bigshopper door de politie bleek dat zich daarin in totaal 340 gram softdrugs bevond. Vervolgens heeft de politie met toestemming van de officier van justitie de coffeeshop, , de bovenliggende woning en de aan de achterzijde gelegen garage doorzocht. In de coffeeshop heeft de politie 463,4 gram aan softdrugs aangetroffen. Samen met de softdrugs in de bigshopper is dat 803,4 gram. In de woonruimte boven de coffeeshop en in de aangrenzende garage heeft de politie in totaal 909,86 gram aan softdrugs aangetroffen. Ook heeft de politie vastgesteld dat beide ruimten in verbinding staan met, en in gebruik zijn voor, de exploitatie van de coffeeshop. Volgens de burgemeester betekent het voorgaande dat bij de coffeeshop in totaal een handelsvoorraad softdrugs van 1.713,26 gram is aangetroffen. De burgemeester heeft zich op het standpunt gesteld dat de aangetroffen hoeveelheid softdrugs ruim driemaal groter is dan de hoeveelheid die volgens het Coffeeshopbeleid is toegestaan. Volgens de burgemeester is dit de tweede overtreding van het G-criterium van de AHOJGI-criteria van [appellante]. Bij de eerste overtreding op 11 september 2021 heeft de politie bij de coffee In het bestuursrechtelijke geding is zodanig bewijs slechts dan niet toegestaan, indien het is verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht. 6.2. Het is de Afdeling niet gebleken dat dit hier het geval is. De bestuurlijke rapportage is naar waarheid opgemaakt op basis van op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal, politiemutaties en openbare bronnen door een operationeel expert bij de politie. Het is de Afdeling niet gebleken dat zich hierbij onrechtmatigheden hebben voorgedaan. Zoals onder 3 is overwogen, zijn de feiten die hebben geleid tot het binnentreden van de coffeeshop in de bestuurlijke rapportage beschreven. De stelling dat het er volgens [appellante] op lijkt dat het ging om een bewuste jacht naar de bevoorrading van de coffeeshop, wat daarvan ook zij, doet niet af aan de beschrijving van de feiten in de bestuurlijke rapportage. Daar komt bij dat het vaste rechtspraak van de Afdeling is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2614) dat coffeeshophouders geacht worden bekend te zijn met de achterdeurproblematiek en zij daarmee rekening dienen te houden bij de exploitatie van hun coffeeshop. De met het gedoogbeleid van coffeeshops samenhangende achterdeurproblematiek brengt niet noodzakelijkerwijs met zich dat de burgemeester in zijn beleid de bevoorrading van coffeeshops met softdrugs ook zou moeten gedogen. De burgmeester kan dus ook toezien op de bevoorrading van coffeeshops. In wat [appellante] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding om aan de juistheid van de inhoud van de rapportage te twijfelen. Wat betreft de meetmethode en gebruik van geijkte meetapparatuur, overweegt de Afdeling dat de burgemeester terecht is uitgegaan van de gegevens in de bestuurlijke rapportage. Het verschil met de toegestane hoeveelheid softdrugs is bovendien dermate groot, dat zelfs als de ijking zou zijn verlopen, dit geen invloed kan hebben gehad op het vaststellen van een overtreding. Bevoegdheid: is sprake van een overtreding van de Opiumwet? 6.3. Niet in geschil is dat in de voor het publiek toegankelijke verkoopruimte van de coffeeshop verdovende middelen, vermeld in lijst II van de Opiumwet werden verkocht. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (in bijvoorbeeld de uitspraak van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:486), doet zich daarmee een situatie voor als bedoeld in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet voor en is de burgemeester in beginsel bevoegd om bestuursdwang toe te passen. Het met betrekking tot coffeeshops gevoerde gedoogbeleid doet aan het bestaan van deze bevoegdheid niet af. Zulk beleid brengt slechts met zich dat toepassing van die bevoegdheid in een concreet geval, waarbij de gedoogcriteria worden nageleefd, onredelijk kan zijn en daarom achterwege moet blijven. 6.4. De burgemeester was dan ook bevoegd om de coffeeshop te sluiten. De vraag of de burgemeester dat in dit concrete geval ook heeft mogen doen, komt hierna aan de orde. De toepassing van de bevoegdheid: handelsvoorraad 6.5. Het criterium van het Coffeeshopbeleid dat volgens de burgemeester in dit geval is overtreden, is het zogenaamde G-criterium en luidt: "Geen verkoop van Grote hoeveelheden per transactie: dat wil zeggen hoeveelheden groter dan geschikt voor eigen gebruik (= 5 gram). Onder transactie wordt begrepen alle koop en verkoop in één coffeeshop op eenzelfde dag met betrekking tot eenzelfde koper. Ook geen aanwezigheid van grote hoeveelheden in voorraad (G). De handelsvoorraad mag niet meer zijn dan 500 gram*." 6.6. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2011, ECLI:NL:RVS:BP7161, kan voor de toepassing van beleid betreffende de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 13b van de Opiumwet, relevantie toekomen aan het feit dat er een directe relatie bestaat tussen de coffeeshop en drugs die zijn aangetroffe Zowel in het primaire besluit, de beslissing op bezwaar als een eventueel nader genomen besluit zal de burgemeester moeten beoordelen of sluiting op het tijdstip dat hem ingevolge deze besluitvorming voor ogen staat, gelet op het tijdsverloop in samenhang bezien met de overige omstandigheden van het geval, een geschikt middel is en zo ja, of sluiting noodzakelijk is. Als de burgemeester de beoogde doelen niet meer kan bereiken omdat de situatie al is hersteld, is sluiting ongeschikt. In het geval de burgemeester zijn doelen nog wel kan bereiken, dient hij de noodzaak van de sluiting te beoordelen. 7.3. De politie heeft op 29 juni 2022 een overtreding van de Opiumwet geconstateerd. De coffeeshop is feitelijk gesloten op 20 juli 2023. In het besluit op bezwaar heeft de burgemeester het noodzakelijk en evenredig gevonden om de coffeeshop te sluiten. Ter onderbouwing daarvan heeft de burgemeester erop gewezen dat het gaat om een ernstige overtreding, zodat hij ervan uit mag gaan dat dit kan leiden tot ripdeals en inbraken. Daarnaast is volgens hem sprake van recidive. Tot slot heeft de burgemeester omwille van het tijdsverloop afgeweken van de beleidsregels en besloten tot een sluiting van anderhalve maand. 7.4. Hoewel de burgemeester zich dus rekenschap heeft gegeven van de relevantie van het tijdsverloop, is de Afdeling van oordeel dat de burgemeester ten onrechte niet heeft beoordeeld of sluiting van de coffeeshop meer dan één jaar nadat de overtreding is geconstateerd nog geschikt is om de daarmee beoogde doelen te bereiken. De burgemeester heeft het besluit van 7 juni 2023 daarom in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ondeugdelijk gemotiveerd. De bestuurlijke rapportage die aan de besluitvorming van de burgemeester ten grondslag ligt, is zeer summier. Daaruit blijkt enkel van de aangetroffen softdrugs in de woning, garage en bigshopper. Er is verder niets bekend of vermeld over de eventuele impact van de overtreding op de omgeving of enig ander aanknopingspunt voor het kunnen beoordelen van de concrete omstandigheden van dit geval in relatie tot de met de sluiting van de coffeeshop beoogde doelen. 7.5. In dit geval acht de Afdeling, gelet op de toelichting van de burgemeester op de zitting, ook niet aannemelijk dat het middel van de sluiting, een jaar na de geconstateerde overtreding, nog geschikt was om de beoogde doelen te bereiken. De sluiting van de coffeeshop heeft in dit geval meer dan één jaar na het constateren en beëindigen van de overtreding plaatsgevonden. In die periode is kennelijk niets relevants is voorgevallen. Bij gebrek aan verdere aanknopingspunten over de concrete omstandigheden van dit geval, mag verondersteld worden dat door dit tijdsverloop de situatie ter plaatse al is hersteld en de negatieve effecten van de overtreding ongedaan gemaakt zijn. Dit maakt het middel van sluiting niet meer geschikt om de beoogde doelen te bereiken. Voor zover de burgemeester op de zitting heeft toegelicht dat hij met de sluiting van de coffeeshop een signaal naar de omgeving en andere coffeeshophouders heeft willen afgeven, geldt dat alleen het afgeven van een signaal, zonder verdere kenbare omstandigheden waarom een dergelijk signaal nodig is, onvoldoende is voor sluiting. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2923. 7.6. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat de burgemeester vanwege het tijdsverloop kon volstaan met een beperking van de sluitingsduur. Daarmee is zij voorbij gegaan aan de vraag of vanwege het tijdsverloop nog wel een geschikt middel was, gezien de doelen die de burgemeester daarmee wilde bereiken. Het betoog slaagt. Conclusie 8. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, verklaart de Afdeling het beroep tegen het besluit van 7 juni 2023 gegrond. De Afdeling vernietigt dat besluit wegens strijd met artik