Rechtspraak
Raad van State
2026-05-20
ECLI:NL:RVS:2026:2893
Bestuursrecht
Eerste aanleg - meervoudig
6,141 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2893 text/xml public 2026-05-20T10:32:38 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202505410/1/A2 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2893 text/html public 2026-05-20T10:16:51 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2893 Raad van State , 20-05-2026 / 202505410/1/A2 Bij beslissing van 10 mei 2025 heeft de opleidingsmanager, namens de decaan van de faculteit Maatschappij en Recht, [appellant] een formele schriftelijke waarschuwing gegeven. In april 2025 heeft de studentendecaan een klacht tegen [appellant] ingediend. De klacht zag op uitlatingen die [appellant], dan wel zijn gemachtigde namens hem, in een beroepsprocedure in schriftelijke stukken heeft gedaan. Het ging de studentendecaan om drie punten in het beroepschrift. [appellant] zou hebben gesteld dat de studentendecaan hem verzocht had zijn broek naar beneden te doen om een wond op zijn been te laten zien. Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de studentendecaan de verklaring van de huisarts in twijfel trok en toestemming heeft gevraagd om zelf contact op te nemen met de arts. Tot slot stond in datzelfde stuk de zin ‘Het eisen van en neuzen in medische gegevens is in dit geval uit den boze, kan en mag geen rol spelen.’ Naar aanleiding van de klacht is [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar daar niet verschenen. 202505410/1/A2. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 10 mei 2025 heeft de opleidingsmanager, namens de decaan van de faculteit Maatschappij en Recht, [appellant] een formele schriftelijke waarschuwing gegeven. Bij beslissing van 4 september 2025 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2026, waar [appellant] in persoon en het college vertegenwoordigd door mr. M.C. Werner, zijn verschenen. Ook is op de zitting de voormalig opleidingsmanager [opleidingsmanager] gehoord. Overwegingen Inleiding 1. In april 2025 heeft de studentendecaan een klacht tegen [appellant] ingediend. De klacht zag op uitlatingen die [appellant], dan wel zijn gemachtigde namens hem, in een beroepsprocedure in schriftelijke stukken heeft gedaan. Het ging de studentendecaan om drie punten in het beroepschrift. [appellant] zou hebben gesteld dat de studentendecaan hem verzocht had zijn broek naar beneden te doen om een wond op zijn been te laten zien. Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de studentendecaan de verklaring van de huisarts in twijfel trok en toestemming heeft gevraagd om zelf contact op te nemen met de arts. Tot slot stond in datzelfde stuk de zin ‘Het eisen van en neuzen in medische gegevens is in dit geval uit den boze, kan en mag geen rol spelen.’ Naar aanleiding van de klacht is [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar daar niet verschenen. De opleidingsmanager heeft vervolgens besloten op grond van artikel 7.57h, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) een ordemaatregel op te leggen in de vorm van een formele schriftelijke waarschuwing. De bestreden beslissing 2. Het college heeft die beslissing in bezwaar in stand gelaten en daaraan ten grondslag gelegd dat van twee punten duidelijk is dat die feitelijk hebben plaatsgevonden. In de schriftelijke stukken was een verklaring van [appellant] opgenomen dat hij zijn broek naar beneden ‘moest’ doen en dat hij dit ‘desgevraagd’ heeft gedaan. Dat hij later heeft aangegeven dat hij die verklaring in een bepaalde context heeft gegeven, doet niet af aan de onjuistheid van die verklaring. Daarmee staat voor het college vast dat [appellant] niet integer heeft gehandeld en dus in strijd met de Gedragscode Hogeschool van Amsterdam. Alleen deze overtreding zou het opleggen van de maatregel al rechtvaardigen. Het college overweegt daarnaast dat de uitspraak over het ‘neuzen in medische gegevens’ terecht bij die besluitvorming is betrokken. Hoewel gemachtigde stelt dat het gaat om zijn beeldspraak is volgens het college ook hiermee aangetoond dat [appellant] niet integer handelde. Beide uitlatingen hebben volgens het college de potentie om grote schade aan de studentendecaan toe te brengen, mede gelet op de huidige tijdsgeest, waar maatschappelijk veel aandacht is voor grensoverschrijdend gedrag. Dat de uitlatingen zijn gedaan in het kader van een beroepsprocedure maakt dit niet anders. Volgens het college is er geen sprake van vooringenomenheid. De maatregel is proportioneel omdat het enkel een aanmaning is en daarmee ook het lichtste middel. Beoordeling van het beroep 3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan het opleggen van de sanctie voldoende gelegenheid tot wederhoor is geweest. Dat dit beperkt is gebleven tot schriftelijke communicatie en het niet is gekomen tot een gesprek, is het gevolg van het feit dat [appellant] vast bleef houden aan de voorwaarde dat de studentendecaan daarbij aanwezig zou zijn. Nu [appellant] in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, maar hij daarvan heeft afgezien, bestaat geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen. Evenmin volgt uit het enkel niet horen dat sprake zou zijn van vooringenomenheid aan de kant van het college. 4. Voor het opleggen van een waarschuwing, zoals bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de Whw, moet sprake zijn van gedragingen die ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen veroorzaken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2088, onder 8.1, kunnen ook gedragingen in het digitale domein leiden tot een maatregel, mits die gedragingen hebben geleid tot ernstige overlast die uitwerking had binnen de gebouwen en terreinen van de instelling. 4.1. Het college betoogt ten onrechte dat deze uitleg met zich mee brengt dat in dit geval die bepaling ook de grondslag kan vormen voor het opleggen van een maatregel op grond van artikel 7.57h, tweede lid van de Whw. Uit het onderliggend feitencomplex volgt dat de gewraakte formulering van [appellant] over het moeten uittrekken van zijn broek staat in een e-mail van zijn hand, die zijn raadsman letterlijk heeft geciteerd in processtukken. De beeldspraak die door de raadsman is gebruikt over ‘het neuzen in medische gegevens’ staat in één van de processtukken. Deze processtukken waren onderdeel van een administratief beroepsprocedure en beroepsprocedure bij de Afdeling. De groep personen die daarvan kennis heeft genomen is daarom zeer beperkt. De Afdeling volgt het college niet in de stelling dat deze uitlatingen willens en wetens in het dossier zijn opgenomen met het oogmerk om de studentendecaan bij anderen, waaronder de werkgever, in een kwaad daglicht te stellen. Het is daarom voor de Afdeling niet duidelijk hoe deze uitingen in de processtukken dusdanig van aard en omvang kunnen zijn, dat daardoor sprake is geweest van ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de hogeschool. De Afdeling kan zich overigens wel voorstellen dat de studentendecaan door de uitlatingen onaangenaam getroffen was. Dat had aanleiding kunnen vormen voor een normoverdragend gesprek met [appellant], maar het rechtvaardigt geen maatregel in de vorm van een aanmaning, zoals bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid van de Whw. 5. Gelet op wat hierboven is overwogen, kunnen de beslissing op bezwaar van 4 september 2025 en het besluit van 10 mei 2025 niet in stand blijven. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. Conclusie 6. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit op bezwaar van 4 september 2025 en herroept het besluit van 10 mei 2025. 7. Het college moet de proceskosten vergoeden. Verzoek om schadevergoeding 8.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2893 text/xml public 2026-05-20T10:32:38 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202505410/1/A2 Uitspraak Eerste aanleg - meervoudig NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2893 text/html public 2026-05-20T10:16:51 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2893 Raad van State , 20-05-2026 / 202505410/1/A2 Bij beslissing van 10 mei 2025 heeft de opleidingsmanager, namens de decaan van de faculteit Maatschappij en Recht, [appellant] een formele schriftelijke waarschuwing gegeven. In april 2025 heeft de studentendecaan een klacht tegen [appellant] ingediend. De klacht zag op uitlatingen die [appellant], dan wel zijn gemachtigde namens hem, in een beroepsprocedure in schriftelijke stukken heeft gedaan. Het ging de studentendecaan om drie punten in het beroepschrift. [appellant] zou hebben gesteld dat de studentendecaan hem verzocht had zijn broek naar beneden te doen om een wond op zijn been te laten zien. Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de studentendecaan de verklaring van de huisarts in twijfel trok en toestemming heeft gevraagd om zelf contact op te nemen met de arts. Tot slot stond in datzelfde stuk de zin ‘Het eisen van en neuzen in medische gegevens is in dit geval uit den boze, kan en mag geen rol spelen.’ Naar aanleiding van de klacht is [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar daar niet verschenen. 202505410/1/A2. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak in het geding tussen: [appellant], wonend in [woonplaats], appellant, en het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam, verweerder. Procesverloop Bij beslissing van 10 mei 2025 heeft de opleidingsmanager, namens de decaan van de faculteit Maatschappij en Recht, [appellant] een formele schriftelijke waarschuwing gegeven. Bij beslissing van 4 september 2025 heeft het college het door [appellant] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [appellant] beroep ingesteld. Het college heeft een verweerschrift ingediend. [appellant] heeft een nader stuk ingediend. De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2026, waar [appellant] in persoon en het college vertegenwoordigd door mr. M.C. Werner, zijn verschenen. Ook is op de zitting de voormalig opleidingsmanager [opleidingsmanager] gehoord. Overwegingen Inleiding 1. In april 2025 heeft de studentendecaan een klacht tegen [appellant] ingediend. De klacht zag op uitlatingen die [appellant], dan wel zijn gemachtigde namens hem, in een beroepsprocedure in schriftelijke stukken heeft gedaan. Het ging de studentendecaan om drie punten in het beroepschrift. [appellant] zou hebben gesteld dat de studentendecaan hem verzocht had zijn broek naar beneden te doen om een wond op zijn been te laten zien. Vervolgens heeft [appellant] gesteld dat de studentendecaan de verklaring van de huisarts in twijfel trok en toestemming heeft gevraagd om zelf contact op te nemen met de arts. Tot slot stond in datzelfde stuk de zin ‘Het eisen van en neuzen in medische gegevens is in dit geval uit den boze, kan en mag geen rol spelen.’ Naar aanleiding van de klacht is [appellant] uitgenodigd voor een hoorgesprek, maar daar niet verschenen. De opleidingsmanager heeft vervolgens besloten op grond van artikel 7.57h, tweede lid, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (Whw) een ordemaatregel op te leggen in de vorm van een formele schriftelijke waarschuwing. De bestreden beslissing 2. Het college heeft die beslissing in bezwaar in stand gelaten en daaraan ten grondslag gelegd dat van twee punten duidelijk is dat die feitelijk hebben plaatsgevonden. In de schriftelijke stukken was een verklaring van [appellant] opgenomen dat hij zijn broek naar beneden ‘moest’ doen en dat hij dit ‘desgevraagd’ heeft gedaan. Dat hij later heeft aangegeven dat hij die verklaring in een bepaalde context heeft gegeven, doet niet af aan de onjuistheid van die verklaring. Daarmee staat voor het college vast dat [appellant] niet integer heeft gehandeld en dus in strijd met de Gedragscode Hogeschool van Amsterdam. Alleen deze overtreding zou het opleggen van de maatregel al rechtvaardigen. Het college overweegt daarnaast dat de uitspraak over het ‘neuzen in medische gegevens’ terecht bij die besluitvorming is betrokken. Hoewel gemachtigde stelt dat het gaat om zijn beeldspraak is volgens het college ook hiermee aangetoond dat [appellant] niet integer handelde. Beide uitlatingen hebben volgens het college de potentie om grote schade aan de studentendecaan toe te brengen, mede gelet op de huidige tijdsgeest, waar maatschappelijk veel aandacht is voor grensoverschrijdend gedrag. Dat de uitlatingen zijn gedaan in het kader van een beroepsprocedure maakt dit niet anders. Volgens het college is er geen sprake van vooringenomenheid. De maatregel is proportioneel omdat het enkel een aanmaning is en daarmee ook het lichtste middel. Beoordeling van het beroep 3. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat voorafgaand aan het opleggen van de sanctie voldoende gelegenheid tot wederhoor is geweest. Dat dit beperkt is gebleven tot schriftelijke communicatie en het niet is gekomen tot een gesprek, is het gevolg van het feit dat [appellant] vast bleef houden aan de voorwaarde dat de studentendecaan daarbij aanwezig zou zijn. Nu [appellant] in de gelegenheid is gesteld om te worden gehoord, maar hij daarvan heeft afgezien, bestaat geen grond voor het oordeel dat de besluitvorming onzorgvuldig is verlopen. Evenmin volgt uit het enkel niet horen dat sprake zou zijn van vooringenomenheid aan de kant van het college. 4. Voor het opleggen van een waarschuwing, zoals bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid, van de Whw, moet sprake zijn van gedragingen die ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen veroorzaken. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2088, onder 8.1, kunnen ook gedragingen in het digitale domein leiden tot een maatregel, mits die gedragingen hebben geleid tot ernstige overlast die uitwerking had binnen de gebouwen en terreinen van de instelling. 4.1. Het college betoogt ten onrechte dat deze uitleg met zich mee brengt dat in dit geval die bepaling ook de grondslag kan vormen voor het opleggen van een maatregel op grond van artikel 7.57h, tweede lid van de Whw. Uit het onderliggend feitencomplex volgt dat de gewraakte formulering van [appellant] over het moeten uittrekken van zijn broek staat in een e-mail van zijn hand, die zijn raadsman letterlijk heeft geciteerd in processtukken. De beeldspraak die door de raadsman is gebruikt over ‘het neuzen in medische gegevens’ staat in één van de processtukken. Deze processtukken waren onderdeel van een administratief beroepsprocedure en beroepsprocedure bij de Afdeling. De groep personen die daarvan kennis heeft genomen is daarom zeer beperkt. De Afdeling volgt het college niet in de stelling dat deze uitlatingen willens en wetens in het dossier zijn opgenomen met het oogmerk om de studentendecaan bij anderen, waaronder de werkgever, in een kwaad daglicht te stellen. Het is daarom voor de Afdeling niet duidelijk hoe deze uitingen in de processtukken dusdanig van aard en omvang kunnen zijn, dat daardoor sprake is geweest van ernstige overlast binnen de gebouwen en terreinen van de hogeschool. De Afdeling kan zich overigens wel voorstellen dat de studentendecaan door de uitlatingen onaangenaam getroffen was. Dat had aanleiding kunnen vormen voor een normoverdragend gesprek met [appellant], maar het rechtvaardigt geen maatregel in de vorm van een aanmaning, zoals bedoeld in artikel 7.57h, tweede lid van de Whw. 5. Gelet op wat hierboven is overwogen, kunnen de beslissing op bezwaar van 4 september 2025 en het besluit van 10 mei 2025 niet in stand blijven. Wat [appellant] verder heeft aangevoerd, behoeft daarom geen bespreking. Conclusie 6. Het beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit op bezwaar van 4 september 2025 en herroept het besluit van 10 mei 2025. 7. Het college moet de proceskosten vergoeden. Verzoek om schadevergoeding 8.
Volledig
[appellant] verzoekt om het college te veroordelen in de vergoeding van materiële en immateriële schade, die hij heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. 8.1. [appellant] heeft een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:91, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Uit deze uitspraak volgt dat de besluitvorming van het college onrechtmatig is. 8.2. Volgens vaste rechtspraak sluit de Afdeling voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aan bij het civiele schadevergoedingsrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2957. 8.3. De in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ doet zich in ieder geval voor als de benadeelde partij geestelijk letsel of lichamelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan meebrengen dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dat geval zal degene die zich hierop beroept dit met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. 8.4. Het ligt op de weg van [appellant] om met concrete gegevens te onderbouwen dat aantasting van zijn persoon, bijvoorbeeld in de vorm van psychische schade, sprake is. [appellant] heeft de door hem gestelde psychische schade als gevolg van de besluitvorming niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd. De aard en de ernst van de normschending brengen ook niet met zich dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat [appellant] stress en psychisch leed heeft ondervonden door de stempel van grensoverschrijdend gedrag dat hij naar zijn mening door de maatregel kreeg. Zijn enkele stelling op schrift en op zitting is echter onvoldoende om aannemelijk te maken dat er geestelijk letsel is dat kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon en dat daarom recht geeft op vergoeding van immateriële schade. 8.5. De Afdeling wijst het verzoek het verzoek om schadevergoeding af. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam van 4 september 2025, kenmerk 2025-079594/[appellant]; III. herroept het besluit van 10 mei 2025; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af; V. veroordeelt het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 53,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 284-1043
Volledig
[appellant] verzoekt om het college te veroordelen in de vergoeding van materiële en immateriële schade, die hij heeft geleden als gevolg van de besluitvorming. 8.1. [appellant] heeft een verzoek gedaan als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 8:91, eerste lid, van de Awb. Artikel 8:88, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter bevoegd is op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit of een andere onrechtmatige handeling ter voorbereiding van een onrechtmatig besluit. Uit deze uitspraak volgt dat de besluitvorming van het college onrechtmatig is. 8.2. Volgens vaste rechtspraak sluit de Afdeling voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade aan bij het civiele schadevergoedingsrecht. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952 en van 2 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2957. 8.3. De in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ doet zich in ieder geval voor als de benadeelde partij geestelijk letsel of lichamelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als geestelijk letsel niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan meebrengen dat de benadeelde op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In dat geval zal degene die zich hierop beroept dit met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders als de aard en ernst van de normschending meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. 8.4. Het ligt op de weg van [appellant] om met concrete gegevens te onderbouwen dat aantasting van zijn persoon, bijvoorbeeld in de vorm van psychische schade, sprake is. [appellant] heeft de door hem gestelde psychische schade als gevolg van de besluitvorming niet met voldoende concrete gegevens onderbouwd. De aard en de ernst van de normschending brengen ook niet met zich dat een aantasting in de persoon zonder meer kan worden aangenomen. Weliswaar kan niet worden uitgesloten dat [appellant] stress en psychisch leed heeft ondervonden door de stempel van grensoverschrijdend gedrag dat hij naar zijn mening door de maatregel kreeg. Zijn enkele stelling op schrift en op zitting is echter onvoldoende om aannemelijk te maken dat er geestelijk letsel is dat kan worden aangemerkt als een aantasting van zijn persoon en dat daarom recht geeft op vergoeding van immateriële schade. 8.5. De Afdeling wijst het verzoek het verzoek om schadevergoeding af. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep gegrond; II. vernietigt het besluit van het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam van 4 september 2025, kenmerk 2025-079594/[appellant]; III. herroept het besluit van 10 mei 2025; IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af; V. veroordeelt het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het bezwaar opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.332,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatige verleende rechtsbijstand; VI. gelast dat het college van bestuur van de Hogeschool van Amsterdam aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrag van € 53,00 vergoedt. Aldus vastgesteld door mr. W. den Ouden, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G.O. van Veldhuizen, leden, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, griffier. w.g. Den Ouden voorzitter w.g. Van Loon griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 284-1043