Rechtspraak
Raad van State
2026-05-18
ECLI:NL:RVS:2026:2799
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,040 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2799 text/xml public 2026-05-20T10:31:59 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 202601154/2/R1 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2799 text/html public 2026-05-13T14:24:53 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2799 Raad van State , 18-05-2026 / 202601154/2/R1 Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. 202601154/2/R1. Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2026 in zaak nr. 25/3406 in het geding tussen: [wederpartij], wonend in [woonplaats] en het college. Procesverloop Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 in stand gelaten. Bij uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2024 vernietigd. Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 onder een aanvullende motivering in stand gelaten. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2025 vernietigd, het besluit van 20 februari 2024 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit en bepaald dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken dient te verlenen. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [wederpartij] heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. d'Hooge, en [wederpartij], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Beoordeling van het verzoek 2. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De garageboxen hebben in het bestemmingsplan voor zover van belang de bestemming "Verkeer - Garagebox". Wonen is op grond van artikel 24.1 van de planregels niet toegestaan binnen die bestemming. 3. Met zijn aanvraag beoogt [wederpartij] de twee garageboxen in afwijking van het bestemmingplan te gebruiken voor bewoning in de vorm van een slaapkamer en een badkamer. Volgens het college is dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college daarom geweigerd om aan [wederpartij] een omgevingsvergunning te verlenen. Het besluit van 21 mei 2024 waarin het bezwaar van [wederpartij] tegen dat besluit ongegrond was verklaard, is in de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2025 vernietigd. Het tweede besluit op bezwaar van 23 april 2025, waarin het bezwaar van [wederpartij] onder een aanvullende motivering opnieuw ongegrond is verklaard, is bij uitspraak van 20 maart 2026 door de rechtbank vernietigd en de rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 februari 2024 te herroepen en het college op te dragen om aan [wederpartij] de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken te verlenen. Tegen die uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft het college de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, om zo te voorkomen dat zij de omgevingsvergunning in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak moet verlenen. 4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank, gelet op de unieke planologische situatie, waarbij in een bedrijfsgebouw dat tussen garageboxen en tuinen in ligt gewoond mag worden, terecht overwogen dat een vrees voor precedentwerking in het besluit van 23 april 2025 geen geldig argument is om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Maar de voorzieningenrechter ziet wel ruimte om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank dat de overige in het besluit van 23 april 2025 gegeven argumenten ook niet leiden tot het oordeel dat dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat het toestaan van woongebruik van een garagebox, waartoe de uitspraak van de rechtbank strekt, mede gelet op de ruimtelijke structuur van het gebied niet zonder meer voor de hand ligt. Verder valt te twijfelen aan het standpunt van [wederpartij] dat de rechtbank geheel, dan wel op onderdelen, gebonden was aan haar eerdere uitspraak van 17 maart 2025. Een dergelijke binding zou namelijk alleen gelden voor de oordelen die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven, terwijl in de uitspraak van 17 maart 2025 hoofdzakelijk is overwogen dat het besluit van 21 mei 2024 onvoldoende gemotiveerd is. 5.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2799 text/xml public 2026-05-20T10:31:59 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 202601154/2/R1 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2799 text/html public 2026-05-13T14:24:53 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2799 Raad van State , 18-05-2026 / 202601154/2/R1 Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. 202601154/2/R1. Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Amstelveen, verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2026 in zaak nr. 25/3406 in het geding tussen: [wederpartij], wonend in [woonplaats] en het college. Procesverloop Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college de aanvraag van [wederpartij] om een omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan voor bewoning gebruiken van twee garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2] geweigerd. Bij besluit van 21 mei 2024 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 in stand gelaten. Bij uitspraak van 17 maart 2025 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 21 mei 2024 vernietigd. Bij besluit van 23 april 2025 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] opnieuw ongegrond verklaard en het besluit van 20 februari 2024 onder een aanvullende motivering in stand gelaten. Bij uitspraak van 20 maart 2026 heeft de rechtbank het door [wederpartij] tegen dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 23 april 2025 vernietigd, het besluit van 20 februari 2024 herroepen, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van dat besluit en bepaald dat het college de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken dient te verlenen. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Tevens heeft het college de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. [wederpartij] heeft een nader stuk ingediend. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op een zitting behandeld op 30 april 2026, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.M. d'Hooge, en [wederpartij], zijn verschenen. Overwegingen Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet 1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 27 december 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft. Beoordeling van het verzoek 2. [wederpartij] is eigenaar van het bedrijfsgebouw aan de [locatie 3] in Amstelveen. Het bedrijfsgebouw bevindt zich aan een pleintje dat gedeeltelijk is omsloten door garageboxen. Achter het bedrijfsgebouw en de garageboxen bevinden zich de tuinen van een aantal rijen aaneengesloten woningen. In het bestemmingsplan "Amstelveen Midden West 2022" heeft de locatie van het bedrijfsgebouw voor zover van belang de bestemming "Bedrijf - Kleinschalig". Naar aanleiding van een in het verleden van rechtswege gegeven omgevingsvergunning voor het in strijd met het bestemmingsplan gebruiken van het bedrijfsgebouw als woning, is om dat gebruik in het bestemmingsplan op te nemen aan de locatie van het bedrijfsgebouw tevens de functieaanduiding "wonen" toegekend. Verder is [wederpartij] eigenaar van de twee aan het bedrijfsgebouw grenzende garageboxen aan de [locatie 1] en [locatie 2]. De garageboxen hebben in het bestemmingsplan voor zover van belang de bestemming "Verkeer - Garagebox". Wonen is op grond van artikel 24.1 van de planregels niet toegestaan binnen die bestemming. 3. Met zijn aanvraag beoogt [wederpartij] de twee garageboxen in afwijking van het bestemmingplan te gebruiken voor bewoning in de vorm van een slaapkamer en een badkamer. Volgens het college is dit in strijd met een goede ruimtelijke ordening. Bij besluit van 20 februari 2024 heeft het college daarom geweigerd om aan [wederpartij] een omgevingsvergunning te verlenen. Het besluit van 21 mei 2024 waarin het bezwaar van [wederpartij] tegen dat besluit ongegrond was verklaard, is in de uitspraak van de rechtbank van 17 maart 2025 vernietigd. Het tweede besluit op bezwaar van 23 april 2025, waarin het bezwaar van [wederpartij] onder een aanvullende motivering opnieuw ongegrond is verklaard, is bij uitspraak van 20 maart 2026 door de rechtbank vernietigd en de rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien door het besluit van 20 februari 2024 te herroepen en het college op te dragen om aan [wederpartij] de aangevraagde omgevingsvergunning binnen vier weken te verlenen. Tegen die uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. Daarnaast heeft het college de voorzieningenrechter van de Afdeling verzocht om de uitspraak van de rechtbank te schorsen, om zo te voorkomen dat zij de omgevingsvergunning in afwachting van een uitspraak in de bodemzaak moet verlenen. 4. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank, gelet op de unieke planologische situatie, waarbij in een bedrijfsgebouw dat tussen garageboxen en tuinen in ligt gewoond mag worden, terecht overwogen dat een vrees voor precedentwerking in het besluit van 23 april 2025 geen geldig argument is om de aangevraagde omgevingsvergunning te weigeren. Maar de voorzieningenrechter ziet wel ruimte om te twijfelen aan het oordeel van de rechtbank dat de overige in het besluit van 23 april 2025 gegeven argumenten ook niet leiden tot het oordeel dat dat het bouwplan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij is van belang dat het toestaan van woongebruik van een garagebox, waartoe de uitspraak van de rechtbank strekt, mede gelet op de ruimtelijke structuur van het gebied niet zonder meer voor de hand ligt. Verder valt te twijfelen aan het standpunt van [wederpartij] dat de rechtbank geheel, dan wel op onderdelen, gebonden was aan haar eerdere uitspraak van 17 maart 2025. Een dergelijke binding zou namelijk alleen gelden voor de oordelen die uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn gegeven, terwijl in de uitspraak van 17 maart 2025 hoofdzakelijk is overwogen dat het besluit van 21 mei 2024 onvoldoende gemotiveerd is. 5.