Rechtspraak
Raad van State
2026-05-18
ECLI:NL:RVS:2026:2708
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
3,263 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2708 text/xml public 2026-05-20T10:32:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.25.001615 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2708 text/html public 2026-05-12T13:49:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2708 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.25.001615 Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. BRS.25.001615 ECLI:NL:RVS:2026:2708 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 september 2025 in zaak nr. NL24.8101 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Rossem, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Betrokkene beoogt verblijf bij zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Hij stelt dat hij op grond van artikel 20 van het VWEU een van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht heeft als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor zijn dochter verricht. Verder heeft de minister volgens de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. Ook is de minister volgens de rechtbank onvoldoende ingegaan op de belangen van de dochter en heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van betrokkene uitvalt. 2. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij haar oordeel over het verrichten van zorg- en/of opvoedingstaken ook heeft betrokken de intentie van betrokkene om in de toekomst meer invulling te geven aan zorg- en opvoedingstaken en zijn wil om de financiële zorg voor de dochter gelijkmatiger te verdelen. De minister voert terecht aan dat hij bij zijn beoordeling geen rekening hoeft te houden met toekomstige gebeurtenissen. Hij is namelijk niet bevoegd om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 13 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3693, onder 5.3. Het is aan de minister om aan de hand van de omstandigheden zoals die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit te beoordelen of betrokkene daadwerkelijk zorg- en/of opvoedingstaken verricht en of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de vraag of de minister bij zijn beoordeling van de zorg- en/of opvoedingstaken rekening moet houden met toekomstige gebeurtenissen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 2.2. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank dat de minister in de rest van de eerste grief en de tweede grief bestrijdt, kan de uitspraak namelijk zelfstandig dragen. De Afdeling hoeft haar oordeel niet verder te motiveren. De reden daarvoor is dat wat de minister in de rest van de eerste grief en de tweede grief aanvoert geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.3. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen. 2.4. Ook roepen de rest van de eerste grief en de tweede grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest, Remling, punt 24). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 977
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2708 text/xml public 2026-05-20T10:32:10 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.25.001615 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2708 text/html public 2026-05-12T13:49:19 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2708 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.25.001615 Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. BRS.25.001615 ECLI:NL:RVS:2026:2708 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 23 september 2025 in zaak nr. NL24.8101 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 24 juli 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER als bedoeld artikel 9, eerste lid, van de Vw 2000, afgewezen. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 september 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. J.E. van Rossem, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. Betrokkene beoogt verblijf bij zijn minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. Hij stelt dat hij op grond van artikel 20 van het VWEU een van zijn dochter afgeleid verblijfsrecht heeft als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez-Vilchez, ECLI:EU:C:2017:354. De rechtbank heeft overwogen dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij meer dan marginale zorg- en/of opvoedingstaken voor zijn dochter verricht. Verder heeft de minister volgens de rechtbank niet deugdelijk gemotiveerd dat er geen zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. Ook is de minister volgens de rechtbank onvoldoende ingegaan op de belangen van de dochter en heeft hij niet deugdelijk gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het nadeel van betrokkene uitvalt. 2. De minister klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank bij haar oordeel over het verrichten van zorg- en/of opvoedingstaken ook heeft betrokken de intentie van betrokkene om in de toekomst meer invulling te geven aan zorg- en opvoedingstaken en zijn wil om de financiële zorg voor de dochter gelijkmatiger te verdelen. De minister voert terecht aan dat hij bij zijn beoordeling geen rekening hoeft te houden met toekomstige gebeurtenissen. Hij is namelijk niet bevoegd om een verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU vast te stellen als dat niet daadwerkelijk bestaat. De Afdeling wijst ter vergelijking op haar uitspraak van 13 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3693, onder 5.3. Het is aan de minister om aan de hand van de omstandigheden zoals die zich voordoen ten tijde van het nemen van het besluit te beoordelen of betrokkene daadwerkelijk zorg- en/of opvoedingstaken verricht en of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding tussen betrokkene en zijn dochter bestaat dat de dochter gedwongen zou zijn om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten, als de minister aan betrokkene een verblijfsrecht weigert. De rechtbank heeft dit niet onderkend. 2.1. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de vraag of de minister bij zijn beoordeling van de zorg- en/of opvoedingstaken rekening moet houden met toekomstige gebeurtenissen. Gelet op de arresten van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. 2.2. De grief leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het oordeel van de rechtbank dat de minister in de rest van de eerste grief en de tweede grief bestrijdt, kan de uitspraak namelijk zelfstandig dragen. De Afdeling hoeft haar oordeel niet verder te motiveren. De reden daarvoor is dat wat de minister in de rest van de eerste grief en de tweede grief aanvoert geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 2.3. De rechtbank heeft namelijk een zorgvuldigheids- of motiveringsgebrek geconstateerd. De minister komt daartegen in hoger beroep op terwijl dat gebrek zich, los van de vraag wat de uitkomst van de nieuwe besluitvorming moet zijn, eenvoudig laat herstellen. 2.4. Ook roepen de rest van de eerste grief en de tweede grief geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest, Remling, punt 24). 3. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van de gronden. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bevestigt de aangevallen uitspraak; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; III. bepaalt dat van de minister van Asiel en Migratie een griffierecht van € 579,00 wordt geheven. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzitter, en mr. M. den Heyer en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. Van Breda voorzitter w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 977