Rechtspraak
Raad van State
2026-05-18
ECLI:NL:RVS:2026:2703
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,885 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2703 text/xml public 2026-05-20T10:32:00 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.25.001523 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2703 text/html public 2026-05-12T11:51:54 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2703 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.25.001523 Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.25.001523 ECLI:NL:RVS:2026:2703 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 en haar einduitspraak van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.28274 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij tussenuitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.B. Ullah, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Bulgarije op 14 november 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. 1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. 1.2. In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep. 2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 967
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2703 text/xml public 2026-05-20T10:32:00 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.25.001523 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2703 text/html public 2026-05-12T11:51:54 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2703 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.25.001523 Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.25.001523 ECLI:NL:RVS:2026:2703 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag van 4 september 2025 en haar einduitspraak van 8 oktober 2025 in zaak nr. NL25.28274 in het geding tussen: [betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij tussenuitspraak van 4 september 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om een aan dat besluit klevend gebrek te herstellen. Bij uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraken heeft de minister hoger beroep ingesteld. Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.B. Ullah, advocaat in Rotterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen 1. In zijn hogerberoepschrift heeft de minister laten weten dat de uiterlijke termijn om betrokkene over te dragen aan Bulgarije op 14 november 2025 verstreek. Het staat nu dus vast dat Nederland verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag. Gelet daarop rijst de vraag of de minister nog belang heeft bij een beoordeling van het hoger beroep. 1.1. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1412, onder 5.2, heeft een bestuursorgaan, indien de rechtbank een besluit van dat bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk heeft vernietigd, belang bij het hoger beroep, alleen al wegens de precedentwerking die van die vernietiging kan uitgaan. 1.2. In deze zaak is de vraag aan de orde of de minister voor Turkse asielzoekers in Bulgarije van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. In haar pilotuitspraak van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133, heeft de Afdeling deze vraag bevestigend beantwoord. Anders dan de minister aanvoert, werpt het hoger beroep daarom geen rechtsvraag op die moet worden beantwoord wegens zaaksoverstijgend belang of mogelijke precedentwerking in soortgelijke zaken. De minister heeft daarom geen belang bij een beoordeling van zijn hoger beroep. 2. De Afdeling verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij betrokkene in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van S. van Dijk LLM, griffier. w.g. Van Breda lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Dijk griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 967