Rechtspraak
Raad van State
2026-05-18
ECLI:NL:RVS:2026:2701
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,311 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2701 text/xml public 2026-05-20T10:32:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.26.001690 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2701 text/html public 2026-05-12T10:51:29 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2701 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.26.001690 Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. BRS.26.001690 ECLI:NL:RVS:2026:2701 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.49681 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, en dat de minister aan appellant een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verzoek van verzoeker geen spoedeisend belang blijkt voor het treffen van een voorlopige voorziening. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 987
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2701 text/xml public 2026-05-20T10:32:41 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-18 BRS.26.001690 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2701 text/html public 2026-05-12T10:51:29 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2701 Raad van State , 18-05-2026 / BRS.26.001690 Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. BRS.26.001690 ECLI:NL:RVS:2026:2701 Datum uitspraak: 18 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 19 maart 2026 in zaak nr. NL25.49681 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 19 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, bepaald dat de minister binnen acht weken alsnog een besluit op de aanvraag bekendmaakt, en dat de minister aan appellant een dwangsom verbeurt van € 100,00 voor elke dag dat hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,00. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het verzoek van verzoeker geen spoedeisend belang blijkt voor het treffen van een voorlopige voorziening. 3. Het verzoek wordt afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. Van Breda voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2026 987