Rechtspraak
Raad van State
2026-05-13
ECLI:NL:RVS:2026:2697
Bestuursrecht
Voorlopige voorziening
4,091 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2697 text/xml public 2026-05-20T10:31:54 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 202601097/2/A3 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2697 text/html public 2026-05-12T08:34:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2697 Raad van State , 13-05-2026 / 202601097/2/A3 Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester van Nissewaard besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen. 202601097/2/A3. Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend in Spijkenisse, gemeente Nissewaard, verzoeker, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 10 april 2026 in zaak nr. 26/2082 in het geding tussen: [verzoeker] en de burgemeester van Nissewaard. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Stichting Maasdelta Groep heeft een nader stuk ingediend. Bij uitspraak van 16 april 2026, zaak nr. 202601097/3/A3, heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 april 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door E. Paydaş, rechtsbijstandverlener in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J. Bijloo en L. Groenewegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Maasdelta Groep, vertegenwoordigd door mr. M.E. Verheijen, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend en vragen gesteld aan de burgemeester. De burgemeester heeft de vragen beantwoord en [verzoeker] en Maasdelta Groep hebben hierop gereageerd. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Waar gaat deze zaak over? 2. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning aan de [locatie] in Spijkenisse. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen. Bij het besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en besloten om de woning op 5 maart 2026 te sluiten. De burgemeester heeft in het tijdsverloop aanleiding gezien om de totale duur van de sluiting van de woning te matigen tot zes weken. Omdat de woning al 20 dagen dicht was geweest, resteert een periode van drie weken. Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een ordemaatregel getroffen en het besluit op bezwaar geschorst. Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard en de schorsing opgeheven. 3. [verzoeker] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zijn woning niet wordt gesloten totdat op het hoger beroep is beslist. 4. Op 14 april 2026 heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter laten weten dat de burgemeester heeft aangekondigd dat zijn woning op 17 april 2026 wordt gesloten. 5. Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening. Beoordeling van het verzoek 6. De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Deze situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de getroffen voorziening, na afweging van de betrokken belangen, op te heffen. De voorzieningenrechter weegt mee dat de sluiting van de woning voor [verzoeker] en zijn kinderen zwaar is. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat zijn kinderen niet bij hun moeder kunnen wonen en dat zijn dochter onder behandeling is van een psycholoog. Verder verkeert [verzoeker] in een moeilijke financiële situatie omdat hij onder bewind staat en van een uitkering op bijstandsniveau leeft. Voorts loopt [verzoeker] door de sluiting van de woning het risico op buitengerechtelijke ontbinding van zijn huurovereenkomst. Hoewel dit zwaarwegende belangen zijn, wegen deze belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het algemeen belang van de burgemeester bij de bescherming van het woon- en leefklimaat en bij herstel van de openbare orde. Daartoe is het volgende redengevend. 7.1.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2697 text/xml public 2026-05-20T10:31:54 2026-05-12 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 202601097/2/A3 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2697 text/html public 2026-05-12T08:34:42 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2697 Raad van State , 13-05-2026 / 202601097/2/A3 Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester van Nissewaard besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen. 202601097/2/A3. Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), hangende het hoger beroep van: [verzoeker], wonend in Spijkenisse, gemeente Nissewaard, verzoeker, tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) van 10 april 2026 in zaak nr. 26/2082 in het geding tussen: [verzoeker] en de burgemeester van Nissewaard. Procesverloop Bij besluit van 20 november 2025 heeft de burgemeester besloten om de woning van [verzoeker] aan de [locatie] in Spijkenisse voor de duur van drie maanden te sluiten. Bij besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Stichting Maasdelta Groep heeft een nader stuk ingediend. Bij uitspraak van 16 april 2026, zaak nr. 202601097/3/A3, heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 30 april 2026, waar [verzoeker], bijgestaan door E. Paydaş, rechtsbijstandverlener in Rotterdam, en de burgemeester, vertegenwoordigd door J. Bijloo en L. Groenewegen, zijn verschenen. Voorts is ter zitting Stichting Maasdelta Groep, vertegenwoordigd door mr. M.E. Verheijen, advocaat te Rotterdam, als partij gehoord. Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend en vragen gesteld aan de burgemeester. De burgemeester heeft de vragen beantwoord en [verzoeker] en Maasdelta Groep hebben hierop gereageerd. Vervolgens heeft de voorzieningenrechter het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Waar gaat deze zaak over? 2. [verzoeker] woont met zijn 17-jarige zoon en 18-jarige dochter in de woning aan de [locatie] in Spijkenisse. Op 17 november 2025 ontving de politie een anonieme melding dat de zoon van [verzoeker] een vuurwapen zou bezitten. Hierop heeft de politie op 19 november 2025 de woning doorzocht. Volgens een bestuurlijke rapportage van de politie zijn daarbij een wapenstok en een revolver in de slaapkamer van [verzoeker] aangetroffen. Verder zijn 149,7 g cocaïne, vier zakjes hennep met een bruto gewicht van 16,1 g, € 3.660,00 contant geld en een mixer met witte residu in de woonkamer aangetroffen. De burgemeester heeft daarom op 20 november 2025 besloten om de woning van [verzoeker] voor drie maanden te sluiten vanwege overtreding van artikel 13b van de Opiumwet. [verzoeker] heeft daartegen bezwaar gemaakt en een verzoek om een voorlopige voorziening bij de rechtbank ingediend. Bij uitspraak van 9 december 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het besluit van 20 november 2025 geschorst tot twee weken na de bekendmaking van het besluit op bezwaar omdat de belangen van met name de kinderen van [verzoeker] zwaarder wegen dan de door de burgemeester gestelde belangen. Bij het besluit van 27 februari 2026 heeft de burgemeester het door [verzoeker] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en besloten om de woning op 5 maart 2026 te sluiten. De burgemeester heeft in het tijdsverloop aanleiding gezien om de totale duur van de sluiting van de woning te matigen tot zes weken. Omdat de woning al 20 dagen dicht was geweest, resteert een periode van drie weken. Bij uitspraak van 6 maart 2026 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank een ordemaatregel getroffen en het besluit op bezwaar geschorst. Bij uitspraak van 10 april 2026 heeft de rechtbank het door [verzoeker] ingestelde beroep ongegrond verklaard en de schorsing opgeheven. 3. [verzoeker] is het daar niet mee eens en heeft hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt dat zijn woning niet wordt gesloten totdat op het hoger beroep is beslist. 4. Op 14 april 2026 heeft [verzoeker] de voorzieningenrechter laten weten dat de burgemeester heeft aangekondigd dat zijn woning op 17 april 2026 wordt gesloten. 5. Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de voorzieningenrechter de burgemeester bij wijze van voorlopige voorziening opgedragen om niet over te gaan tot sluiting van de woning totdat de voorzieningenrechter heeft beslist over de opheffing of wijziging van deze voorlopige voorziening. Beoordeling van het verzoek 6. De voorzieningenrechter kan ingevolge artikel 8:86 van de Awb onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak, indien deze van oordeel is dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Deze situatie doet zich hier niet voor. De voorzieningenrechter zal daarom met een belangenafweging bepalen of er aanleiding bestaat om de getroffen voorlopige voorziening op te heffen of te wijzigen. Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter? 7. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om de getroffen voorziening, na afweging van de betrokken belangen, op te heffen. De voorzieningenrechter weegt mee dat de sluiting van de woning voor [verzoeker] en zijn kinderen zwaar is. [verzoeker] heeft ter zitting toegelicht dat zijn kinderen niet bij hun moeder kunnen wonen en dat zijn dochter onder behandeling is van een psycholoog. Verder verkeert [verzoeker] in een moeilijke financiële situatie omdat hij onder bewind staat en van een uitkering op bijstandsniveau leeft. Voorts loopt [verzoeker] door de sluiting van de woning het risico op buitengerechtelijke ontbinding van zijn huurovereenkomst. Hoewel dit zwaarwegende belangen zijn, wegen deze belangen naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op tegen het algemeen belang van de burgemeester bij de bescherming van het woon- en leefklimaat en bij herstel van de openbare orde. Daartoe is het volgende redengevend. 7.1.