Rechtspraak
Raad van State
2026-05-20
ECLI:NL:RVS:2026:2694
Bestuursrecht
Hoger beroep
13,914 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2694 text/xml public 2026-05-20T10:31:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202402400/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2694 text/html public 2026-05-11T16:17:20 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2694 Raad van State , 20-05-2026 / 202402400/1/A3 Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van documenten in de archiefbewaarplaats afgewezen. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] met het besluit van 6 oktober 2022 afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard, omdat het college een doel en een grondslag heeft voor het bewaren van de desbetreffende gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 maart 2023 onvoldoende is gemotiveerd. Dat oordeel is gebaseerd op twee gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd. 202402400/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 in zaak nr. 23/2243 in het geding tussen: [wederpartij], wonend in [woonplaats], en het college. Procesverloop Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van documenten in de archiefbewaarplaats afgewezen. Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een nader stuk ingediend. Bij besluit van 9 april 2024 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2022 herroepen en te kennen gegeven dat het college voornemens is om gedeeltelijk aan het verzoek van [wederpartij] tegemoet te komen. [wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 9 april 2024. Het college heeft een zienswijze gegeven. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 juli 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, en M.S. Rijksen, en [wederpartij], zijn verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nr. 202502164/1/A3. Tijdens de zitting was daarom ook [persoon A] aanwezig. Overwegingen Wat is de achtergrond van deze procedure? 1. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. 1.1. [wederpartij] heeft vervolgens tot aan de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) geprocedeerd over de schade die hij heeft geleden door het rapport. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:948) kort samengevat geoordeeld dat het college kan worden aangerekend dat het zich zonder voorbehoud heeft geschaard achter de inhoud van het rapport Bunt en geen aanleiding heeft gezien om afstand te nemen van de daarin gemaakte subjectieve en onprofessionele kwalificaties jegens [wederpartij]. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zich heeft ingespannen om vooraf waarborgen te scheppen aangaande het rapport en de vertrouwelijkheid daarvan. 1.2. De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB besloten een enquêtecommissie in te stellen om onderzoek te doen naar het P&O-beleid van de gemeente Zevenaar in de periode 1 juni 2002 tot 31 december 2015. Na het uitbrengen van haar eindrapport van 12 juni 2017 heeft de enquêtecommissie op 25 oktober 2017 besloten tot het opleggen van beperkingen aan de openbaarheid op al hetgeen aan haar digitaal of analoog ter beschikking is gesteld (de raadsenquêtedocumenten) en tot het overbrengen van de betreffende documenten naar het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg (het streekarchief) voor de duur van 75 jaar. 1.3. Parallel aan de hiervoor onder 1.2 vermelde procedure heeft de raad, als rechtsopvolger van de enquêtecommissie, besloten dat er een herbeoordeling moet plaatsvinden van de raadsenquêtedocumenten die naar het streekarchief zijn overgebracht. Dit naar aanleiding van de conclusie dat de betreffende documenten niet zonder een beoordeling aan de hand van op grond van de Archiefwet 1995 te hanteren selectielijsten onder het opleggen van openbaarheidsbeperkingen overgebracht mochten worden naar het streekarchief en dat een dergelijke beoordeling in het besluit van 25 oktober 2017 ten onrechte niet had plaatsgevonden. Die herbeoordeling hield in dat beoordeeld zou worden of de raadsenquêtedocumenten bewaard of vernietigd moesten worden. Bij besluit van het college van 13 juni 2023 heeft die herbeoordeling plaatsgevonden. Daarbij is besloten dat een deel van de overgebrachte raadsenquêtedocumenten wordt vernietigd en dat voor een deel van de te bewaren raadsenquêtedocumenten de opgelegde openbaarheidsbeperkingen worden opgeheven op het moment dat het besluit onherroepelijk is. Voor de resterende documenten blijven de openbaarheidsbeperkingen bestaan. 1.4. Het in deze procedure voorliggende verzoek hangt samen met een vergelijkbaar verzoek in zaak nr. 202502164/1/A3 en met de procedures in zaak nr. 202203935/1/A3, 202300320/1/A3 en 202400981/1/A3, waarin het besluit van 13 juni 2023 is beoordeeld. De Afdeling heeft vandaag in al die procedures uitspraak gedaan. De uitspraken over het besluit van 13 juni 2023 zijn ook relevant voor het oordeel in deze procedure. Relevante wet- en regelgeving 2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Verzoek van [wederpartij] 3. [wederpartij] heeft het college op 20 juli 2022 verzocht om vernietiging van de raadsenquêtedocumenten. Aangezien er geen grondslag bestaat voor een verzoek tot vernietiging van bij bestuursorganen berustende documenten, heeft het college dat verzoek van [wederpartij] aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG). Dit verzoek staat centraal in deze procedure. Wat heeft het college besloten? 4. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] met het besluit van 6 oktober 2022 afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard, omdat het college een doel en een grondslag heeft voor het bewaren van de desbetreffende gegevens. Het recht op wissing uit artikel 17, eerste lid, van de AVG blijft in dit geval buiten toepassing omdat zich twee uitzonderingssituaties voordoen uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder d en e, van de AVG. De eerste uitzondering is dat de verwerking nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. Daarbij heeft het college verwezen naar het besluit van 25 oktober 2017 waarbij raadsenquêtedocumenten op grond van de Archiefwet 1995 naar het streekarchief zijn overgebracht.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2694 text/xml public 2026-05-20T10:31:48 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-20 202402400/1/A3 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2694 text/html public 2026-05-11T16:17:20 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2694 Raad van State , 20-05-2026 / 202402400/1/A3 Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van documenten in de archiefbewaarplaats afgewezen. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] met het besluit van 6 oktober 2022 afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard, omdat het college een doel en een grondslag heeft voor het bewaren van de desbetreffende gegevens. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 maart 2023 onvoldoende is gemotiveerd. Dat oordeel is gebaseerd op twee gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd. 202402400/1/A3. Datum uitspraak: 20 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak op het hoger beroep van: het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 in zaak nr. 23/2243 in het geding tussen: [wederpartij], wonend in [woonplaats], en het college. Procesverloop Bij besluit van 6 oktober 2022 heeft het college het verzoek van [wederpartij] om vernietiging van documenten in de archiefbewaarplaats afgewezen. Bij besluit van 9 maart 2023 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 maart 2024 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 maart 2023 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van haar uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld. [wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Het college heeft een nader stuk ingediend. Bij besluit van 9 april 2024 heeft het college het bezwaar van [wederpartij] gegrond verklaard, het besluit van 6 oktober 2022 herroepen en te kennen gegeven dat het college voornemens is om gedeeltelijk aan het verzoek van [wederpartij] tegemoet te komen. [wederpartij] heeft gronden ingediend tegen het besluit van 9 april 2024. Het college heeft een zienswijze gegeven. De Afdeling heeft de zaak op de zitting van 11 juli 2025 behandeld, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.E.P.A. Lam, advocaat in Nijmegen, en M.S. Rijksen, en [wederpartij], zijn verschenen. Deze zaak is gelijktijdig op zitting behandeld met zaak nr. 202502164/1/A3. Tijdens de zitting was daarom ook [persoon A] aanwezig. Overwegingen Wat is de achtergrond van deze procedure? 1. [wederpartij] was 35 jaar werkzaam als ambtenaar van de gemeente Zevenaar op de afdeling Handhaving. In augustus 2005 is een bureau verzocht om het functioneren van de afdeling Handhaving van de gemeente Zevenaar in kaart te brengen met het doel de samenwerking te ‘ontstroeven’ en te professionaliseren. Op 18 oktober 2005 zijn de bevindingen en voorstellen uit het zogenoemde rapport Bunt aan de hand van sheets gepresenteerd. 1.1. [wederpartij] heeft vervolgens tot aan de Centrale Raad van Beroep (de CRvB) geprocedeerd over de schade die hij heeft geleden door het rapport. De CRvB heeft in zijn uitspraak van 19 maart 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:948) kort samengevat geoordeeld dat het college kan worden aangerekend dat het zich zonder voorbehoud heeft geschaard achter de inhoud van het rapport Bunt en geen aanleiding heeft gezien om afstand te nemen van de daarin gemaakte subjectieve en onprofessionele kwalificaties jegens [wederpartij]. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat het zich heeft ingespannen om vooraf waarborgen te scheppen aangaande het rapport en de vertrouwelijkheid daarvan. 1.2. De raad heeft naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB besloten een enquêtecommissie in te stellen om onderzoek te doen naar het P&O-beleid van de gemeente Zevenaar in de periode 1 juni 2002 tot 31 december 2015. Na het uitbrengen van haar eindrapport van 12 juni 2017 heeft de enquêtecommissie op 25 oktober 2017 besloten tot het opleggen van beperkingen aan de openbaarheid op al hetgeen aan haar digitaal of analoog ter beschikking is gesteld (de raadsenquêtedocumenten) en tot het overbrengen van de betreffende documenten naar het Streekarchivariaat de Liemers en Doesburg (het streekarchief) voor de duur van 75 jaar. 1.3. Parallel aan de hiervoor onder 1.2 vermelde procedure heeft de raad, als rechtsopvolger van de enquêtecommissie, besloten dat er een herbeoordeling moet plaatsvinden van de raadsenquêtedocumenten die naar het streekarchief zijn overgebracht. Dit naar aanleiding van de conclusie dat de betreffende documenten niet zonder een beoordeling aan de hand van op grond van de Archiefwet 1995 te hanteren selectielijsten onder het opleggen van openbaarheidsbeperkingen overgebracht mochten worden naar het streekarchief en dat een dergelijke beoordeling in het besluit van 25 oktober 2017 ten onrechte niet had plaatsgevonden. Die herbeoordeling hield in dat beoordeeld zou worden of de raadsenquêtedocumenten bewaard of vernietigd moesten worden. Bij besluit van het college van 13 juni 2023 heeft die herbeoordeling plaatsgevonden. Daarbij is besloten dat een deel van de overgebrachte raadsenquêtedocumenten wordt vernietigd en dat voor een deel van de te bewaren raadsenquêtedocumenten de opgelegde openbaarheidsbeperkingen worden opgeheven op het moment dat het besluit onherroepelijk is. Voor de resterende documenten blijven de openbaarheidsbeperkingen bestaan. 1.4. Het in deze procedure voorliggende verzoek hangt samen met een vergelijkbaar verzoek in zaak nr. 202502164/1/A3 en met de procedures in zaak nr. 202203935/1/A3, 202300320/1/A3 en 202400981/1/A3, waarin het besluit van 13 juni 2023 is beoordeeld. De Afdeling heeft vandaag in al die procedures uitspraak gedaan. De uitspraken over het besluit van 13 juni 2023 zijn ook relevant voor het oordeel in deze procedure. Relevante wet- en regelgeving 2. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak. Verzoek van [wederpartij] 3. [wederpartij] heeft het college op 20 juli 2022 verzocht om vernietiging van de raadsenquêtedocumenten. Aangezien er geen grondslag bestaat voor een verzoek tot vernietiging van bij bestuursorganen berustende documenten, heeft het college dat verzoek van [wederpartij] aangemerkt als een verzoek tot het wissen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (de AVG). Dit verzoek staat centraal in deze procedure. Wat heeft het college besloten? 4. Het college heeft het verzoek van [wederpartij] met het besluit van 6 oktober 2022 afgewezen en het daartegen gemaakte bezwaar met het besluit van 9 maart 2023 ongegrond verklaard, omdat het college een doel en een grondslag heeft voor het bewaren van de desbetreffende gegevens. Het recht op wissing uit artikel 17, eerste lid, van de AVG blijft in dit geval buiten toepassing omdat zich twee uitzonderingssituaties voordoen uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder d en e, van de AVG. De eerste uitzondering is dat de verwerking nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. Daarbij heeft het college verwezen naar het besluit van 25 oktober 2017 waarbij raadsenquêtedocumenten op grond van de Archiefwet 1995 naar het streekarchief zijn overgebracht.
Volledig
De tweede uitzonderingsgrond is dat de verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, omdat [wederpartij] de gemeente aansprakelijk heeft gesteld voor door hem geleden schade. Wat heeft de rechtbank geoordeeld? 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 maart 2023 onvoldoende is gemotiveerd. Dat oordeel is gebaseerd op twee gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd. 5.1. Het college heeft zich tijdens de zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat het voor de beoordeling van het wissingsverzoek niet nodig is om duidelijkheid te geven over de vraag welke documenten zijn overgebracht naar het streekarchief. De grondslag voor de verwerking en daarmee de weigering van het wissingsverzoek, is namelijk gelegen in het besluit van 25 oktober 2017 waardoor verwerking volgens het college nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. De rechtbank volgt het college daarin niet. Uit het heroverwegingsbesluit van 13 juni 2023 volgt immers dat een deel van de naar het streekarchief overgebrachte documenten wordt vernietigd. Blijkbaar is het college volgens de rechtbank van oordeel dat voor deze documenten, anders dan eerder is geoordeeld in het besluit van 25 oktober 2017, geen bewaarplicht op grond van de Archiefwet 1995 geldt. Het besluit van 13 juni 2023 zegt iets over de rechtmatigheid van de archivering en dus over de verwerking van de documenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Daarom is het besluit onvoldoende gemotiveerd. 5.2. Daarnaast heeft het college volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat een deel van de raadsenquêtedocumenten die naar het streekarchief is overgebracht van belang is voor de aansprakelijkheidsstelling van [wederpartij], is dit voor de rechtbank niet te beoordelen zolang zij niet op de hoogte wordt gesteld van de documenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Waarom is het college het niet met de rechtbank eens? 6. Het college betoogt dat de uitzonderingsgrond in artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG aan de orde is en dat het college dit ook voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen. Voor de beoordeling van het wissingsverzoek is het niet nodig om inzicht te geven in de raadsenquêtedocumenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Dat komt omdat het verzoek van [wederpartij] gaat over documenten die met toepassing van de Archiefwet 1995 met het besluit van 25 oktober 2017 zijn overgebracht naar het streekarchief en waarop openbaarheidsbeperkingen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 rusten. Het verstrekken van informatie over die documenten zou zich niet verdragen met de openbaarheidsbeperkingen die op de documenten rusten. De regeling uit de Archiefwet 1995 gaat dus in zoverre voor op de regeling uit de AVG. Dat volgt ook uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG, waarin is bepaald dat het recht op wissing van persoonsgegevens uit artikel 17, eerste lid, van de AVG niet van toepassing is voor zover verwerking nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. Ten tijde van het besluit van 9 maart 2023 gold nog steeds het besluit van 25 oktober 2017. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Met dat besluit is reeds op grond van de Archiefwet 1995 beoordeeld dat de documenten bewaard moeten worden. Dat besluit geldt voor alle documenten. Het college kan het wissingsverzoek gelet daarop niet anders dan weigeren. Daarnaast heeft het college erop gewezen dat [wederpartij] de gemeente in 2010 aansprakelijk heeft gesteld voor de handelwijze rondom het rapport Bunt. [wederpartij] heeft de verjaring van zijn vordering diverse malen gestuit. Gelet op deze aansprakelijkheidsstelling moet de gemeente er rekening mee houden dat [wederpartij] zijn claim geldend gaat maken. In die procedure moet de gemeente verweer kunnen voeren en het college moet dan kunnen beschikken over de desbetreffende documenten zonder dat daarin relevante persoonsgegevens zijn gewist. De documenten moeten daarom op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG niet worden vernietigd. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen, aldus het college. Beoordeling van het hoger beroep Terugkomen van eerdere rechtspraak 7. De Afdeling komt niet toe aan beoordeling van de gronden die het college in hoger beroep heeft aangevoerd. Daarvoor is het volgende van belang. 8. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.2 onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2065), onder 9, overwogen dat de verwerkingsverantwoordelijke gelet op de systematiek en de tekst van artikel 17 van de AVG eerst mag beoordelen of één van de uitzonderingen van artikel 17, derde lid, van de AVG zich voordoet. Als dit het geval is, mag de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens verwerken en is het eerste lid van artikel 17 van de AVG - waarin het recht op wissing van persoonsgegevens is vastgelegd - niet van toepassing. De Afdeling ziet aanleiding om terug te komen van deze rechtspraak. Dat betekent dat eerst beoordeeld moet worden of er op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG een recht op wissing van persoonsgegevens is, voordat wordt toegekomen aan de vraag of er een uitzondering op dat recht is op grond van het derde lid van dat artikel. Daarmee sluit de Afdeling aan bij het arrest van Hof van Justitie van 4 oktober 2024, QL, ECLI:EU:C:2024:827, punt 90 tot en met 93 en 124. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat bij de toepassing van het derde lid van artikel 17 van de AVG een afweging gemaakt moet worden tussen enerzijds de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens en anderzijds de rechtmatig te achten doelstellingen die met de verwerking worden nagestreefd. Vergelijk het arrest van het Hof van 8 december 2022, TU en RE/Google, ECLI:EU:C:2022:962, punt 56 tot en met 58. Voor het kunnen maken van die afweging, moet vastgesteld worden of de betrokkene op grond van het eerste lid van artikel 17 van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens. Gelet op het voorgaande moet dus allereerst beoordeeld worden of [wederpartij] op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. De rechtbank is daar niet aan toegekomen. Conclusie over het hoger beroep 9. Gelet op wat hiervoor onder 8 is overwogen, is het hoger beroep - hoewel op andere gronden ingesteld - gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Met de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank is aan het besluit van 9 april 2024 de grondslag komen te ontvallen. De Afdeling zal dit besluit daarom vernietigen. 10. De Afdeling zal het beroep beoordelen. Daarbij dient gelet op het voorgaande eerst vastgesteld te worden of [wederpartij] op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. Beoordeling van het beroep Heeft [wederpartij] recht op wissing van zijn persoonsgegevens? 11. [wederpartij] heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG geen recht op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. Daarvoor is het volgende van belang. 11.1. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de AVG bepaalt - kort samengevat - dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als zijn persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt. De Afdeling stelt vast dat de persoonsgegevens van [wederpartij] niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor die in eerste instantie zijn verzameld en verwerkt. De enquêtecommissie heeft immers op 12 juni 2017 haar eindrapport opgeleverd en is vervolgens bij besluit van de raad van 25 april 2018 opgeheven.
Volledig
De tweede uitzonderingsgrond is dat de verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering, omdat [wederpartij] de gemeente aansprakelijk heeft gesteld voor door hem geleden schade. Wat heeft de rechtbank geoordeeld? 5. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 9 maart 2023 onvoldoende is gemotiveerd. Dat oordeel is gebaseerd op twee gebreken die de rechtbank heeft geconstateerd. 5.1. Het college heeft zich tijdens de zitting bij de rechtbank op het standpunt gesteld dat het voor de beoordeling van het wissingsverzoek niet nodig is om duidelijkheid te geven over de vraag welke documenten zijn overgebracht naar het streekarchief. De grondslag voor de verwerking en daarmee de weigering van het wissingsverzoek, is namelijk gelegen in het besluit van 25 oktober 2017 waardoor verwerking volgens het college nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. De rechtbank volgt het college daarin niet. Uit het heroverwegingsbesluit van 13 juni 2023 volgt immers dat een deel van de naar het streekarchief overgebrachte documenten wordt vernietigd. Blijkbaar is het college volgens de rechtbank van oordeel dat voor deze documenten, anders dan eerder is geoordeeld in het besluit van 25 oktober 2017, geen bewaarplicht op grond van de Archiefwet 1995 geldt. Het besluit van 13 juni 2023 zegt iets over de rechtmatigheid van de archivering en dus over de verwerking van de documenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Daarom is het besluit onvoldoende gemotiveerd. 5.2. Daarnaast heeft het college volgens de rechtbank onvoldoende gemotiveerd dat de verwerking nodig is voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Hoewel de rechtbank zich kan voorstellen dat een deel van de raadsenquêtedocumenten die naar het streekarchief is overgebracht van belang is voor de aansprakelijkheidsstelling van [wederpartij], is dit voor de rechtbank niet te beoordelen zolang zij niet op de hoogte wordt gesteld van de documenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Waarom is het college het niet met de rechtbank eens? 6. Het college betoogt dat de uitzonderingsgrond in artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG aan de orde is en dat het college dit ook voldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen. Voor de beoordeling van het wissingsverzoek is het niet nodig om inzicht te geven in de raadsenquêtedocumenten die zijn overgebracht naar het streekarchief. Dat komt omdat het verzoek van [wederpartij] gaat over documenten die met toepassing van de Archiefwet 1995 met het besluit van 25 oktober 2017 zijn overgebracht naar het streekarchief en waarop openbaarheidsbeperkingen op grond van artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 rusten. Het verstrekken van informatie over die documenten zou zich niet verdragen met de openbaarheidsbeperkingen die op de documenten rusten. De regeling uit de Archiefwet 1995 gaat dus in zoverre voor op de regeling uit de AVG. Dat volgt ook uit artikel 17, derde lid, aanhef en onder d, van de AVG, waarin is bepaald dat het recht op wissing van persoonsgegevens uit artikel 17, eerste lid, van de AVG niet van toepassing is voor zover verwerking nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang. Ten tijde van het besluit van 9 maart 2023 gold nog steeds het besluit van 25 oktober 2017. De rechtbank heeft dat niet onderkend. Met dat besluit is reeds op grond van de Archiefwet 1995 beoordeeld dat de documenten bewaard moeten worden. Dat besluit geldt voor alle documenten. Het college kan het wissingsverzoek gelet daarop niet anders dan weigeren. Daarnaast heeft het college erop gewezen dat [wederpartij] de gemeente in 2010 aansprakelijk heeft gesteld voor de handelwijze rondom het rapport Bunt. [wederpartij] heeft de verjaring van zijn vordering diverse malen gestuit. Gelet op deze aansprakelijkheidsstelling moet de gemeente er rekening mee houden dat [wederpartij] zijn claim geldend gaat maken. In die procedure moet de gemeente verweer kunnen voeren en het college moet dan kunnen beschikken over de desbetreffende documenten zonder dat daarin relevante persoonsgegevens zijn gewist. De documenten moeten daarom op grond van artikel 17, derde lid, aanhef en onder e, van de AVG niet worden vernietigd. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen, aldus het college. Beoordeling van het hoger beroep Terugkomen van eerdere rechtspraak 7. De Afdeling komt niet toe aan beoordeling van de gronden die het college in hoger beroep heeft aangevoerd. Daarvoor is het volgende van belang. 8. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.2 onder verwijzing naar onder andere de uitspraak van de Afdeling van 20 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2065), onder 9, overwogen dat de verwerkingsverantwoordelijke gelet op de systematiek en de tekst van artikel 17 van de AVG eerst mag beoordelen of één van de uitzonderingen van artikel 17, derde lid, van de AVG zich voordoet. Als dit het geval is, mag de verwerkingsverantwoordelijke de persoonsgegevens verwerken en is het eerste lid van artikel 17 van de AVG - waarin het recht op wissing van persoonsgegevens is vastgelegd - niet van toepassing. De Afdeling ziet aanleiding om terug te komen van deze rechtspraak. Dat betekent dat eerst beoordeeld moet worden of er op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG een recht op wissing van persoonsgegevens is, voordat wordt toegekomen aan de vraag of er een uitzondering op dat recht is op grond van het derde lid van dat artikel. Daarmee sluit de Afdeling aan bij het arrest van Hof van Justitie van 4 oktober 2024, QL, ECLI:EU:C:2024:827, punt 90 tot en met 93 en 124. Uit de overwegingen van het Hof volgt dat bij de toepassing van het derde lid van artikel 17 van de AVG een afweging gemaakt moet worden tussen enerzijds de eerbiediging van het privéleven en de bescherming van persoonsgegevens en anderzijds de rechtmatig te achten doelstellingen die met de verwerking worden nagestreefd. Vergelijk het arrest van het Hof van 8 december 2022, TU en RE/Google, ECLI:EU:C:2022:962, punt 56 tot en met 58. Voor het kunnen maken van die afweging, moet vastgesteld worden of de betrokkene op grond van het eerste lid van artikel 17 van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens. Gelet op het voorgaande moet dus allereerst beoordeeld worden of [wederpartij] op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. De rechtbank is daar niet aan toegekomen. Conclusie over het hoger beroep 9. Gelet op wat hiervoor onder 8 is overwogen, is het hoger beroep - hoewel op andere gronden ingesteld - gegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden vernietigd. Met de vernietiging van de uitspraak van de rechtbank is aan het besluit van 9 april 2024 de grondslag komen te ontvallen. De Afdeling zal dit besluit daarom vernietigen. 10. De Afdeling zal het beroep beoordelen. Daarbij dient gelet op het voorgaande eerst vastgesteld te worden of [wederpartij] op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG recht heeft op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. Beoordeling van het beroep Heeft [wederpartij] recht op wissing van zijn persoonsgegevens? 11. [wederpartij] heeft op grond van artikel 17, eerste lid, van de AVG geen recht op wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. Daarvoor is het volgende van belang. 11.1. Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de AVG bepaalt - kort samengevat - dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als zijn persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt. De Afdeling stelt vast dat de persoonsgegevens van [wederpartij] niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor die in eerste instantie zijn verzameld en verwerkt. De enquêtecommissie heeft immers op 12 juni 2017 haar eindrapport opgeleverd en is vervolgens bij besluit van de raad van 25 april 2018 opgeheven.
Volledig
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt. Dat artikel bepaalt echter ook dat de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden wordt beschouwd. De Afdeling heeft vandaag in drie uitspraken in zaak nrs. 202203935/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2690), 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692) en 202400981/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2693) haar oordeel gegeven over het besluit van 13 juni 2023 over de archivering van de raadsenquêtedocumenten. Dat besluit is daardoor onherroepelijk. Daardoor staat vast welke raadsenquêtedocumenten gearchiveerd moeten worden en op welke manier. Dat betekent dat de verwerking van deze documenten nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang en dat er nog een doel is waarvoor de raadsenquêtedocumenten worden verwerkt. Gelet daarop kan [wederpartij] geen recht op wissing van zijn persoonsgegevens ontlenen aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de AVG. 11.2. Dat recht kan hij ook niet ontlenen aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG. Dat artikel bepaalt dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG is de verwerking rechtmatig als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om een onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur in te stellen. Van die bevoegdheid heeft de raad gebruikgemaakt en de raadsenquêtedocumenten zijn daar een uitvloeisel van. De persoonsgegevens in die documenten zijn dus rechtmatig verzameld en verwerkt gedurende het door de raad ingestelde onderzoek. Vervolgens is van belang dat er op grond van de Archiefwet 1995 op het college een wettelijke verplichting rust om de raadsenquêtedocumenten te archiveren. Het college heeft aan die verplichting voldaan met - uiteindelijk - het besluit van 13 juni 2023. Van onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van [wederpartij] in de raadsenquêtedocumenten is dus geen sprake. 11.3. Aangezien de persoonsgegevens van [wederpartij] in de raadsenquêtedocumenten rechtmatig zijn verzameld en daarna rechtmatig zijn verwerkt, komt de Afdeling in dit geval niet toe aan de toetsing van artikel 17, derde lid, van de AVG. Het betoog slaagt niet. 12. De Afdeling merkt nog het volgende op. [wederpartij] heeft in deze procedure verzocht om wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. [wederpartij] heeft specifiek verzocht om wissing van het rapport Bunt en zijn klachtdossier. Het rapport Bunt is echter geen onderdeel van de raadsenquêtedocumenten en is dus niet met het besluit van 13 juni 2023 naar het streekarchief overgebracht. Het college bewaart dit rapport in het gemeentearchief. De streekarchivaris heeft hierover het volgende verklaard in zijn advies van 21 april 2023: "Vraag 3: Zijn de 'Bunt-sheets' (KBB&T) aanwezig in het archief? En zo ja, moeten deze bewaard worden al dan niet met openbaarheidsbeperkingen of moeten deze vernietigd worden? Antwoord: De zogenaamde "Bunt-sheets" bevinden zich ook niet in de documenten waarop de openbaarheidsbeperkingen in stand blijven, of in de documenten die worden vernietigd." Het rapport Bunt valt dus buiten de omvang van het geding. Het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt, behoort daarentegen wel tot de raadsenquêtedocumenten. Daarvoor geldt wat de Afdeling hiervoor onder 11.1 en 11.2 heeft overwogen. Het betoog slaagt niet. Conclusie over het beroep 13. Het beroep is ongegrond. Proceskosten 14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 in zaak nr. 23/2243; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 9 april 2024, kenmerk Z/23/448016/UIT/24/1203324; IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 9 maart 2023, kenmerk Z/22/435972/UIT/23/1148526, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Meerman griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 960 Bijlage Relevante wet- en regelgeving Artikel 5, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming Persoonsgegevens moeten: a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie"); b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding"); c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking"); d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid"); e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking"); f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid").
Volledig
Artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van de AVG bepaalt dat persoonsgegevens voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze mogen worden verwerkt. Dat artikel bepaalt echter ook dat de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden wordt beschouwd. De Afdeling heeft vandaag in drie uitspraken in zaak nrs. 202203935/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2690), 202300320/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2692) en 202400981/1/A3 (ECLI:NL:RVS:2026:2693) haar oordeel gegeven over het besluit van 13 juni 2023 over de archivering van de raadsenquêtedocumenten. Dat besluit is daardoor onherroepelijk. Daardoor staat vast welke raadsenquêtedocumenten gearchiveerd moeten worden en op welke manier. Dat betekent dat de verwerking van deze documenten nodig is met het oog op archivering in het algemeen belang en dat er nog een doel is waarvoor de raadsenquêtedocumenten worden verwerkt. Gelet daarop kan [wederpartij] geen recht op wissing van zijn persoonsgegevens ontlenen aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder a, van de AVG. 11.2. Dat recht kan hij ook niet ontlenen aan artikel 17, eerste lid, aanhef en onder d, van de AVG. Dat artikel bepaalt dat een betrokkene recht heeft op het wissen van zijn persoonsgegevens door de verwerkingsverantwoordelijke als de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder c, van de AVG is de verwerking rechtmatig als de verwerking noodzakelijk is om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust. Artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet geeft de raad de bevoegdheid om een onderzoek naar het door het college gevoerde bestuur in te stellen. Van die bevoegdheid heeft de raad gebruikgemaakt en de raadsenquêtedocumenten zijn daar een uitvloeisel van. De persoonsgegevens in die documenten zijn dus rechtmatig verzameld en verwerkt gedurende het door de raad ingestelde onderzoek. Vervolgens is van belang dat er op grond van de Archiefwet 1995 op het college een wettelijke verplichting rust om de raadsenquêtedocumenten te archiveren. Het college heeft aan die verplichting voldaan met - uiteindelijk - het besluit van 13 juni 2023. Van onrechtmatige verwerking van de persoonsgegevens van [wederpartij] in de raadsenquêtedocumenten is dus geen sprake. 11.3. Aangezien de persoonsgegevens van [wederpartij] in de raadsenquêtedocumenten rechtmatig zijn verzameld en daarna rechtmatig zijn verwerkt, komt de Afdeling in dit geval niet toe aan de toetsing van artikel 17, derde lid, van de AVG. Het betoog slaagt niet. 12. De Afdeling merkt nog het volgende op. [wederpartij] heeft in deze procedure verzocht om wissing van zijn persoonsgegevens in de raadsenquêtedocumenten. [wederpartij] heeft specifiek verzocht om wissing van het rapport Bunt en zijn klachtdossier. Het rapport Bunt is echter geen onderdeel van de raadsenquêtedocumenten en is dus niet met het besluit van 13 juni 2023 naar het streekarchief overgebracht. Het college bewaart dit rapport in het gemeentearchief. De streekarchivaris heeft hierover het volgende verklaard in zijn advies van 21 april 2023: "Vraag 3: Zijn de 'Bunt-sheets' (KBB&T) aanwezig in het archief? En zo ja, moeten deze bewaard worden al dan niet met openbaarheidsbeperkingen of moeten deze vernietigd worden? Antwoord: De zogenaamde "Bunt-sheets" bevinden zich ook niet in de documenten waarop de openbaarheidsbeperkingen in stand blijven, of in de documenten die worden vernietigd." Het rapport Bunt valt dus buiten de omvang van het geding. Het klachtdossier dat zich in het streekarchief bevindt, behoort daarentegen wel tot de raadsenquêtedocumenten. Daarvoor geldt wat de Afdeling hiervoor onder 11.1 en 11.2 heeft overwogen. Het betoog slaagt niet. Conclusie over het beroep 13. Het beroep is ongegrond. Proceskosten 14. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 maart 2024 in zaak nr. 23/2243; III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 9 april 2024, kenmerk Z/23/448016/UIT/24/1203324; IV. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zevenaar van 9 maart 2023, kenmerk Z/22/435972/UIT/23/1148526, ongegrond. Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzitter, en mr. J. Schipper-Spanninga en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.A. Meerman, griffier. w.g. Hoekstra voorzitter w.g. Meerman griffier Uitgesproken in het openbaar op 20 mei 2026 960 Bijlage Relevante wet- en regelgeving Artikel 5, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming Persoonsgegevens moeten: a) worden verwerkt op een wijze die ten aanzien van de betrokkene rechtmatig, behoorlijk en transparant is („rechtmatigheid, behoorlijkheid en transparantie"); b) voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verzameld en mogen vervolgens niet verder op een met die doeleinden onverenigbare wijze worden verwerkt; de verdere verwerking met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden wordt overeenkomstig artikel 89, lid 1, niet als onverenigbaar met de oorspronkelijke doeleinden beschouwd („doelbinding"); c) toereikend zijn, ter zake dienend en beperkt tot wat noodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt („minimale gegevensverwerking"); d) juist zijn en zo nodig worden geactualiseerd; alle redelijke maatregelen moeten worden genomen om de persoonsgegevens die, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, onjuist zijn, onverwijld te wissen of te rectificeren („juistheid"); e) worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkenen niet langer te identificeren dan voor de doeleinden waarvoor de persoonsgegevens worden verwerkt noodzakelijk is; persoonsgegevens mogen voor langere perioden worden opgeslagen voor zover de persoonsgegevens louter met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden worden verwerkt overeenkomstig artikel 89, lid 1, mits de bij deze verordening vereiste passende technische en organisatorische maatregelen worden getroffen om de rechten en vrijheden van de betrokkene te beschermen („opslagbeperking"); f) door het nemen van passende technische of organisatorische maatregelen op een dusdanige manier worden verwerkt dat een passende beveiliging ervan gewaarborgd is, en dat zij onder meer beschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking en tegen onopzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging („integriteit en vertrouwelijkheid").
Volledig
Artikel 6, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. Artikel 17, eerste en derde lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking; c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2; d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie; b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3; d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen; e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen. Artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°, bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op: a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten; c. de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in onderdeel a of onderdeel b. Voor zover de beheerder van een archiefbewaarplaats een rijksarchivaris is als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt het advies, bedoeld in de eerste volzin, gevraagd aan de algemene rijksarchivaris, bedoeld in artikel 25, eerste lid.
Volledig
Artikel 6, eerste lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming De verwerking is alleen rechtmatig indien en voor zover aan ten minste een van de onderstaande voorwaarden is voldaan: a) de betrokkene heeft toestemming gegeven voor de verwerking van zijn persoonsgegevens voor een of meer specifieke doeleinden; b) de verwerking is noodzakelijk voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is, of om op verzoek van de betrokkene vóór de sluiting van een overeenkomst maatregelen te nemen; c) de verwerking is noodzakelijk om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; d) de verwerking is noodzakelijk om de vitale belangen van de betrokkene of van een andere natuurlijke persoon te beschermen; e) de verwerking is noodzakelijk voor de vervulling van een taak van algemeen belang of van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is opgedragen; f) de verwerking is noodzakelijk voor de behartiging van de gerechtvaardigde belangen van de verwerkingsverantwoordelijke of van een derde, behalve wanneer de belangen of de grondrechten en de fundamentele vrijheden van de betrokkene die tot bescherming van persoonsgegevens nopen, zwaarder wegen dan die belangen, met name wanneer de betrokkene een kind is. De eerste alinea, punt f), geldt niet voor de verwerking door overheidsinstanties in het kader van de uitoefening van hun taken. Artikel 17, eerste en derde lid, van de Algemene Verordening Gegevensbescherming 1. De betrokkene heeft het recht van de verwerkingsverantwoordelijke zonder onredelijke vertraging wissing van hem betreffende persoonsgegevens te verkrijgen en de verwerkingsverantwoordelijke is verplicht persoonsgegevens zonder onredelijke vertraging te wissen wanneer een van de volgende gevallen van toepassing is: a) de persoonsgegevens zijn niet langer nodig voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt; b) de betrokkene trekt de toestemming waarop de verwerking overeenkomstig artikel 6, lid 1, punt a), of artikel 9, lid 2, punt a), berust, in, en er is geen andere rechtsgrond voor de verwerking; c) de betrokkene maakt overeenkomstig artikel 21, lid 1, bezwaar tegen de verwerking, en er zijn geen prevalerende dwingende gerechtvaardigde gronden voor de verwerking, of de betrokkene maakt bezwaar tegen de verwerking overeenkomstig artikel 21, lid 2; d) de persoonsgegevens zijn onrechtmatig verwerkt; e) de persoonsgegevens moeten worden gewist om te voldoen aan een in het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust; f) de persoonsgegevens zijn verzameld in verband met een aanbod van diensten van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 8, lid 1. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing voor zover verwerking nodig is: a) voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie; b) voor het nakomen van een in een het Unierecht of het lidstatelijke recht neergelegde wettelijke verwerkingsverplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke rust, of voor het vervullen van een taak van algemeen belang of het uitoefenen van het openbaar gezag dat aan de verwerkingsverantwoordelijke is verleend; c) om redenen van algemeen belang op het gebied van volksgezondheid overeenkomstig artikel 9, lid 2, punten h) en i), en artikel 9, lid 3; d) met het oog op archivering in het algemeen belang, wetenschappelijk of historisch onderzoek of statistische doeleinden overeenkomstig artikel 89, lid 1, voor zover het in lid 1 bedoelde recht de verwezenlijking van de doeleinden van die verwerking onmogelijk dreigt te maken of ernstig in het gedrang dreigt te brengen; e) voor de instelling, uitoefening of onderbouwing van een rechtsvordering. Artikel 155a, eerste lid, van de Gemeentewet De raad kan op voorstel van een of meer van zijn leden een onderzoek naar het door het college of de burgemeester gevoerde bestuur instellen. Artikel 15, eerste lid, van de Archiefwet 1995 Bij de overbrenging van de in artikel 1, onder c 1° en 2°, bedoelde archiefbescheiden kan de zorgdrager, na advies van de beheerder van de archiefbewaarplaats, slechts beperkingen aan de openbaarheid stellen voor een bepaalde termijn en met het oog op: a. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; b. het belang van de Staat of zijn bondgenoten; c. de onevenredige benadeling van een ander belang dan genoemd in onderdeel a of onderdeel b. Voor zover de beheerder van een archiefbewaarplaats een rijksarchivaris is als bedoeld in artikel 26, tweede lid, wordt het advies, bedoeld in de eerste volzin, gevraagd aan de algemene rijksarchivaris, bedoeld in artikel 25, eerste lid.