Rechtspraak
Raad van State
2026-05-11
ECLI:NL:RVS:2026:2688
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
2,101 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2688 text/xml public 2026-05-13T10:38:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.26.001591 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2688 text/html public 2026-05-11T14:07:04 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2688 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.26.001591 Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten. BRS.26.001591 ECLI:NL:RVS:2026:2688 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 maart 2026 in zaak nr. NL24.8962 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten. De minister heeft op 5 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Bij uitspraak van 16 maart 2026 heeft de rechtbank het tegen die besluiten door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, dat hij opvang en verstrekkingen krijgt en dat hij kan blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning. 2. De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is of de minister mocht bepalen dat verzoeker geen recht meer had op tijdelijke bescherming. Verzoeker klaagt in hoger beroep alleen over het terugkeerbesluit. 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af, voor zover verzoeker heeft verzocht dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing blijft. 4. Het hoger beroep vergt voor het overige nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet daarop en gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. 5. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. wijst het verzoek voor het overige af; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. De Poorter voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 987
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2688 text/xml public 2026-05-13T10:38:50 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.26.001591 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2688 text/html public 2026-05-11T14:07:04 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2688 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.26.001591 Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten. BRS.26.001591 ECLI:NL:RVS:2026:2688 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van: [verzoeker], verzoeker, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 16 maart 2026 in zaak nr. NL24.8962 in het geding tussen: verzoeker en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid bepaald dat verzoeker met ingang van 5 maart 2024 geen recht meer heeft op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382. De staatssecretaris heeft appellant ook opgedragen om de Europese Unie binnen vier weken na 5 maart 2024 te verlaten. De minister heeft op 5 augustus 2025 een vervangend terugkeerbesluit genomen. Bij uitspraak van 16 maart 2026 heeft de rechtbank het tegen die besluiten door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Verzoeker heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij niet wordt uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist, dat hij opvang en verstrekkingen krijgt en dat hij kan blijven werken zonder tewerkstellingsvergunning. 2. De voorzieningenrechter constateert dat in hoger beroep niet meer in geschil is of de minister mocht bepalen dat verzoeker geen recht meer had op tijdelijke bescherming. Verzoeker klaagt in hoger beroep alleen over het terugkeerbesluit. 3. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af, voor zover verzoeker heeft verzocht dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming en de daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluiten, op hem van toepassing blijft. 4. Het hoger beroep vergt voor het overige nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Gelet daarop en gelet op de belangen die verzoeker naar voren heeft gebracht, treft de voorzieningenrechter de voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist. 5. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoeker niet wordt uitgezet, totdat op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist; II. wijst het verzoek voor het overige af; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Huizer, griffier. w.g. De Poorter voorzieningenrechter w.g. Huizer griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 987