Rechtspraak
Raad van State
2026-05-13
ECLI:NL:RVS:2026:2682
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,450 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2682 text/xml public 2026-05-20T10:32:53 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 BRS.26.002123 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2682 text/html public 2026-05-11T10:39:13 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2682 Raad van State , 13-05-2026 / BRS.26.002123 Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.26.002123 ECLI:NL:RVS:2026:2682 Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.20433 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.R. Kwee, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2618, onder 1, over de vraag of de bewaringsrechter bij een inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000 moet toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Vulpen griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026 1073
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2682 text/xml public 2026-05-20T10:32:53 2026-05-11 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-13 BRS.26.002123 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2682 text/html public 2026-05-11T10:39:13 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2682 Raad van State , 13-05-2026 / BRS.26.002123 Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.26.002123 ECLI:NL:RVS:2026:2682 Datum uitspraak: 13 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 28 april 2026 in zaak nr. NL26.20433 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 10 april 2026 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 28 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S.R. Kwee, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. Overwegingen 1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). 1.1. Het hoger beroep gaat onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 8 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2618, onder 1, over de vraag of de bewaringsrechter bij een inbewaringstelling op grond van artikel 59b van de Vw 2000 moet toetsen of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen. 1.2. Ook zijn in deze zaak verder geen vragen aan de orde over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punten 24 en 31). 2. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L. van Vulpen, griffier. w.g. Meijer lid van de enkelvoudige kamer w.g. Van Vulpen griffier Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026 1073