Rechtspraak
Raad van State
2026-05-12
ECLI:NL:RVS:2026:2662
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
3,903 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2662 text/xml public 2026-05-20T10:32:06 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-12 BRS.25.002256 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2662 text/html public 2026-05-08T09:16:29 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2662 Raad van State , 12-05-2026 / BRS.25.002256 Bij besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. BRS.25.002256 ECLI:NL:RVS:2026:2662 Datum uitspraak: 12 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 november 2025 in zaak nr. NL24.4062 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, vernietigd en bepaald dat de minister binnen tien weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft aan betrokkene geweigerd om verblijf bij haar dochter en kleinkinderen toe te staan op grond van artikel 8 EVRM. Volgens de minister heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat tussen haar en haar kleinkinderen hechte persoonlijke banden bestaan. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Venezuela uit te oefenen en dat ook niet gebleken is van bijzondere omstandigheden. Daarom valt de belangenafweging in het nadeel van betrokkene uit. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen hechte persoonlijke banden bestaan. Daarvoor heeft zij gewezen op de samenwoning van betrokkene met haar kleinkinderen in Venezuela en haar rol als verzorgende ouder daar en in Nederland. Volgens de rechtbank heeft de minister bij de belangenafweging niet alle belangen goed in kaart gebracht en moet hij een nieuwe belangenafweging maken. Het hoger beroep van de minister 3. De minister komt niet op tegen de vernietiging van het besluit als zodanig. Hij erkent dat hij de af te wegen belangen niet goed in kaart heeft gebracht en dat hij een nieuw besluit zal nemen. 4. De eerste grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de in beroep overgelegde brieven van de schoolmaatschappelijk werker en de basisschooldirecteur onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat in de brieven niet als zodanig wordt gesteld dat er ontwikkelingsschade zal ontstaan bij de kleinkinderen van betrokkene als de minister betrokkene geen verblijf toestaat. Verder heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat aan de brieven slechts een beperkte waarde toekomt, omdat deze niet zijn opgesteld door deskundigen en de opstellers bovendien in bepaalde mate betrokken zijn bij de kleinkinderen. 4.1. De Afdeling stelt vast dat in de brief van de schoolmaatschappelijk werker is toegelicht dat het welbevinden en de emotieregulatie van de kleinzoon van betrokkene in het geding zullen komen wanneer zij niet meer in het gezin is. In de verklaring van de basisschooldirecteur staat dat het wegvallen van betrokkene als steunpilaar onvermijdelijk zal leiden tot een verslechtering van de thuissituatie en negatieve gevolgen kan hebben voor het sociaal-emotioneel functioneren en de schoolprestaties van de kleindochter van betrokkene. Gelet op deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, en rekening houdende met het feit dat betrokkene anderhalf jaar lang de dagelijkse zorg heeft gedragen voor haar kleinkinderen in Venezuela bij afwezigheid van hun moeder, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister het standpunt dat de ontwikkelingsschade niet is onderbouwd ondeugdelijk heeft gemotiveerd. 4.2. Het betoog van de minister dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de brieven slechts beperkte waarde toekomt, slaagt ook niet. Hoewel uit de brieven niet volgt dat de opstellers beschikken over deskundigheid op het gebied van het vaststellen van ontwikkelingsschade bij kinderen en deze brieven dus geen deskundigenrapport zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in ieder geval de schoolmaatschappelijk werker bij uitstek gepositioneerd is om zich uit te laten over het welbevinden van de kleinzoon van betrokkene. Anders dan de minister stelt, leidt de omstandigheid dat de brieven op verzoek van betrokkene zijn opgesteld in dit geval ook niet tot de conclusie dat de opstellers daarvan partijdig zijn. Daarvoor is van belang dat de brieven zijn opgesteld door personen die uit hoofde van hun functie en deskundigheid in relatie staan tot het gezin waartoe betrokkene behoort. Uit de inhoud van de brieven blijkt niet van een andere vorm van betrokkenheid van de opstellers. De minister heeft dat verder ook niet uitgelegd. 4.3. De grief slaagt niet. 5. De tweede grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Venezuela uit te oefenen. De minister komt op tegen de overweging van de rechtbank dat de minister de door de dochter van betrokkene in het kader van haar asielprocedure gestelde problemen in Venezuela niet heeft betwist en dat betrokkene het familieleven daardoor niet in Venezuela kan uitoefenen. 5.1. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de dochter en de kleinkinderen van betrokkene haar kunnen bezoeken in Venezuela, omdat dat een veilig derde land is. In reactie op de stelling van betrokkene tijdens de zitting dat haar dochter gevaar loopt in Venezuela, heeft de minister toegelicht dat hij bij zijn standpunt blijft. Ook het voornemen en het besluit bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister aanneemt dat Venezuela geen veilig derde land is voor de dochter van betrokkene. De rechtbank is hier ten onrechte van uitgegaan. 5.2. De grief slaagt. Conclusie 6. Het hoger beroep is gegrond. Omdat het hoger beroep niet is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep, bestaat geen aanleiding om de uitspraak te vernietigen en moet de minister met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is bestreden, een nieuw besluit nemen. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep gegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzitter w.g. Jiawan griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 1017
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2662 text/xml public 2026-05-20T10:32:06 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-12 BRS.25.002256 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2662 text/html public 2026-05-08T09:16:29 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2662 Raad van State , 12-05-2026 / BRS.25.002256 Bij besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. BRS.25.002256 ECLI:NL:RVS:2026:2662 Datum uitspraak: 12 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: de minister van Asiel en Migratie, appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 5 november 2025 in zaak nr. NL24.4062 in het geding tussen: [de betrokkene] en de minister. Procesverloop Bij besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, heeft de minister een aanvraag van betrokkene om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 5 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 januari 2024, aangevuld bij besluit van 28 maart 2025, vernietigd en bepaald dat de minister binnen tien weken na de dag van verzending van die uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak. Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Overwegingen Inleiding 1. Betrokkene heeft de Venezolaanse nationaliteit. De minister heeft aan betrokkene geweigerd om verblijf bij haar dochter en kleinkinderen toe te staan op grond van artikel 8 EVRM. Volgens de minister heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat tussen haar en haar kleinkinderen hechte persoonlijke banden bestaan. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Venezuela uit te oefenen en dat ook niet gebleken is van bijzondere omstandigheden. Daarom valt de belangenafweging in het nadeel van betrokkene uit. De uitspraak van de rechtbank 2. De rechtbank heeft overwogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen hechte persoonlijke banden bestaan. Daarvoor heeft zij gewezen op de samenwoning van betrokkene met haar kleinkinderen in Venezuela en haar rol als verzorgende ouder daar en in Nederland. Volgens de rechtbank heeft de minister bij de belangenafweging niet alle belangen goed in kaart gebracht en moet hij een nieuwe belangenafweging maken. Het hoger beroep van de minister 3. De minister komt niet op tegen de vernietiging van het besluit als zodanig. Hij erkent dat hij de af te wegen belangen niet goed in kaart heeft gebracht en dat hij een nieuw besluit zal nemen. 4. De eerste grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister de in beroep overgelegde brieven van de schoolmaatschappelijk werker en de basisschooldirecteur onvoldoende kenbaar heeft betrokken bij zijn beoordeling. Volgens de minister heeft de rechtbank niet onderkend dat in de brieven niet als zodanig wordt gesteld dat er ontwikkelingsschade zal ontstaan bij de kleinkinderen van betrokkene als de minister betrokkene geen verblijf toestaat. Verder heeft de rechtbank volgens de minister niet onderkend dat aan de brieven slechts een beperkte waarde toekomt, omdat deze niet zijn opgesteld door deskundigen en de opstellers bovendien in bepaalde mate betrokken zijn bij de kleinkinderen. 4.1. De Afdeling stelt vast dat in de brief van de schoolmaatschappelijk werker is toegelicht dat het welbevinden en de emotieregulatie van de kleinzoon van betrokkene in het geding zullen komen wanneer zij niet meer in het gezin is. In de verklaring van de basisschooldirecteur staat dat het wegvallen van betrokkene als steunpilaar onvermijdelijk zal leiden tot een verslechtering van de thuissituatie en negatieve gevolgen kan hebben voor het sociaal-emotioneel functioneren en de schoolprestaties van de kleindochter van betrokkene. Gelet op deze verklaringen, in onderlinge samenhang bezien, en rekening houdende met het feit dat betrokkene anderhalf jaar lang de dagelijkse zorg heeft gedragen voor haar kleinkinderen in Venezuela bij afwezigheid van hun moeder, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de minister het standpunt dat de ontwikkelingsschade niet is onderbouwd ondeugdelijk heeft gemotiveerd. 4.2. Het betoog van de minister dat de rechtbank niet heeft onderkend dat aan de brieven slechts beperkte waarde toekomt, slaagt ook niet. Hoewel uit de brieven niet volgt dat de opstellers beschikken over deskundigheid op het gebied van het vaststellen van ontwikkelingsschade bij kinderen en deze brieven dus geen deskundigenrapport zijn, heeft de rechtbank terecht overwogen dat in ieder geval de schoolmaatschappelijk werker bij uitstek gepositioneerd is om zich uit te laten over het welbevinden van de kleinzoon van betrokkene. Anders dan de minister stelt, leidt de omstandigheid dat de brieven op verzoek van betrokkene zijn opgesteld in dit geval ook niet tot de conclusie dat de opstellers daarvan partijdig zijn. Daarvoor is van belang dat de brieven zijn opgesteld door personen die uit hoofde van hun functie en deskundigheid in relatie staan tot het gezin waartoe betrokkene behoort. Uit de inhoud van de brieven blijkt niet van een andere vorm van betrokkenheid van de opstellers. De minister heeft dat verder ook niet uitgelegd. 4.3. De grief slaagt niet. 5. De tweede grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen objectieve belemmering bestaat om het gezinsleven in Venezuela uit te oefenen. De minister komt op tegen de overweging van de rechtbank dat de minister de door de dochter van betrokkene in het kader van haar asielprocedure gestelde problemen in Venezuela niet heeft betwist en dat betrokkene het familieleven daardoor niet in Venezuela kan uitoefenen. 5.1. Uit de zittingsaantekeningen volgt dat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de dochter en de kleinkinderen van betrokkene haar kunnen bezoeken in Venezuela, omdat dat een veilig derde land is. In reactie op de stelling van betrokkene tijdens de zitting dat haar dochter gevaar loopt in Venezuela, heeft de minister toegelicht dat hij bij zijn standpunt blijft. Ook het voornemen en het besluit bevatten geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de minister aanneemt dat Venezuela geen veilig derde land is voor de dochter van betrokkene. De rechtbank is hier ten onrechte van uitgegaan. 5.2. De grief slaagt. Conclusie 6. Het hoger beroep is gegrond. Omdat het hoger beroep niet is gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep, bestaat geen aanleiding om de uitspraak te vernietigen en moet de minister met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling en de uitspraak van de rechtbank, voor zover deze niet is bestreden, een nieuw besluit nemen. Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24). De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep gegrond. Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J. Luijendijk, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier. w.g. Ristra-Peeters voorzitter w.g. Jiawan griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 1017