Rechtspraak
Raad van State
2026-05-12
ECLI:NL:RVS:2026:2657
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,371 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2657 text/xml public 2026-05-20T10:32:50 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-12 BRS.26.001983 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2657 text/html public 2026-05-08T08:32:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2657 Raad van State , 12-05-2026 / BRS.26.001983 Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken. BRS.26.001983 ECLI:NL:RVS:2026:2657 Datum uitspraak: 12 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken. Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.R. Raghoebir, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Appellant heeft bij brief van 21 april 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij een rechtsmiddel aanwendt tegen de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 23 april 2026. Appellant heeft op 24 april 2026 alsnog gronden ingediend. Omdat de gronden buiten de hogerberoepstermijn van een week zijn binnengekomen, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 977
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2657 text/xml public 2026-05-20T10:32:50 2026-05-08 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-12 BRS.26.001983 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2657 text/html public 2026-05-08T08:32:23 2026-05-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2657 Raad van State , 12-05-2026 / BRS.26.001983 Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken. BRS.26.001983 ECLI:NL:RVS:2026:2657 Datum uitspraak: 12 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 april 2026 in zaak nr. NL25.47539 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 2 september 2025 heeft de minister de aan appellant verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, ingetrokken. Bij uitspraak van 16 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. R.R. Raghoebir, rechtsbijstandsverlener in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant heeft een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Appellant heeft bij brief van 21 april 2026 hoger beroep ingesteld en verzocht om een nadere termijn voor het indienen van gronden. Deze brief kan, voor zover appellant daarin stelt dat hij een rechtsmiddel aanwendt tegen de uitspraak van de rechtbank, slechts als een pro-formahogerberoepschrift worden beschouwd. Het verzoek om een nadere termijn valt buiten de wettelijke mogelijkheden. De hogerberoepstermijn liep tot en met 23 april 2026. Appellant heeft op 24 april 2026 alsnog gronden ingediend. Omdat de gronden buiten de hogerberoepstermijn van een week zijn binnengekomen, kan de Afdeling geen inhoudelijk oordeel geven over het hoger beroep (artikel 85, derde lid, van de Vw 2000). Er doen zich in dit geval geen Bahaddar-omstandigheden voor als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 22 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1664. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. Q. Boon, griffier. w.g. De Poorter lid van de enkelvoudige kamer w.g. Boon griffier Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2026 977