Rechtspraak
Raad van State
2026-05-11
ECLI:NL:RVS:2026:2544
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
3,259 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2544 text/xml public 2026-05-18T11:30:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.25.002106 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2544 text/html public 2026-05-04T12:41:16 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2544 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.25.002106 Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.25.002106 ECLI:NL:RVS:2026:2544 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.54318 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Inleiding 1. Appellant heeft op 2 januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hij heeft dat op 13 maart 2024 ook gedaan in Zwitserland. De minister heeft een verzoek van de Zwitserse autoriteiten van 10 april 2024 om appellant terug te nemen, afgewezen, omdat appellant in Nederland als minderjarige stond geregistreerd. De minister heeft de asielaanvraag van appellant bij besluit van 11 juni 2025 afgewezen. Op 6 oktober 2025 heeft appellant een asielaanvraag ingediend in Duitsland. 1.1. Appellant is op 25 oktober 2025 aangehouden. De minister heeft hem vervolgens op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van de Vw 2000. De minister heeft op 30 oktober 2025 een verzoek tot terugname op grond van de Dublinverordening verzonden naar de Zwitserse autoriteiten. Hij heeft de aan de appellant bij maatregel van 25 oktober 2025 opgelegde maatregel op 31 oktober 2025 opgeheven. Hij heeft appellant daarna op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000. De grief en de beoordeling daarvan 2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op het moment van de inbewaringstelling van appellant op 31 oktober 2025 een concreet aanknopingspunt bestond dat hij onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat er een Eurodac-treffer was en dat de minister op 30 oktober 2025 een claimverzoek heeft gedaan aan Zwitserland. 2.1. De grief slaagt. De minister is er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening bestond, omdat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van appellant naar Zwitserland zou zijn verschoven. 2.2. Weliswaar is in Eurodac geregistreerd dat appellant op 13 maart 2024 een asielaanvraag heeft ingediend in Zwitserland, maar de minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen bij het besluit van 11 juni 2025. Daarmee is de verantwoordelijkheid op Nederland blijven rusten. Dat volgt uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De situaties die de verantwoordelijkheid zouden kunnen doen verschuiven naar een andere lidstaat als omschreven in artikel 19 en artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening zijn niet van toepassing. Anders dan de minister heeft aangenomen, is de verantwoordelijkheid niet op Zwitserland overgegaan omdat appellant inmiddels meerderjarig is en hij na het besluit van 11 juni 2025 een asielaanvraag heeft ingediend in een andere lidstaat, terwijl het eerdere terugnameverzoek van Zwitserland niet tot een overdracht aan Nederland had geleid. Voor de opvatting van de minister is geen steun te vinden in de Dublinverordening. 2.3. Voor de minister moet op het moment van inbewaringstelling dan ook duidelijk zijn geweest dat een overdracht van appellant op grond van de Dublinverordening niet mogelijk was, gelet op de artikelen van die verordening en de feiten en omstandigheden van het geval. Er bestond daarom geen concreet aanknopingspunt voor een dergelijke overdracht. De rechtbank heeft dat niet onderkend. 2.4. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Conclusie 3. Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.54318; III. verklaart het beroep gegrond; IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2800,00 over de periode van 31 oktober 2025 tot en met 27 november 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Van Bekhoven griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 959
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2544 text/xml public 2026-05-18T11:30:49 2026-05-04 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-11 BRS.25.002106 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2544 text/html public 2026-05-04T12:41:16 2026-05-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2544 Raad van State , 11-05-2026 / BRS.25.002106 Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant in bewaring gesteld. BRS.25.002106 ECLI:NL:RVS:2026:2544 Datum uitspraak: 11 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.54318 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 31 oktober 2025 heeft de minister appellant in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 18 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. M.H.K. van Middelkoop, advocaat in Haarlem, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Overwegingen Inleiding 1. Appellant heeft op 2 januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Hij heeft dat op 13 maart 2024 ook gedaan in Zwitserland. De minister heeft een verzoek van de Zwitserse autoriteiten van 10 april 2024 om appellant terug te nemen, afgewezen, omdat appellant in Nederland als minderjarige stond geregistreerd. De minister heeft de asielaanvraag van appellant bij besluit van 11 juni 2025 afgewezen. Op 6 oktober 2025 heeft appellant een asielaanvraag ingediend in Duitsland. 1.1. Appellant is op 25 oktober 2025 aangehouden. De minister heeft hem vervolgens op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van de Vw 2000. De minister heeft op 30 oktober 2025 een verzoek tot terugname op grond van de Dublinverordening verzonden naar de Zwitserse autoriteiten. Hij heeft de aan de appellant bij maatregel van 25 oktober 2025 opgelegde maatregel op 31 oktober 2025 opgeheven. Hij heeft appellant daarna op dezelfde dag in bewaring gesteld op grond van artikel 59a van de Vw 2000. De grief en de beoordeling daarvan 2. De enige grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat op het moment van de inbewaringstelling van appellant op 31 oktober 2025 een concreet aanknopingspunt bestond dat hij onder de werkingssfeer van de Dublinverordening valt. De rechtbank heeft daarbij betrokken dat er een Eurodac-treffer was en dat de minister op 30 oktober 2025 een claimverzoek heeft gedaan aan Zwitserland. 2.1. De grief slaagt. De minister is er namelijk ten onrechte van uitgegaan dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht op grond van de Dublinverordening bestond, omdat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van appellant naar Zwitserland zou zijn verschoven. 2.2. Weliswaar is in Eurodac geregistreerd dat appellant op 13 maart 2024 een asielaanvraag heeft ingediend in Zwitserland, maar de minister heeft de asielaanvraag van appellant afgewezen bij het besluit van 11 juni 2025. Daarmee is de verantwoordelijkheid op Nederland blijven rusten. Dat volgt uit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. De situaties die de verantwoordelijkheid zouden kunnen doen verschuiven naar een andere lidstaat als omschreven in artikel 19 en artikel 23, derde lid, van de Dublinverordening zijn niet van toepassing. Anders dan de minister heeft aangenomen, is de verantwoordelijkheid niet op Zwitserland overgegaan omdat appellant inmiddels meerderjarig is en hij na het besluit van 11 juni 2025 een asielaanvraag heeft ingediend in een andere lidstaat, terwijl het eerdere terugnameverzoek van Zwitserland niet tot een overdracht aan Nederland had geleid. Voor de opvatting van de minister is geen steun te vinden in de Dublinverordening. 2.3. Voor de minister moet op het moment van inbewaringstelling dan ook duidelijk zijn geweest dat een overdracht van appellant op grond van de Dublinverordening niet mogelijk was, gelet op de artikelen van die verordening en de feiten en omstandigheden van het geval. Er bestond daarom geen concreet aanknopingspunt voor een dergelijke overdracht. De rechtbank heeft dat niet onderkend. 2.4. Uit het voorgaande volgt dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over het antwoord op de opgeworpen vraag. Gelet op de arresten van het Hof van Justitie van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 16, 6 oktober 2021, Consorzio Italian Management, ECLI:EU:C:2021:799, punten 39 en 40, en 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 37, bestaat dan ook geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen. Conclusie 3. Omdat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. Appellant heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). De Afdeling kent deze vergoeding daarom aan appellant toe. De minister moet de proceskosten vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep gegrond; II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 18 november 2025 in zaak nr. NL25.54318; III. verklaart het beroep gegrond; IV. kent aan appellant een vergoeding toe van € 2800,00 over de periode van 31 oktober 2025 tot en met 27 november 2025, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State; V. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2802,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzitter, mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. M.C. Stoové, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier. w.g. De Poorter voorzitter w.g. Van Bekhoven griffier Uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026 959