Rechtspraak
Raad van State
2026-05-01
ECLI:NL:RVS:2026:2515
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Voorlopige voorziening
1,339 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2515 text/xml public 2026-05-06T10:33:07 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.002184 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2515 text/html public 2026-05-01T14:17:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2515 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.002184 Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.002184 ECLI:NL:RVS:2026:2515 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van: [verzoeker], verzoeker. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 14 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van vandaag heeft de Afdeling het daartegen door verzoeker ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft op 30 april 2026 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt overgedragen totdat op het bezwaarschrift is beslist. 2. Gelet op wat in de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2492 , is overwogen en omdat wat verzoeker in haar verzoek heeft aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht uit te gaan, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. w.g. Stoové voorzieningenrechter w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 853
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2515 text/xml public 2026-05-06T10:33:07 2026-05-01 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.002184 Uitspraak Voorlopige voorziening NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2515 text/html public 2026-05-01T14:17:49 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2515 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.002184 Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. BRS.26.002184 ECLI:NL:RVS:2026:2515 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, van: [verzoeker], verzoeker. Procesverloop Bij besluit van 5 februari 2026 heeft de minister een aanvraag van verzoeker om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Bij uitspraak van 14 april 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van vandaag heeft de Afdeling het daartegen door verzoeker ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard. Verzoeker heeft op 30 april 2026 krachtens artikel 72, derde lid, van de Vw 2000 bezwaar gemaakt tegen de feitelijke overdracht en de voorzieningenrechter van de rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen. De griffier van de rechtbank heeft het verzoek ter behandeling aan de voorzieningenrechter van de Afdeling doorgezonden. Overwegingen 1. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter verzocht bij wijze van voorlopige voorziening te bepalen dat zij niet wordt overgedragen totdat op het bezwaarschrift is beslist. 2. Gelet op wat in de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2492 , is overwogen en omdat wat verzoeker in haar verzoek heeft aangevoerd geen grond biedt om niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen overdracht uit te gaan, wordt het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. 3. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: wijst het verzoek af. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N. Tibold, griffier. w.g. Stoové voorzieningenrechter w.g. Tibold griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 853