Rechtspraak
Raad van State
2026-04-30
ECLI:NL:RVS:2026:2475
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
4,039 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2475 text/xml public 2026-05-06T10:32:40 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-30 202403099/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2475 text/html public 2026-04-30T08:14:13 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2475 Raad van State , 30-04-2026 / 202403099/1/V2 Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202403099/1/V2. Datum uitspraak: 30 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024 in zaak nr. NL23.38739 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Z.M. Alaca, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke reacties gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Overwegingen 1. Appellant is een Somalische vrouw uit de stad Marka. Ze klaagt in haar eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. Ze betoogt dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Volgens appellant moet zij daarom worden aangemerkt als lid van een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. 1.1. Hierover heeft zij het volgende verklaard. Appellant had in Somalië een eigen eethuis. Ze heeft naar eigen zeggen problemen gekregen met Al-Shabaab omdat ze daar sigaretten verkocht. Ook zou ze zweepslagen hebben gekregen, omdat ze met een andere eigenaar van een eethuis thuis heeft gepraat. Zij heeft verder problemen gekregen met Al-Shabaab omdat zij zich anders kleedde dan de daar geldende kledingvoorschriften. Zij moest kleding dragen die haar lichaam volledig bedekte. Ze is mishandeld op straat omdat ze een neuspiercing inhad en omdat ze meerdere gaatjes heeft in haar oorlellen. Ze heeft verder verklaard dat zij in vrijheid is opgegroeid en daarom zelf wil bepalen hoe zij zich kleedt. Zij heeft ook verklaard dat ze twee keer gehuwd en twee keer gescheiden is. 1.2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2024 geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, maar dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. 1.3. De Afdeling heeft de minister bij brief van 9 mei 2025 verzocht om toe te lichten wat het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487, en het beleid van de minister in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vc 2000, betekenen voor het betoog van appellant. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken; onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit. 1.4. De minister heeft zich in zijn reactie van 28 mei 2025 op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab, betekent volgens de minister niet dat sprake is van deze vereenzelviging. Daarvoor is volgens de minister van belang dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht en dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen. Ook is volgens de minister gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. 1.5. Naar oordeel van de Afdeling heeft de minister met deze reactie ondeugdelijk gemotiveerd dat appellant niet behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals weergegeven onder 1.3, houdt vereenzelviging volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft appellant niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard. Zoals onder 1.1 is weergegeven heeft zij ook verklaard over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken. 1.6. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen, dat is gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. Deze standpunten gaan naar oordeel van de Afdeling niet over de vraag of appellant zich persoonlijk heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hiermee heeft de minister immers niet toegelicht in hoeverre uit de verklaringen van appellant blijkt of zij in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten. 1.7. Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ook ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen van appellant met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. Appellant heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen van appellant dat ze problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor. 1.8. Hoewel de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het arrest K en L, heeft zij achteraf bezien ten onrechte overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een specifieke sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging in Somalië. De minister is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wat het arrest K en L betekent voor appellant, maar heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. 1.9. De eerste grief slaagt. 1.10.
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2475 text/xml public 2026-05-06T10:32:40 2026-04-30 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-30 202403099/1/V2 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2475 text/html public 2026-04-30T08:14:13 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2475 Raad van State , 30-04-2026 / 202403099/1/V2 Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. 202403099/1/V2. Datum uitspraak: 30 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 15 mei 2024 in zaak nr. NL23.38739 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 17 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Bij uitspraak van 15 mei 2024 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. Z.M. Alaca, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld. De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke reacties gegeven. Appellant heeft daarop gereageerd. Overwegingen 1. Appellant is een Somalische vrouw uit de stad Marka. Ze klaagt in haar eerste grief over het oordeel van de rechtbank dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. Ze betoogt dat zij als zelfstandige vrouw in Somalië problemen heeft gekregen met Al-Shabaab. Volgens appellant moet zij daarom worden aangemerkt als lid van een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. 1.1. Hierover heeft zij het volgende verklaard. Appellant had in Somalië een eigen eethuis. Ze heeft naar eigen zeggen problemen gekregen met Al-Shabaab omdat ze daar sigaretten verkocht. Ook zou ze zweepslagen hebben gekregen, omdat ze met een andere eigenaar van een eethuis thuis heeft gepraat. Zij heeft verder problemen gekregen met Al-Shabaab omdat zij zich anders kleedde dan de daar geldende kledingvoorschriften. Zij moest kleding dragen die haar lichaam volledig bedekte. Ze is mishandeld op straat omdat ze een neuspiercing inhad en omdat ze meerdere gaatjes heeft in haar oorlellen. Ze heeft verder verklaard dat zij in vrijheid is opgegroeid en daarom zelf wil bepalen hoe zij zich kleedt. Zij heeft ook verklaard dat ze twee keer gehuwd en twee keer gescheiden is. 1.2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 15 mei 2024 geoordeeld dat vrouwen onder omstandigheden tot een bepaalde sociale groep kunnen horen, maar dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant onvoldoende heeft geconcretiseerd waarom zij behoort tot een sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging. 1.3. De Afdeling heeft de minister bij brief van 9 mei 2025 verzocht om toe te lichten wat het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2024, K en L, ECLI:EU:C:2024:487, en het beleid van de minister in paragraaf C2/3.2.5.2.1 van de Vc 2000, betekenen voor het betoog van appellant. In dat arrest heeft het Hof geoordeeld dat vrouwen die zich daadwerkelijk vereenzelvigen met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen, kunnen behoren tot een bepaalde sociale groep overeenkomstig artikel 10, eerste lid en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Dit houdt volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van deze gelijkheid wil genieten, wat veronderstelt dat zij vrij haar eigen levenskeuzes kan maken; onder meer op het vlak van onderwijs en beroepsloopbaan, de mate en aard van activiteiten in de publieke sfeer, de mogelijkheid om economisch onafhankelijk te worden door buitenshuis te werken, de beslissing om alleen of in gezinsverband te wonen en de partnerkeuze, welke keuzen bepalend zijn voor haar identiteit. 1.4. De minister heeft zich in zijn reactie van 28 mei 2025 op het standpunt gesteld dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab, betekent volgens de minister niet dat sprake is van deze vereenzelviging. Daarvoor is volgens de minister van belang dat haar problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn geacht en dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen. Ook is volgens de minister gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. 1.5. Naar oordeel van de Afdeling heeft de minister met deze reactie ondeugdelijk gemotiveerd dat appellant niet behoort tot een sociale groep in de zin van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals weergegeven onder 1.3, houdt vereenzelviging volgens het Hof in dat een vrouw in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten, wat veronderstelt dat zij haar eigen levenskeuzes kan maken, die bepalend zijn voor haar identiteit. De minister licht in zijn reactie niet toe waarom hieronder niet kan vallen dat appellant zich niet wil houden aan de strenge kledingvoorschriften van Al-Shabaab. Bovendien heeft appellant niet alleen over de strenge kledingvoorschriften verklaard. Zoals onder 1.1 is weergegeven heeft zij ook verklaard over haar eigen winkel, haar partnerkeuze en dat ze het belangrijk vindt om haar eigen levenskeuzes te kunnen maken. De minister heeft deze verklaringen niet in zijn reactie betrokken. 1.6. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de streng islamitische regels in Somalië ook gelden voor mannen, dat is gebleken dat appellant kan functioneren in de Somalische maatschappij en dat zij bij terugkeer niet langs of door gebied van Al-Shabaab hoeft. Deze standpunten gaan naar oordeel van de Afdeling niet over de vraag of appellant zich persoonlijk heeft vereenzelvigd met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. Hiermee heeft de minister immers niet toegelicht in hoeverre uit de verklaringen van appellant blijkt of zij in haar dagelijks leven het voordeel van de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen wil genieten. 1.7. Met het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig zijn geacht, heeft de minister ook ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. De minister heeft de problemen van appellant met Al-Shabaab in algemene zin ongeloofwaardig geacht. Appellant heeft echter verklaard over verschillende incidenten en niet van elk incident heeft de minister duidelijk gemaakt of en waarom deze incidenten ongeloofwaardig zijn geacht. Dat geldt met name voor de verklaringen van appellant dat ze problemen heeft gekregen met Al-Shabaab vanwege haar kledingkeuze, neuspiercing en gaatjes in haar oor. 1.8. Hoewel de rechtbank geen rekening heeft kunnen houden met het arrest K en L, heeft zij achteraf bezien ten onrechte overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij behoort tot een specifieke sociale groep waardoor zij te vrezen heeft voor vervolging in Somalië. De minister is in hoger beroep in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over wat het arrest K en L betekent voor appellant, maar heeft gelet op het voorgaande ondeugdelijk gemotiveerd dat bij appellant geen sprake is van daadwerkelijke vereenzelviging met de fundamentele waarde van gelijkheid tussen mannen en vrouwen. 1.9. De eerste grief slaagt. 1.10.