Rechtspraak
Raad van State
2026-05-01
ECLI:NL:RVS:2026:2472
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,453 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2472 text/xml public 2026-05-06T10:32:56 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.000988 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2472 text/html public 2026-04-29T16:13:50 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2472 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.000988 Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. BRS.26.000988 ECLI:NL:RVS:2026:2472 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in zaak nr. NL25.36181 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 16 maart 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij brief van 19 maart 2026, op deze dag aan appellant bekendgemaakt in het Digitaal Portaal, laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier hem daartoe bij brief van 7 april 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 392
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2472 text/xml public 2026-05-06T10:32:56 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.000988 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2472 text/html public 2026-04-29T16:13:50 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2472 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.000988 Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. BRS.26.000988 ECLI:NL:RVS:2026:2472 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 februari 2026 in zaak nr. NL25.36181 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 26 maart 2025 heeft de minister een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen. Bij besluit van 9 juli 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 3 februari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E.R. Weegenaar, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld om zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De griffier heeft appellant er bij brief op gewezen dat hij voor het hoger beroep griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht om het griffierecht uiterlijk op 16 maart 2026 te voldoen. Omdat appellant dit niet heeft gedaan, heeft de griffier hem bij brief van 19 maart 2026, op deze dag aan appellant bekendgemaakt in het Digitaal Portaal, laten weten dat het griffierecht uiterlijk op 2 april 2026 op de rekening van de Raad van State moet zijn bijgeschreven of contant moet zijn betaald. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het hoger beroep alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet binnen de termijn betaald. Appellant heeft, nadat de griffier hem daartoe bij brief van 7 april 2026 in de gelegenheid heeft gesteld, geen redenen aangevoerd waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 392