Rechtspraak
Raad van State
2026-05-01
ECLI:NL:RVS:2026:2469
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,263 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2469 text/xml public 2026-05-06T10:33:00 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.000555 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2469 text/html public 2026-04-29T15:43:25 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2469 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.000555 Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. BRS.26.000555 ECLI:NL:RVS:2026:2469 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 in zaak nr. NL25.56597 in het geding tussen: [de appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K.S. Kort, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft laten weten geen contact meer met hem te hebben. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 1028
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2469 text/xml public 2026-05-06T10:33:00 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-05-01 BRS.26.000555 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2469 text/html public 2026-04-29T15:43:25 2026-05-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2469 Raad van State , 01-05-2026 / BRS.26.000555 Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. BRS.26.000555 ECLI:NL:RVS:2026:2469 Datum uitspraak: 1 mei 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [de appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 28 januari 2026 in zaak nr. NL25.56597 in het geding tussen: [de appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 12 november 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en bepaald dat hij de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten. Bij uitspraak van 28 januari 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. K.S. Kort, advocaat in Rotterdam, hoger beroep ingesteld. De minister heeft een nader stuk ingediend, waarop de gemachtigde van appellant heeft gereageerd. Overwegingen 1. De minister heeft de Afdeling laten weten dat appellant met onbekende bestemming is vertrokken. De gemachtigde van appellant heeft laten weten geen contact meer met hem te hebben. Daaruit leidt de Afdeling af dat appellant niet langer bescherming in Nederland zoekt. Daarom heeft appellant geen belang bij een beoordeling van het hoger beroep. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.E. Pronk, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Pronk griffier Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026 1028