Rechtspraak
Raad van State
2026-04-23
ECLI:NL:RVS:2026:2343
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
2,434 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2343 text/xml public 2026-04-29T10:31:57 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 202405138/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2343 text/html public 2026-04-23T12:00:37 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2343 Raad van State , 23-04-2026 / 202405138/1/V1 Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. 202405138/1/V1. Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19263 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 12 augustus 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 5 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 25 februari 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 3. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 25 februari 2026 een besluit genomen op de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. 5. Het besluit van 25 februari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft niet laten weten het eens te zijn met dat besluit. 6. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 25 februari 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. verwijst het beroep tegen het besluit van 25 februari 2026, V-[...], naar de rechtbank Den Haag; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Stoové lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 392
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2343 text/xml public 2026-04-29T10:31:57 2026-04-23 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-23 202405138/1/V1 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2343 text/html public 2026-04-23T12:00:37 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2343 Raad van State , 23-04-2026 / 202405138/1/V1 Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. 202405138/1/V1. Datum uitspraak: 23 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 augustus 2024 in zaak nr. NL24.19263 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Appellant heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Bij uitspraak van 12 augustus 2024 heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. E. Arslan, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld. Bij besluit van 25 februari 2026 heeft de minister de aanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft op verzoek van de Afdeling een nader stuk ingediend. Overwegingen 1. Toen de rechtbank uitspraak deed op het beroep van appellant tegen het niet tijdig nemen van een besluit, had de minister nog geen besluit genomen op de aanvraag van 5 oktober 2023. Dat heeft de minister bij het besluit van 25 februari 2026 wel gedaan. Met het door de minister nemen van dit besluit heeft appellant het doel van deze procedure bereikt. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. 3. Het hoger beroep gaat over de rechtmatigheid van het door de minister verlengen van de beslistermijn met WBV 2023/3 in asielzaken. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2829, hierover prejudiciële vragen gesteld. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 5 maart 2026, Safita, ECLI:EU:C:2026:160, antwoord gegeven op die vragen. De Afdeling moet hierover eerst nog einduitspraak doen. Het antwoord op de rechtsvraag of de minister die beslistermijn rechtmatig heeft verlengd, heeft in dit geval geen invloed op de vraag of appellant zijn proceskosten vergoed moet krijgen. In dit geval heeft de minister op 25 februari 2026 een besluit genomen op de aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. De minister heeft, ongeacht de rechtmatigheid van de verlenging van de beslistermijn, ook de beslistermijn van vijftien maanden overschreden. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de minister in de proceskosten te veroordelen. 4. De minister moet de in verband met het hoger beroep gemaakte proceskosten vergoeden (een punt voor het hogerberoepschrift). Het hoger beroep gaat uitsluitend over het door de minister niet tijdig nemen van een besluit op de asielaanvraag. De Afdeling past daarom wegingsfactor 0,5 toe. 5. Het besluit van 25 februari 2026 wordt, gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang gelezen met artikel 6:24 van de Awb, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. De minister heeft in dat besluit de asielaanvraag van appellant afgewezen. Appellant heeft niet laten weten het eens te zijn met dat besluit. 6. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding om het van rechtswege ontstane beroep tegen het besluit van 25 februari 2026, krachtens artikel 6:20, vierde lid, van de Awb, te verwijzen naar de rechtbank Den Haag. De Afdeling acht het passend dat de rechtbank het beroep tegen dat besluit toetst en dat tegen dat oordeel hoger beroep openstaat. De rechtbank is er namelijk op ingericht om in eerste aanleg asielbesluiten te toetsen en zitting te houden in dit soort zaken. Hiermee wordt ook recht gedaan aan de in afdeling 4 van hoofdstuk 7 van de Vw 2000 neergelegde functie van de hogerberoepsrechter. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk; II. verwijst het beroep tegen het besluit van 25 februari 2026, V-[...], naar de rechtbank Den Haag; III. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij appellant in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 467,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Aldus vastgesteld door mr. M.C. Stoové, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier. w.g. Stoové lid van de enkelvoudige kamer w.g. Hanrath griffier Uitgesproken in het openbaar op 23 april 2026 392