Rechtspraak
Raad van State
2026-04-24
ECLI:NL:RVS:2026:2331
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Hoger beroep
1,230 tokens
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2331 text/xml public 2026-04-29T10:32:00 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.25.002627 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2331 text/html public 2026-04-22T14:28:32 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2331 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.25.002627 Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen BRS.25.002627 ECLI:NL:RVS:2026:2331 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 november 2025 in zaak nr. NL24.43818 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Rashid, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 18 december 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 363-1203
Volledig
ECLI:NL:RVS:2026:2331 text/xml public 2026-04-29T10:32:00 2026-04-22 Raad voor de Rechtspraak nl Raad van State 2026-04-24 BRS.25.002627 Uitspraak Hoger beroep NL Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RVS:2026:2331 text/html public 2026-04-22T14:28:32 2026-04-29 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RVS:2026:2331 Raad van State , 24-04-2026 / BRS.25.002627 Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen BRS.25.002627 ECLI:NL:RVS:2026:2331 Datum uitspraak: 24 april 2026 AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van: [appellant], appellant, tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 20 november 2025 in zaak nr. NL24.43818 in het geding tussen: appellant en de minister van Asiel en Migratie. Procesverloop Bij besluit van 22 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om appellant een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen afgewezen. Bij besluit van 13 februari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 20 november 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. S. Rashid, advocaat in Den Haag, hoger beroep ingesteld. Appellant is in de gelegenheid gesteld zich nader uit te laten. Overwegingen 1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 18 december 2025. Het hogerberoepschrift is daarna bij de Raad van State binnengekomen. Appellant heeft het hoger beroepschrift daarom niet op tijd ingediend. Appellant heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid redenen aan te voeren waarom het hoger beroep toch in behandeling moet worden genomen. 2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk. Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier. w.g. Sevenster lid van de enkelvoudige kamer w.g. Prins griffier Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2026 363-1203